Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1246

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
22-07-2014
Zaaknummer
200.139.714-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

spoedappel; huur; ontruiming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.139.714/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : C/10/440326/KG ZA 13-1365

arrest d.d. 25 februari 2014

inzake

[appellante],

wonende te Hellevoetsluis,

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. R.A.U. Juchter van Bergen Quast te Den Haag,

tegen

STICHTING MAASDELTA GROEP,

gevestigd te Spijkenisse,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Maasdelta,

advocaat: mr. J. Verbeeke te Rotterdam.

Het geding

Bij spoedappeldagvaarding van 30 december 2013 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het door de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam tussen partijen in kort geding op 13 december 2013 gewezen vonnis. [appellante] heeft tien grieven aangevoerd tegen het vonnis. Bij memorie van antwoord heeft Maasdelta de grieven bestreden. Hierna hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

De aannemelijk geworden feiten en omstandigheden

1.

[appellante] huurt van Maasdelta een woning aan het [adres], tegen een vooruit te betalen huur van laatstelijk € 610,07 per maand. Zij bewoont de woning met één van haar vier meerderjarige kinderen.

2.

In een door Maasdelta tegen [appellante] aanhangig gemaakt geding heeft de kantonrechter te Rotterdam, locatie Brielle, bij onherroepelijk geworden vonnis van 11 oktober 2011 (hierna ook: het ontruimingsvonnis) [appellante] veroordeeld tot betaling aan Maasdelta van een bedrag van € 2.081,18, bestaande uit een bedrag van € 1.713,25 ter zake van achterstallige huur tot en met september 2011 plus bedragen ter zake van rente en buitengerechtelijke kosten. Voorts heeft de kantonrechter de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden en [appellante] veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen na betekening van het vonnis en tot betaling van een bedrag van € 573,53 per maand met ingang van oktober 2011 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt. [appellante] is in de proceskosten veroordeeld.

3.

Dit ontruimingsvonnis is op 20 oktober 2011 aan [appellante] betekend.

4.

Maasdelta heeft sindsdien een aantal maal aan [appellante] de ontruiming aangezegd. De eerste keer was tegen 23 januari 2012. De betalingsachterstand was in de tussentijd met nog weer drie maanden toegenomen. Maasdelta heeft de ontruiming destijds niet doorgezet, nadat [appellante] in het licht van de aangezegde ontruiming een (eerste achterstands-)betaling van € 1.200,- had verricht. Partijen hebben vervolgens een betalingsregeling getroffen, waaraan [appellante] zich tot en met begin 2013 in elk geval deels heeft gehouden. In mei 2013 is een bedrag van in totaal € 1.300,- betaald en daarna zijn alle betalingen stopgezet. Dit heeft geleid tot de tweede ontruimingsaanzegging, ditmaal tegen 3 september 2013. Deze ontruiming heeft vanwege een verbod van de rechtbank Rotterdam evenmin doorgang gevonden, in afwachting van de beoordeling van de door [appellante] eind augustus 2013 ingediende verzoeken tot toelating tot de WSNP en tot het treffen van een moratorium als bedoeld in artikel 287b Faillissementswet. Nadat deze verzoeken waren afgewezen, heeft Maasdelta opnieuw de ontruiming aangezegd, nu tegen 10 december 2013. In verband met het onderhavige geding is ook deze ontruiming niet doorgegaan.


Verdere beoordeling

5.

[appellante] vordert in dit geding, zo begrijpt het hof, dat het Maasdelta wordt verboden om op basis van het ontruimingsvonnis tot ontruiming over te gaan, althans, subsidiair, dat aan [appellante] een redelijke termijn wordt gegeven om vervangende woonruimte te vinden. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen en heeft [appellante] in de proceskosten veroordeeld.

6.

De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

7.

Als uitgangspunt in een executiegeschil als het onderhavige geldt dat de rechter de executie slechts kan schorsen indien hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dit kan het geval zijn als het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

8.

Het hof stelt voorop dat het [appellante] niet kan volgen in haar stelling dat zij volledig heeft voldaan aan haar betalingsverplichtingen op grond van het ontruimingsvonnis. Uit de door Maasdelta overgelegde specificatie (zie productie 4 bij MvA; in eerste aanleg is de specificatie ook al ter zitting overgelegd, zie r.o. 4.6. van het bestreden vonnis), blijken de door [appellante] na oktober 2011 verrichte betalingen, resulterend in een betalingsachterstand van € 5.256,76 tot en met december 2013, inclusief rente en kosten (welk bedrag volgens Maasdelta in januari 2014 is opgelopen tot € 5.866,83). [appellante] betwist deze achterstand, maar zij onderbouwt die betwisting niet. Uit de specificatie blijkt ook dat, rekening houdend met de op grond van het ontruimingsvonnis verschuldigde rente en kosten, er nooit een moment is geweest waarop volledig aan het ontruimingsvonnis was voldaan. [appellante] wijst erop dat zij in 2012 in totaal een bedrag van € 14.095,61 heeft voldaan en dat dit het op grond van het ontruimingsvonnis verschuldigde bedrag van € 2.081,18 overtreft. Dit is op zich juist (de bewuste betalingen zijn ook af te leiden uit voormelde specificatie), maar [appellante] ziet daarbij over het hoofd dat intussen ook steeds nieuwe termijnen vervielen. Een en ander blijkt ook uit het exploot hernieuwd bevel van 24 juni 2013 (productie 3 inleidende dagvaarding): tegenover die betalingen van ruim € 14.000,- stond op dat moment niet alleen het bedrag van € 2.081,18 tot betaling waarvan [appellante] was veroordeeld bij het ontruimingsvonnis, maar ook de sinds dat vonnis vervallen termijnen tot een totaalbedrag van ruim € 12.000, alsmede een bedrag aan rente en kosten. Aan de stelling van [appellante] dat haar vader nog een contante betaling van € 2.500,- heeft verricht, gaat het hof als onvoldoende onderbouwd voorbij. Niet is gesteld wanneer en aan wie die betaling zou zijn gedaan en er is geen kwitantie overgelegd of zelfs maar gesteld dat [appellante] beschikt over een kwitantie, hetgeen de stelling niet aannemelijker maakt. Het hof concludeert dat geen sprake is van een nieuw ontstane huurschuld, maar van een opgelopen oude schuld, inclusief rente en kosten.

9.

Mede gelet daarop slaagt evenmin het betoog van [appellante] dat tussen haar en Maasdelta een nieuwe huurovereenkomst tot stand is gekomen, nu zij gedurende meer dan twee jaar na het ontruimingsvonnis in de woning mocht blijven wonen. Maasdelta wijst in dit verband terecht op de zinsnede “tenzij van een andere bedoeling blijkt” in artikel 7:230 BW. In aanmerking genomen dat steeds van een betalingsachterstand sprake is geweest en dat meermalen de ontruiming is aangezegd, is het hof voorshands van oordeel dat [appellante] in redelijkheid heeft moeten begrijpen dat Maasdelta handelde uit coulance en dat zij niet heeft willen afzien van haar recht tot executie van het ontruimingsvonnis en geen nieuwe huurovereenkomst heeft willen sluiten.

10.

Gelet op het voorgaande kan Maasdelta niet worden tegengeworpen dat zij eerder tot ontruiming had moeten overgaan en kan niet worden volgehouden dat executie niet meer mogelijk is omdat het ontruimingsvonnis ruim twee jaar oud is. Van rechtsverwerking of misbruik van recht is geen sprake. Maasdelta heeft [appellante] tegemoet willen komen, respectievelijk heeft aangezegde ontruimingen moeten uitstellen in afwachting van door [appellante] geëntameerde procedures. Nu sinds eind mei 2013 niets is betaald (de door Maasdelta betwiste stelling van [appellante] dat zij de maand december 2013 heeft voldaan, is niet onderbouwd, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen, nog daargelaten of in een kort geding plaats is voor bewijslevering) acht het hof voorts begrijpelijk dat Maasdelta er geen vertrouwen in heeft dat [appellante] de achterstand op korte termijn zal kunnen inlopen en in de toekomst alsnog stipt aan haar verplichtingen zal kunnen voldoen. Hiermee is een valide belang van Maasdelta gegeven. Daaraan doet niet af dat [appellante] zich in oktober 2013 vrijwillig heeft aangemeld voor beschermingsbewindvoering. [appellante] heeft haar huidige financiële situatie totaal niet onderbouwd en heeft evenmin een concreet onderbouwd aflossingsvoorstel gedaan. Aannemelijk is dat ontruiming [appellante] (en haar inwonend meerderjarig kind) hard zal vallen, mede gelet op [appellante]’s kennelijke kwetsbare psychische gesteldheid, maar met de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat [appellante] het zelf zover heeft laten komen. Dat sprake zou zijn van een noodtoestand, acht het hof onvoldoende onderbouwd.

11.

De conclusie luidt dat de grieven falen en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellante] is in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld en ook in appel komen de proceskosten voor haar rekening.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellante] in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Maasdelta begroot op € 683,- aan griffierecht en € 894,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, J.E.H.M. Pinckaers en E.M. Dousma-Valk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 februari 2014 in aanwezigheid van de griffier.