Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1237

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-03-2014
Datum publicatie
10-04-2014
Zaaknummer
200.137.506-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:14135, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

onrechtmatige overheidsdaad? afdoende voorzieningen in gezinslocatie voor asielzoekers met minderjarige kinderen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.137.506/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/450107/KG ZA 13-1012

Arrest d.d. 18 maart 2014

inzake

1 [kind 1],

als minderjarige wettelijk vertegenwoordigd door haar ouders

[de vader] en [de moeder],

mede optredende namens hun andere kinderen

2. [kind 2],

3. [kind 3],

4. [kind 4],

5. [kind 5],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] (in mannelijk enkelvoud); de ouders worden ook wel aangeduid als “de ouders” of ieder afzonderlijk “de vader” en “de moeder”, terwijl de kinderen ieder afzonderlijk met hun voornaam worden aangeduid,

advocaat: mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld te Haarlem,

tegen

1 DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

gevestigd te Den Haag,

2. HET CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS,

gevestigd te Rijswijk ZH,

geïntimeerden,

hierna te noemen: de Staat respectievelijk het COA,

advocaat: mr. E.E. van der Kamp te Den Haag.

Het geding

Bij spoedappeldagvaarding (met producties) van 15 november 2013 is [appellanten] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 23 oktober 2013 dat de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage in kort geding tussen partijen heeft gewezen. [appellanten] heeft zes grieven tegen het vonnis geformuleerd. De Staat en het COA hebben deze grieven bij memorie van antwoord (met producties) bestreden. Op 27 januari 2014 hebben partijen hun zaak doen bepleiten, [appellanten] door zijn advocaat voornoemd, alsmede door diens kantoorgenoot mr. W.G. Fischer, en de Staat en het COA door hun advocaat voornoemd. De advocaten hebben hierbij gebruik gemaakt van pleitnotities. Het van de zitting opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken. Hierna heeft op donderdag 13 februari 2014 een descente, met aansluitend een comparitie van partijen, plaatsgevonden. Ook hiervan is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. De zaak is aangehouden voor beraad, waarna [appellanten] arrest heeft gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Partijen zijn niet opgekomen tegen de vaststelling van de feiten door de voorzieningenrechter onder 1.1. tot en met 1.9. van het bestreden vonnis, zodat het hof ook van deze feiten zal uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1.

[de ouders] zijn met hun drie oudste kinderen medio 2006 Nederland binnengekomen. De twee jongste kinderen zijn in Europa geboren. [kind 1] is geboren op 2 januari 2010. [kind 1] is meervoudig gehandicapt en is aangewezen op specifieke hulpmiddelen voor haar geestelijke ontwikkeling en voor de dagelijkse gang van zaken.

1.2.

De in 2006 respectievelijk 2008 door de ouders in Nederland ingediende asielverzoeken zijn onherroepelijk afgewezen, hetgeen tot gevolg had dat [appellanten] niet rechtmatig in Nederland verbleef en dat op hem de rechtsplicht rustte om Nederland te verlaten (artikelen 61 en 62 Vreemdelingenwet 2000, hierna Vw 2000). Ook de op 26 maart 2013 ingediende aanvragen van de ouders en de kinderen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier op grond van de Overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen zijn afgewezen. [appellanten] heeft daartegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft bij uitspraak van 1 oktober 2013 de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie verboden om tot uitzetting van [appellanten] over te gaan tot vier weken nadat op hun bezwaarschrift is beslist. Als gevolg van deze uitspraak is de vertrekplicht van [appellanten] tijdelijk opgeschort. [appellanten] had destijds (en ook nog ten tijde van het vonnis in eerste aanleg) dan ook rechtmatig verblijf in Nederland op de voet van artikel 8, aanhef en onder h, Vw 2000. Noch de wet COA noch een ander wettelijk voorschrift kent aan vreemdelingen die uitsluitend rechtmatig verblijf hebben op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000, een aanspraak op voorzieningen, verstrekkingen en/of uitkeringen toe.

1.3.

[appellanten] verblijft sinds juli 2011 in de “Gezinslocatie” te [woonplaats] (hierna: de Gezinslocatie). Gezinslocaties zijn door de Staat in het leven geroepen naar aanleiding van een arrest van dit hof van 11 januari 2011 (ECLI:NL:GHSGR:2011:BO9924; het hiertegen ingestelde cassatieberoep werd verworpen bij het hieronder nog te bespreken arrest van de Hoge Raad van 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5328) ten behoeve van de opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers met minderjarige kinderen, onder wie tevens begrepen moeten worden asielzoekers met minderjarige kinderen die slechts rechtmatig verblijf hebbende hangende een verblijfsrechtelijke procedure die geen recht op opvang geeft. Hierbij is gekozen voor een sobere en op terugkeer gerichte vorm van voorzieningen. De gezinslocaties vallen onder de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Het feitelijke beheer en de verstrekking van voorzieningen liggen echter in handen van het COA.

1.4.

Het gezin [appellanten] heeft op dit moment de beschikking over een woonruimte op de eerste etage van één van de gebouwen op de locatie, bestaande onder meer uit één driepersoonskamer en drie tweepersoonskamers. Hangende de procedure in eerste aanleg is aan hen een vervangende woonruimte op de begane grond van een ander gebouw op de locatie aangeboden, bestaande onder meer uit twee vierpersoonskamers op de begane grond. De bij één van die kamers behorende badkamer is vergroot ten behoeve van [kind 1].

1.5.

Op 10 februari 2014 – dus hangende de onderhavige appelprocedure, vlak voor de descente van 13 februari 2014 – heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan [appellanten] ambtshalve met ingang van 25 januari 2014 een verblijfsvergunning regulier verleend op grond van individuele omstandigheden. De verblijfsvergunning is verleend op grond van artikel 3.51, eerste lid, onder k, Vw 2000, onder de beperking niet-tijdelijke humanitaire gronden en heeft een geldigheidsduur van vijf jaar.

2. [appellanten] vordert een veroordeling van de Staat en het COA om het appartement waarin het gezin woonachtig is, aan te (doen) passen, dan wel om het gezin te voorzien van een ander appartement in de Gezinslocatie, zodanig dat [kind 1] gecompenseerd wordt voor haar beperkingen, waarbij het erom gaat de verblijven (inclusief toilet en badkamer) volledig rolstoeltoegankelijk te maken. De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen.

3. Met grief 1 betoogt [appellanten] dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet heeft geoordeeld dat de Staat en/of het COA [kind 1] op grond van internationale verdragsnormen moet compenseren voor de handicaps die zij heeft. Grief 2 is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de nieuwe, aangepaste woonruimte (zie hierboven r.o. 1.5.) voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Volgens [appellanten] voldoet ook die aangeboden vervangende woonruimte niet, omdat niet alle drempels zijn weggehaald, [kind 1] nog steeds onvoldoende ruimte heeft voor gebruik van haar hulpmiddelen (o.a. de aangepaste stoel), zij niet beschikt over een eigen slaapkamer en dus geen rustige plek heeft om te slapen, te spelen en te oefenen, en de badkamer te klein is voor gebruik van de (voor het wassen van [kind 1] benodigde) douchestretcher. Bovendien hebben de overige gezinsleden onvoldoende privacy, nu zij met zeven personen twee kamers moeten delen, aldus [appellanten] Met grief 3 klaagt [appellanten] dat de bewijslast ten onrechte bij hem is gelegd en dat zijn bewijsaanbod ten onrechte is genegeerd. Grief 4 houdt in dat eerst nadat een kort geding was aangespannen, aanpassingen zijn doorgevoerd en dat de voorzieningenrechter dan ook ten onrechte heeft verondersteld dat de Staat ook bij toekomstige ontwikkelingen ten aanzien van de woonruimte van [kind 1] zal bezien of er aanspraak op voorzieningen of anderszins aanleiding tot handelen bestaat. Grief 5 is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het COA niet kan worden aangesproken op gebreken in de voorzieningen en daarbij behorende faciliteiten. Met grief 6 ten slotte komt [appellanten] op tegen de in eerste aanleg ten laste van hem uitgesproken proceskostenveroordeling.

4. Voorop staat dat uit het hierboven reeds aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 21 september 2011 volgt dat op de Staat de rechtsplicht rust om, waar valt te voorzien dat uitgeprocedeerde asielzoekers die niet voldoen aan hun plicht om Nederland te verlaten niet de middelen (zullen) hebben om voor de bij hen verblijvende minderjarige kinderen te zorgen, voor die kinderen in adequate opvang en verzorging te voorzien, waarbij hun recht op familie- en gezinsleven met hun ouder(s) zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De Hoge Raad heeft daarbij tevens overwogen dat de Staat niet is gehouden om de minderjarigen een opvang- en verzorgingsniveau te bieden dat gelijk is aan het niveau dat zij hangende de asielprocedure(s) ontvingen, dan wel dat uitstijgt boven het niveau dat nodig is ter voorkoming van een humanitaire noodsituatie. Wel moet de Staat bij de inrichting en invulling van de noodopvang rekening houden met de bijzondere belangen van, zeker jonge, kinderen en hun familie- of gezinsbanden zoveel mogelijk in acht nemen.

5. Kernvraag is of de woonsituatie van [appellanten] van een niveau is dat nodig is ter voorkoming van een humanitaire noodsituatie. Daarbij is van belang dat in dit specifieke geval sprake is van een meervoudig gehandicapt kind en dus van speciale behoeftes wat betreft de inrichting en invulling van opvang. Op de Staat rust de plicht daarmee rekening te houden.

5.1.

Naar het oordeel van het hof voldoet de aanvankelijk toegekende (en door [appellanten] overigens nog steeds bewoonde) ruimte niet aan voormelde norm. Deze woonruimte bevindt zich immers op de eerste verdieping en is dus moeilijk met rolstoel te bereiken. De badkamer is bovendien zo klein dat moeder of een ander gezinslid [kind 1] alleen zittend kan wassen en gebruik van de (na zeer lang aandringen ter beschikking gestelde) douchestretcher in feite onmogelijk is.

5.2.

De aangeboden vervangende woonruimte is in dit opzicht een verbetering, nu deze ruimte zich op de begane grond bevindt en één van de badkamers is vergroot. Bovendien is een deel van de drempels, waaronder de drempel bij de deur naar de vergrote badkamer, verwijderd (dat het verwijderen van alle drempels en drangers op grond van regels van brandveiligheid niet mogelijk was, is door [appellanten] niet gemotiveerd betwist). Ook zijn de kamers groter, zodat er meer ruimte is om te manoeuvreren met de aangepaste stoel van [kind 1]. Oefenen met de looptrainer kan in elk geval op het medisch dagcentrum waar [kind 1] vier dagen per week naar toe gaat, en voorts ook op de locatie in de gangen of in één van de aanwezige recreatieruimtes of buiten.

5.3.

Het voorgaande laat onverlet dat ook aan de vervangende woonruimte nadelen kleven. Zo is het ook in de vergrote badkamer enigszins behelpen en het valt in dat opzicht te betreuren dat de Staat/het COA voorafgaand aan de verbouwingswerkzaamheden geen overleg heeft gevoerd met de behandelaars van [kind 1] (of andere deskundigen), omdat dan praktische aanwijzingen hadden kunnen worden gegeven met het oog op een optimaal gebruik van de douchestretcher. In het licht van de hierboven onder 4 genoemde maatstaf gaat voorts weliswaar te ver de stelling van [appellanten] dat een aparte slaapkamer voor [kind 1] ter beschikking moet worden gesteld, maar dat neemt niet weg dat de klacht dat de aangeboden woonruimte uit slechts twee slaap/woonkamers bestaat, wel begrijpelijk is. Dit leidt immers tot grotere onrust voor [kind 1], die juist gebaat is bij een rustige omgeving, en tot minder privacy voor haar opgroeiende broer en zusjes.

5.4.

Niet in geschil is dat het gezin als gevolg van de inmiddels toegekende verblijfsvergunning recht heeft op andere huisvesting. Evenmin in geschil is echter dat hier nog enige tijd over heen gaat; tijdens de comparitie na afloop van de descente op 13 februari 2014 is de verwachting uitgesproken dat dit ongeveer zes maanden zal duren, waarvan inmiddels ruim één maand voorbij is. Mede gelet op het feit dat het verblijf van het gezin in de Gezinslocatie waarschijnlijk dus niet (veel) langer dan vijf maanden zal duren, zijn bovengenoemde nadelen, elk afzonderlijk maar ook in onderlinge samenhang beschouwd, naar voorlopig oordeel van het hof onvoldoende om te spreken van een humanitaire noodsituatie.

5.5.

De Hoge Raad heeft bij de formulering van de onder 4. genoemde maatstaf al rekening gehouden met internationale verdragen zoals het EVRM en het IVRK, zodat de door [appellanten] aangehaalde verdragsnormen (voor zover deze al rechtstreekse werking hebben) geen afzonderlijke bespreking behoeven. Ook het door [appellanten] genoemde en door Nederland nog niet geratificeerde VN Gehandicaptenverdrag leidt niet tot ander oordeel.

6. De slotsom is dat van onrechtmatig handelen geen sprake is. Daaraan doet niet af dat de onder 4 vermelde maatstaf strikt genomen op dit moment niet meer van toepassing is op [appellanten] als gevolg van de aan het gezin verleende verblijfsvergunning. Zoals reeds is overwogen, is niet in geschil dat het enige tijd zal duren voordat andere huisvesting beschikbaar zal komen voor het gezin. Dit houdt mede verband met het feit dat het om een groot gezin gaat en ten aanzien van [kind 1] een medische rapportage opgesteld zal moeten worden.

7. De conclusie luidt dat grieven 1 tot en met 4 falen, althans niet tot een ander dictum leiden.

8. Grief 6 (gericht tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg) heeft wel succes. Uit het dossier blijkt dat het gezin [appellanten] lange tijd van het kastje naar de muur is gestuurd. Veel onduidelijkheid bestaat, dan wel heeft bestaan, omtrent de vraag welke instantie het aanspreekpunt is voor de diverse opkomende vragen en problemen. Dit is mede het gevolg van het feit dat de gezinslocatie formeel onder de verantwoordelijkheid valt van de staatsecretaris van Veiligheid en Justitie, terwijl het COA de feitelijke beheerder is. Het duurde ook lang voordat de aangevraagde douchestretcher eindelijk beschikbaar kwam en pas één dag voor de mondelinge behandeling in eerste aanleg is de vervangende ruimte (met de grotere badkamer) ter beschikking gekomen. Mede in aanmerking genomen dat over de aanpassing van de badkamer vooraf geen overleg is gevoerd, kon van [appellanten] niet worden verwacht dat hij op zo’n korte termijn zou beslissen over al dan niet intrekking van de dagvaarding. Tot slot is van belang dat de onder 1.5. vermelde verblijfsvergunning, die in bovengenoemde overwegingen een rol heeft gespeeld, eerst hangende de appelprocedure is verleend. Alles afwegende ziet het hof aanleiding voor compensatie van de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

9. Bij deze stand van zaken heeft [appellanten] geen belang bij een afzonderlijke bespreking van grief 5.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het bestreden vonnis van 23 oktober 2013, doch uitsluitend voor zover [appellanten] daarbij de in proceskosten is veroordeeld, en,

in zoverre opnieuw rechtdoende,

- compenseert de proceskosten in eerste aanleg, zodat elke partij de eigen kosten draagt;

- bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

- compenseert de proceskosten in appel, zodat elke partij de eigen kosten draagt;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, A.V. van den Berg en E.M. Dousma-Valk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2014 in aanwezigheid van de griffier.