Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1199

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
12-05-2014
Zaaknummer
22-001658-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft met zijn motor een voetganger, die op een zebrapad liep, aangereden waardoor deze is gevallen en gewond is geraakt.

Het hof veroordeelt de verdachte een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Verder ontzegt het hof de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van

4 (vier) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-001658-13

Parketnummer: 10-820033-12

Datum uitspraak: 1 april 2014

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 maart 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats], [geboortejaar] 1987,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 18 maart 2014.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis. Tevens is hem voorwaardelijk de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 14 oktober 2011 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer opstaande weg, de Coolsingel, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, een voetgangersoversteekplaats met een snelheid van ongeveer 60 km/uur is genaderd, zijnde een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane 50 km/uur, en/of één of meer vóór die voetgangersoversteekplaats stilstaande voertuig(en) (links) is gepasseerd of gaan inhalen met een gelet op de omstandigheden - te weten duisternis en een belemmerd zicht van verdachte op de voetgangersoversteekplaats door die/dat stilstaande voertuig(en)- (veel) te hoge snelheid (ongeveer 40 km/uur) en/of zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld of aangepast dat hij in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of (vervolgens) op die voetgangersoversteekplaats in botsing of aanrijding is gekomen met een voetganger, die doende was de rijbaan via meergenoemde voetgangersoversteekplaats van rechts naar links (gezien vanuit verdachte) over te steken, als gevolg waarvan die voetganger ten val is gekomen, waardoor die voetganger, genaamd [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel (te weten beenletsel) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair:

hij op of omstreeks 14 oktober 2011 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Coolsingel, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, een voetgangersoversteekplaats met een snelheid van ongeveer 60 km/uur is genaderd, zijnde een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane 50 km/uur, en/of één of meer vóór die voetgangersoversteekplaats stilstaande voertuig(en) (links) is gepasseerd of gaan inhalen met een gelet op de omstandigheden - te weten duisternis en een belemmerd zicht van verdachte op de voetgangersoversteekplaats door die/dat stilstaande voertuig(en)- (veel) te hoge snelheid (ongeveer 40 km/uur) en/of zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld of aangepast dat hij in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of (vervolgens) op die voetgangersoversteekplaats in botsing of aanrijding is gekomen met een voetganger, die doende was de rijbaan via meergenoemde voetgangersoversteekplaats van rechts naar links (gezien vanuit verdachte) over te steken.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:

hij op 14 oktober 2011 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam en met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer opstaande weg, de Coolsingel, welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, een voetgangersoversteekplaats is genaderd, en één vóór die voetgangersoversteekplaats stilstaand voertuiglinks is gepasseerd of gaan inhalen met een gelet op de omstandigheden-- te weten duisternis en een belemmerd zicht van verdachte op de voetgangersoversteekplaats door dat stilstaande voertuig- (veel) te hoge snelheid en zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld of aangepast dat hij in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en vervolgens op die voetgangersoversteekplaats in botsing of aanrijding is gekomen met een voetganger, die doende was de rijbaan via meergenoemde voetgangersoversteekplaats van rechts naar links (gezien vanuit verdachte) over te steken, als gevolg waarvan die voetganger ten val is gekomen, waardoor die voetganger, genaamd [slachtoffer], zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig haar overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota – betoogd dat, nu er geen sprake is geweest van onverantwoord rijgedrag, onvoldoende bewijs is voor schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet. Volgens de raadsvrouw dient de verdachte dan ook van het primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder de tegenover de politie afgelegde (en ter terechtzitting in eerste en tweede aanleg gehandhaafde) verklaring dat hij niet harder reed dan 60 km/u, leidt het hof af dat de verdachte zijn motor bestuurde over de Coolsingel te Rotterdam zonder zich ervan te hebben vergewist dat hij zich daar toen aan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km/u hield.

Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte, een beginnend bestuurder, de situatie ter plaatse als onoverzichtelijk ervoer en desondanks in gesprek was met de achter hem zittende passagiere.

Ten tijde van het tenlastegelegde was het droog weer en was de weg verlicht. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de verdachte, die al enige tijd op de Coolsingel reed, reeds tenminste één voetgangersoversteekplaats was gepasseerd, hetgeen voor een oplettend weggebruiker meebrengt dat men erop is ingesteld dat ook verderop op de Coolsingel nog meer van dergelijke voetgangersoversteekplaatsen zouden kunnen volgen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte desondanks pas zijn snelheid heeft geminderd toen hij, rijdend op de linkerrijstrook, een auto op de rechterrijstrook zag stilstaan.

Uit zijn verklaring blijkt voorts dat de verdachte na deze vermindering van zijn snelheid voor zijn gevoel nog steeds 40 km/u reed. De verklaring van de verdachte verder volgend moet worden vastgesteld dat de verdachte, terwijl hij zich ervan bewust was dat de stilstaande auto hem het zicht aan de rechterzijde ontnam, met die snelheid is blijven rijden tot hij ter hoogte van de stilstaande auto arriveerde en pas op die plaats zag dat deze auto ter hoogte van een voetgangersoversteek-plaats stilstond.

Dat de verdachte onder de hiervoor weergegeven omstandigheden de voetgangersoversteekplaats niet eerder heeft gezien dan toen hij ter hoogte van de stilstaande auto reed kan naar het oordeel van het hof niets anders betekenen dan dat hij, wetende dat hij de wegsituatie zelf als niet of slecht overzienbaar ervoer, zijn snelheid niet aan de omstandigheden heeft aangepast en in het bijzonder niet zodanig heeft geregeld dat hij binnen de afstand waarin hij de weg kon overzien zijn voertuig tot stilstand kon brengen. Tegen de achtergrond van dit oordeel brengt de omstandigheid dat de verdachte de van uit zijn gezichtspunt van achter de stilstaande auto opdoemde voetganger niet heeft kunnen ontwijken en op het zebrapad heeft aangereden dan ook schuld in de zin van artikel 6 WVW aan die aanrijding op.

Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, alsmede het opleggen van een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft met zijn motor een voetganger, die op een zebrapad liep, aangereden waardoor deze is gevallen en gewond is geraakt. De verdachte heeft zich er onvoldoende van vergewist dat hij een zebrapad naderde en heeft de voetganger die zich op dat zebrapad bevond te laat opgemerkt. Het slachtoffer heeft door de aanrijding haar linker onderbeen zwaar gekneusd. Uit de verklaring die het slachtoffer ter terechtzitting in eerste aanleg heeft voorgelezen blijkt dat zij daar toen nog steeds veel pijn van ondervond. De verdachte heeft aldus met zijn handelswijze de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en het slachtoffer leed toegebracht.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte alsmede een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het hof heeft daarbij de draagkracht van de verdachte in aanmerking genomen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van

€ 1.000,00 (duizend euro),

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

20 (

twintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van

4 (

vier) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. Chr. A. Baardman, mr. R.M. Bouritius en mr. T.L. Tan, in bijzijn van de griffier mr. M.J. den Haan.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 april 2014.