Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1110

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
11-04-2014
Zaaknummer
200.091.476-01T
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2015:1283
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Benoeming deskundige m.b.t. de vraag of de adviesprotefeuilles binnen het risicoprofiel zijn gebleven en sprake is geweest van voldoende sectorale spreiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.091.476/01

Zaaknummer rechtbank : 369007 / HAZA 10-2175

arrest van 8 april 2014

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

[appellante],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

[...] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats], gemeente [gemeente],

appellanten in het principaal appel,

geïntimeerden in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellant], [appellante], Pensioen B.V. en gezamenlijk [appellant c.s.],

advocaat: mr. H.J. Bos te Amsterdam,

tegen

Staalbankiers N.V.,

gevestigd te Den Haag,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: Staalbankiers,

advocaat: mr. J.P. Heering te Den Haag.

Het geding

Voor het eerdere procesverloop verwijst het hof naar zijn tussenarrest van 1 oktober 2013. Bergsma c.s heeft vervolgens een akte na tussenarrest genomen en Staalbankiers heeft hierop gereageerd bij antwoordakte na tussenarrest.

Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd.

Verdere beoordeling van het hoger beroep

1.

In het hiervoor genoemde tussenarrest heeft het hof overwogen dat het behoefte heeft aan voorlichting door (een) deskundige(n) ter beantwoording van de vraag of de hier in geschil zijnde adviesportefeuilles in hun onderlinge samenhang bezien in de hierna te noemen periodes volgens de toen in de bedrijfstak geldende inzichten en opvattingen binnen het risicoprofiel defensief zijn gebleven en of in de portefeuilles sprake is geweest van voldoende sectorale spreiding.

2.

De zaak is daartoe naar de rol verwezen, zodat partijen zich kunnen uitlaten over het aantal en de perso(o)n(en) van de door het hof te benoemen deskundige(n) en de aan deze(n) te stellen vragen. Het hof heeft partijen in overweging gegeven om te bezien of hierover in onderling overleg overeenstemming kon worden bereikt.

3.

Uit de door partijen ingediende aktes blijkt dat in afwijking van wat het hof partijen in overweging heeft gegeven er geen overleg tussen partijen heeft plaatsgevonden.

4.

Partijen zijn het er over eens dat volstaan kan worden met de benoeming van één deskundige.

5.

[appellant c.s.] heeft voorgesteld als deskundige te benoemen dr. A.J.C.C.M. Loonen. Staalbankiers heeft hiertegen bezwaar gemaakt daar uit jurisprudentie-onderzoek is gebleken dat deze deskundige eerder op voorstel van de advocaten van [appellant c.s.] als deskundige is benoemd en uit de gepubliceerde uitspraak (LJN BP5141) blijkt dat de deskundige van mening is dat steepeners en perpetuals als zakelijke waarden gekwalificeerd moeten worden. Ook in een tweede gepubliceerde uitspraak (LJN BV0971) was het oordeel van deze deskundige ten faveure van de beleggers.

6.

Staalbankiers heeft van haar kant voorgesteld om als deskundige te benoemen mr. Moll. Zij heeft toegelicht dat mr. Moll geregistreerd is als gerechtelijk deskundige. Hij is tevens gediplomeerd beleggingsdeskundige (RBA) en heeft een ruime ervaring met vermogensbeheer en beleggingsadvies en met het wegen en beoordelen van beleggingsportefeuilles. Mr. Moll heeft zich (bij weten van Staalbankiers) niet eerder als gerechtelijk deskundige uitgelaten over hetgeen waarover in de onderhavige procedure toelichting door dit hof wordt gevraagd. Staalbankiers heef tot slot opgemerkt dat er van de zijde van Staalbankiers geen commercieel (of anderszins) verband met mr. Moll bestaat en voor zover na te gaan is dat van de zijde van [appellant c.s.] evenmin het geval.

7.

Gelet op de gemotiveerde bezwaren van Staalbankiers zal het hof dr. Van Loonen in deze zaak niet tot deskundige benoemden. Het hof heeft het Landelijk Register van Gerechtelijk deskundigen geraadpleegd en is van oordeel dat mr. Moll over de benodigde kwalificaties beschikt om in deze zaak als deskundige te worden benoemd. Mr. Moll heeft zich tegenover het hof daartoe bereid verklaard en desgevraagd aan het hof kenbaar gemaakt dat het juist is dat hij zich niet eerder als gerechtelijk deskundige heeft uitgelaten over de in deze procedure aan de orde zijnde geschilpunten en dat hij geen commerciële (of andere banden) heeft met Staalbankiers. Ook heeft hij bevestigd dat hij niet inhoudelijk met Staalbankiers over deze zaak heeft gesproken.

8.

Het hof zal derhalve mr. Moll tot deskundige benoemen.

9.

Op de voet van artikel 195 Rv dient [appellant c.s.] als eisende partij het voorschot terzake van de deskundige ter griffie van dit hof te deponeren. Dit voorschot wordt overeenkomstig de opgave van de deskundige bepaald op € 7.800,-- excl. btw.

10.

Partijen hebben zonder voorafgaand overleg ieder een voorstel gedaan voor de aan de deskundige voor te leggen vragen. Het hof heeft deze voorstellen in zijn beoordeling betrokken en acht het voor een deugdelijke voorlichting in deze zaak nuttig en nodig dat de hierna te noemen vragen door de deskundige worden beantwoord. Voor zover de vragen van [appellant c.s.] hierin niet zijn opgenomen vallen deze vragen naar het oordeel van het hof buiten de reikwijdte van de in r.o. 16 van het tussenvonnis genoemde vraag waarover het hof wenst te worden voorgelicht.

11.

In de akte na tussenvonnis heeft [appellant c.s.] het hof tot slot uit praktische oogpunt in overweging gegeven om de te benoemen gerechtelijk deskundige ook direct de schade te laten berekenen die het gevolg is van het feit dat Staalbankiers onjuist heeft gehandeld door [appellant c.s.] het risicoprofiel “neutraal” te adviseren voor de beheersportefeuilles. Verder heeft [appellant c.s.] aangevoerd dat indien de gerechtelijk deskundige tot de conclusie komt dat Staalbankiers tevens onzorgvuldig heeft gehandeld ten aanzien van de adviesportefeuilles het de voorkeur van [appellant c.s.] heeft om de gerechtelijk deskundige ook direct de schade te laten berekenen die daarvan het gevolg is.

12.

Staalbankiers heeft hiertegen bezwaar gemaakt nu er voor het maken van de schadeberekeningen nog het debat over de schadefactoren tussen partijen gevoerd moet worden en er voorts onvoldoende informatie in het dossier aanwezig is om tot een deugdelijke schadeberekening te komen.

13.

Het hof overweegt dat [appellant c.s.] in deze procedure een verklaring voor recht heeft gevorderd en veroordeling van Staalbankiers tot vergoeding van de door [appellant c.s.] geleden schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Gelet op de hier voorliggende vorderingen van [appellant c.s.] en het gemotiveerd bezwaar van Staalbankiers zal het hof het verzoek van [appellant c.s.] op dit punt niet honoreren.

14.

De opvatting van Staalbankiers dat het onderzoek geen betrekking heeft op de adviesportefeuille van Pensioen B.V. omdat deze portefeuille binnen het risicoprofiel defensief is gebleven is onjuist. Rechtsoverweging 15 van het tussenarrest heeft alleen betrekking op het jaar 2003. Het onderzoek dient zich derhalve ook uit te strekken over de adviesportefeuille van pensioen B.V. en wel over de jaren 2004 tot en met 2008.

15.

Het hof legt aan de deskundige de navolgende vragen voor:

( i) Zijn de adviesportefeuille van de heer en [appellante] in de periode 2003 tot en met 2008 en de adviesportefeuille van Pensioen BV in de periode van 2004 tot en met 2008 in onderlinge samenhang bezien volgens de toen in de bedrijfstak geldende inzichten en opvattingen binnen het risicoprofiel defensief gebleven en is in de portefeuille(s) sprake geweest van voldoende sectorale spreiding.

(ii) Indien U van oordeel bent dat de adviesportefeuille(s) niet binnen het risicoprofiel defensief is (zijn) gebleven kunt U dan aangeven gedurende welke periode(s), en in welke mate dit niet het geval is geweest en uit welke in de desbetreffende periode(s) in de bedrijfstak geldende inzichten en opvattingen dit blijkt.

(iii) Wilt u, indien dit naar uw oordeel van belang is, bij de beantwoording van vraag (ii) aandacht besteden aan het tekstboek Effectenbedrijf van NIBE-SVV van juli 2008 waarin is aangegeven dat CDO’s, steepeners, structured notes, converteerbare obligaties en perpetuals vastrenderende waarden zijn en als obligaties gekwalificeerd worden. Indien dit naar uw oordeel niet van belang is wilt u dit oordeel dan toelichten.

(iv) Indien U van oordeel bent dat er binnen de portefeuille(s) sprake is geweest van onvoldoende sectorale spreiding kunt U dan aangeven gedurende welke periode(s) daarvan sprake was, binnen welke portefeuille(s), in welke mate en uit welke in de betreffende periode(s) in de bedrijfstak geldende inzichten en opvattingen dit blijkt?

( v) Heeft U nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van dit geschilpunt van belang kunnen zijn.

14.

Het hof zal tot raadsheer-commissaris benoemen mr. A.J.M.E. Arpeau. Het hof zal bepalen dat de deskundige zijn onderzoek in beginsel zelfstandig zal verrichten, doch indien de raadsheer-commissaris daartoe aanleiding ziet, onder diens leiding.

15.

Indien de deskundige vragen heeft over de inhoud van zijn opdracht of over de te volgen procedure, kan hij zich wenden tot de raadsheer-commissaris via de contactpersoon mr. C.A. Bontje, e-mail adres: c.bontje@rechtspraak.nl, onder vermelding van de namen van partijen en het zaaknummer. De contactpersoon of de raadsheer-commissaris zal de deskundige berichten.

16.

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

Beslissing

Het hof:

- beveelt een onderzoek door een deskundige teneinde aan het hof bericht uit te brengen omtrent de onder rechtsoverweging 13 vermelde vragen;

- benoemt als zodanig:
Mr. P.R. Moll RBA,
Financial Services Innovation Factory B.V.
Midden Duin en Daalseweg 3,
2061AN Bloemendaal
telefoonnummer: 06-52070472
e-mailadres: Pieter.moll@fsif.nl

- benoemt tot raadsheer-commissaris mr. A.J.M.E. Arpeau. Bepaalt dat de deskundige zijn onderzoek in beginsel zelfstandig zal verrichten, doch indien de raadsheer-commissaris daartoe aanleiding ziet, onder diens leiding;

- bepaalt dat de deskundige bij het verrichten van zijn werkzaamheden naast de normen van zijn beroepsgroep tevens de leidraad deskundigen in civiele zaken in acht dient te nemen;

- bepaalt dat de deskundige zijn werkzaamheden niet zal behoeven aan te vangen voordat door [appellant c.s.] als voorschot op de nader te bepalen kosten van het deskundigenonderzoek een bedrag van € 7.800,-- excl. btw zal zijn gestort op bankrekeningnummer NL31BROS056.99.90.580 ten name van Ministerie van Justitie MvJ Arrondissement Den Haag 537, zulks onder vermelding: "voorschot deskundige Gerechtshof Den Haag" alsmede de namen van partijen en het zaaknummer;

- bepaalt dat dit voorschot uiterlijk vier weken na heden moet zijn voldaan. De griffier zal aan de deskundige mededeling doen van de ontvangst van het voorschot;

- bepaalt dat de deskundige zijn schriftelijk bericht ter griffie handel van dit hof (Postbus 20302, 2500 EH Den Haag, P2-267A) zal deponeren vóór 1 juli 2014. Uit dat bericht moet blijken:
a. dat de deskundige partijen in de gelegenheid heeft gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen waarvan de inhoud in het bericht vermeld dient te worden;
b. dat de deskundige, alvorens een definitief rapport op te maken, partijen een conceptrapport heeft doen toekomen en hij partijen daarbij in de gelegenheid heeft gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen, waarvan de inhoud in het definitieve bericht vermeld dient te worden;

- bepaalt dat de deskundige tegelijk met dit bericht een declaratie van loon en kosten ter griffie zal indienen onder vermelding van de namen van partijen en het zaaknummer;

- wijst partijen erop dat indien zij schriftelijke opmerkingen aan de deskundige doen toekomen, daarvan terstond een afschrift aan de wederpartij dient te worden verstrekt;

- bepaalt dat [appellant c.s.] het procesdossier binnen vier weken na heden aan de deskundige ter hand zal stellen;

- verwijst de zaak naar de rol van 1 juli 2014 voor deskundigenbericht. Indien de deskundige zijn schriftelijk bericht niet vóór die datum kan deponeren, dient de deskundige uiterlijk twee weken voor deze datum aan de raadsheer-commissaris te verzoeken om een nadere datum voor het deponeren van het deskundigenbericht, via de griffie handel van dit hof (Postbus 20302, 2500 EH Den Haag, P2-267A);

- bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest aan de deskundige zendt;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.M.E. Arpeau en M.M. Olthof en M.H. van der Woude en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2014 in aanwezigheid van de griffier.