Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1084

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
22-07-2014
Zaaknummer
200.102.743-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid; zorgplicht notaris ten aanzien van een op zijn derdenrekening teruggestort bedrag in het kader van een inkomensbeschermingspland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.102.743/01

Rolnummer rechtbank : 88637 / HA ZA 10-2678

arrest van 8 april 2014

inzake

DE HYPOTHEKER DORDRECHT B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

appellante,

hierna te noemen: DHD,

advocaat: mr. D.J.M. Volkholz-Plaum te Rotterdam,

tegen

1.

[geïntimeerde sub 1],

2.

[geïntimeerde sub 2],

gevestigd/wonende te Dordrecht,

geïntimeerden,

hierna te noemen: de notaris of: [geïntimeerden],

advocaat: mr. J.P. Heering te Den Haag.

Het verdere verloop van het geding

Bij tussenarrest van 10 april 2012 heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Voor het verloop van het geding tot die datum verwijst het hof naar bedoeld tussenarrest. Van de comparitie van partijen, die is gehouden op 6 september 2012, is een proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens heeft DHD een memorie van grieven (met een productie) genomen, waarin zij twee grieven heeft gericht tegen het vonnis van de rechtbank van 21 september 2011. [geïntimeerden] heeft de grieven bij memorie van antwoord (met producties) bestreden. Tenslotte hebben partijen hun kopiedossiers overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.13 van haar vonnis van 21 september 2011 vastgestelde feiten, nu daartegen in hoger beroep geen grief is gericht.

2.

Nu DHD geen grief heeft aangevoerd tegen het vonnis van de rechtbank van 5 januari 2011, zal zij in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep.

3.

Het gaat in deze zaak, kort en zakelijk weergegeven, om het volgende. [X] heeft in 2007, na en conform van DHD verkregen advies, aan DHD opdracht gegeven om voor haar een hypotheek met woonlastenverzekering (werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsrisico) af te sluiten. Op 3 mei 2007 is de hypotheek verleden. In opdracht van DHD heeft de notaris ten behoeve van het tot stand komen van een Inkomensbeschermingsplan een bedrag van € 3.140,00 (€ 2.600,00 en € 540,00) overgemaakt naar de verzekeraar Cardif. Deze opdracht van DHD berustte echter voor wat betreft het gedeelte groot € 2.600,00 op een vergissing, aangezien niet Cardif maar Bovemij de verzekeraar was met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidsverzekering die onderdeel zou vormen van het Inkomensbeschermingsplan. Cardif heeft in opdracht van DHD het betreffende bedrag teruggestort op de kwaliteitsrekening van de notaris. Ondanks diverse telefonische rappellen van de notaris heeft DHD verzuimd om aan de notaris duidelijkheid te verschaffen over de bestemming van het teruggestorte geld en om aan hem opdracht te geven de premie alsnog naar (de juiste verzekeraar) Bovemij over te maken, waardoor geen arbeidsongeschiktheidsverzekering tot stand is gekomen. In 2008 is [X] arbeidsongeschikt geworden. [X] heeft DHD aansprakelijk gesteld voor haar schade als gevolg van het ontbreken van een arbeidsongeschiktheidsverzekering (de hoofdzaak). Hiervoor is uiteindelijk tussen [X] en DHD een schikking getroffen. In de onderhavige (vrijwarings)procedure spreekt DHD de notaris aan, stellende dat (naast DHD ook) de notaris toerekenbaar tekort is geschoten in zijn zorgplicht jegens [X] en aansprakelijk is voor de door [X] geleden schade. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Hiertegen is DHD in hoger beroep gekomen.

4.

De rechtbank heeft in rov. 4.17 van haar vonnis van 21 september 2011 voorop gesteld dat bij de beoordeling van de handelwijze van de notaris als uitgangspunt heeft te gelden dat een notaris dient te handelen als een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot. Meer in het bijzonder rust op de notaris, gelet op diens positie in het maatschappelijk verkeer en op het vertrouwen dat hij als zodanig geniet, een zwaarwegende zorgplicht jegens degene die aan hem gelden toevertrouwt met een betalingsopdracht en jegens wie de notaris – uit hoofde van die opdracht – een eigen zorgplicht heeft. Deze zorgplicht brengt onder meer mee dat de notaris, voor zover zulks redelijkerwijs mogelijk is en redelijkerwijs van de notaris kan worden gevergd, nadere informatie inwint bij degene die hem aldus gelden heeft toevertrouwd ingeval over de inhoud of strekking van de opdracht redelijkerwijs twijfel kan bestaan. De zorgplicht van de notaris gaat niet zo ver dat hij zijn opdrachtgever ook behoort te vrijwaren tegen risico’s die ook bij een hoge mate van zorgvuldigheid zijnerzijds niet zijn te vermijden.
Tegen deze overweging van de rechtbank is geen grief gericht, zodat genoemde maatstaf ook in dit hoger beroep als uitgangspunt dient.

5.

Het hof stelt vast dat evenmin een grief is gericht tegen:
- de constatering van de rechtbank in rov. 4.16 van voormeld vonnis dat DHD niet heeft betwist dat de notaris geen bemoeienis heeft gehad met het afsluiten van het Inkomensbeschermingsplan, dat de notaris [X] daar bij het transport op heeft gewezen en dat zijn bemoeienis ten aanzien van het Inkomensbeschermingsplan beperkt was tot het uitvoeren van een namens [X] door DHD verstrekte betalingsopdracht;
- het oordeel van de rechtbank in rov. 4.18 dat de notaris het door Cardif teruggestorte geld niet zonder (nieuwe) betalingsopdracht kon overmaken;
- het oordeel van de rechtbank in rov. 4.19 dat DHD geen (nieuwe) betalingsopdracht aan de notaris heeft verstrekt;
- het oordeel van de rechtbank in rov. 4.20 en 4.21 dat de notaris niet wist dat het geld naar Bovemij moest, en dat zijn medewerker De Haas daarom herhaaldelijk naar DHD heeft gebeld en heeft gevraagd wat er met het geld moest gebeuren.

6.

De notaris heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen op 6 september 2012 voorts nog verklaard dat zijn medewerker De Haas niet alleen enkele keren heeft gebeld met DHD met de vraag wat er moest gebeuren met het door Cardif teruggestorte bedrag, maar dat De Haas bovendien rond augustus/september 2007 heeft gebeld met [X] met de mededeling dat hij een afspraak met haar wilde maken omdat het bedrag ad € 2.600,00 nog steeds op de kwaliteitsrekening van de notaris stond. Er is toen een afspraak met haar gemaakt om op een middag op kantoor langs te komen. [X] is toen niet verschenen, al dan niet na te hebben afgezegd. Het hof constateert dat DHD de stelling van de notaris dat hij een afspraak met haar voor een bespreking had gemaakt, niet heeft weersproken, zodat het hof uitgaat van de juistheid hiervan.

7.

Grief I richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de notaris niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht. DHD betoogt in de toelichting op de grief dat een notaris zijn opdrachtgever niet bloot dient te stellen aan onnodige risico’s, waarvan sprake is als het risico in de gegeven omstandigheden voorzienbaar was en gemakkelijk had kunnen worden vermeden, zonder dat daardoor andere risico’s in het leven zouden zijn geroepen. Naar de mening van DHD heeft de notaris [X] blootgesteld aan een onnodig risico door de retour ontvangen gelden op zijn (kwaliteits)rekening te laten staan. De notaris had de regie in handen moeten houden om er voor te zorgen dat de gelden onverwijld op de juiste rekening zouden worden gestort. Toen de afspraak met [X] geen doorgang had gevonden had de notaris hier niet in moeten berusten, maar had hij DHD en/of [X] ook schriftelijk moeten benaderen, net zolang totdat hij een juiste betalingsopdracht had gekregen. DHD wijst hierbij op artikel 25 lid 1 van de Wet op het Notarisambt, waarin is vermeld dat indien er ten onrechte gelden op de kwaliteitsrekening van de notaris zijn gestort de notaris verplicht is deze onverwijld op de juiste rekening te storten. Voorts verwijst DHD naar een uitspraak van de Notariskamer van het hof Amsterdam van 10 maart 2010 (het hof begrijpt dat bedoeld is de uitspraak van 10 maart 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009: BH5743), welke (tucht)zaak volgens DHD identiek is met de onderhavige casus en waaruit volgt dat de notaris kan worden verweten dat hij, ondanks het feit dat hij meermalen telefonisch contact heeft gezocht met DHD over de bestemming van het geld, onvoldoende actief is geweest met betrekking tot het door Cardif op zijn kwaliteitsrekening teruggestorte bedrag. DHD concludeert dan ook dat in deze zaak niet is voldaan aan de hoge mate van zorgplicht die van een notaris mag worden verwacht.

8.

Het hof verwerpt de grief. Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat de notaris in de onderhavige zaak niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht jegens [X]. Nadat Cardif het bedrag van € 2.600,- op de kwaliteitsrekening van de notaris had teruggestort, heeft de notaris in voldoende mate actie ondernomen (zowel meermalen richting DHD als ook richting [X] zelf) om duidelijkheid te krijgen over de bestemming van dit bedrag en om hiervoor een nieuwe (juiste) betaalopdracht te verkrijgen. Dat de notaris deze duidelijkheid niet heeft gekregen is volledig aan DHD en aan [X] zelf (die niet is verschenen op een afspraak) toe te rekenen. Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat het feit dat de notaris tot oktober 2008 heeft volstaan met telefonische (en niet ook schriftelijke) contacten met DHD, onvoldoende is om de conclusie te rechtvaardigen dat de notaris tekort is geschoten, nu hij diverse keren heeft gebeld en het antwoord van DHD telkens was dat er contact opgenomen zou worden, en de notaris overigens geen bemoeienis had met het afsluiten van de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Dat DHD de door de notaris gevraagde duidelijkheid wel (tijdig) zou hebben verschaft als de notaris ook schriftelijk bij DHD navraag had gedaan, acht het hof overigens geenszins aannemelijk geworden. De notaris wijst er in dit verband terecht op dat DHD destijds kennelijk haar administratie niet op orde had, aangezien zij niet heeft opgemerkt dat zij de betreffende arbeidsongeschiktheidspolis niet had ontvangen, noch de daarvoor aan DHD toekomende provisie. Bovendien was DHD blijkens de email van 13 november 2008 (productie 11 bij inleidende dagvaarding) in de veronderstelling dat, gelet op het clausuleblad van 30 mei 2007 (productie 5 bij inleidende dagvaarding), ook het arbeidsongeschiktheidsrisico gedekt was bij Cardif.

9.

De verwijzing door DHD naar artikel 25 lid 1 van de Wet op het Notarisambt gaat niet op, aangezien hier geen sprake is van ten onrechte op de kwaliteitsrekening van de notaris gestorte gelden. Het beroep van DHD op voormelde uitspraak van de Notariskamer van het hof Amsterdam van 10 maart 2009, gaat evenmin op. In die zaak (zie de uitspraak in eerste aanleg van de Kamer voor notarissen te Zutphen van 25 maart 2008, ECLI:NL:TNOKZUT:2008:YC0543) ging het – anders dan in de onderhavige zaak – om een depot van een aanzienlijk bedrag (meer dan € 100.000,-) dat toekwam aan een cliënt van de notaris, waarbij de notaris (onder meer) werd verweten dat hij, nadat de noodzaak van dit depot was komen te vervallen, het depot nog onnodig ruim twee jaar heeft laten bestaan. Anders dan DHD meent zijn de beide zaken niet met elkaar op één lijn te stellen.

10.

Uit het bovenstaande volgt dat grief I faalt. Grief II richt zich tegen de afwijzing van de vordering en de veroordeling van DHD in de proceskosten, en deelt het lot van grief I. Het hof zal de bestreden vonnissen bekrachtigen. DHD zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

11.

Het hof passeert het bewijsaanbod van DHD, nu zij geen bewijs heeft aangeboden van concrete feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot een andere beslissing.

Beslissing

Het hof:

- verklaart DHD niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Dordrecht van 5 januari 2011;

- bekrachtigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Dordrecht van 21 september 2011 en 11 januari 2012;

- veroordeelt DHD in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] tot op heden begroot op € 1.815,- aan griffierecht en € 1.788,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.T. van der Hoeven-Oud, A.M. Voorwinden en H.J. Steinvoort en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2014 in aanwezigheid van de griffier.