Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2014:1050

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-01-2014
Datum publicatie
27-03-2014
Zaaknummer
200.083.715
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling. Afwikkeling wettelijk deelgenootschap en eenvoudige gemeenschap. Peildatum. Rekening en verantwoording. Vermogensbeschrijving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2014/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

Zaaknummer : 200.083.715/01

Rol-/zaaknummer rechtbank : 305385 / HA ZA 08-985

arrest van de familiekamer van 28 januari 2014

in de zaak van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant, tevens incidenteel verweerder,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. S. Broekzitter-Nieuwland te Spijkenisse,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde tevens incidenteel appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. F.C. de Wit-Facchetti te Rotterdam.

Het geding

1.

De man is bij exploot van 8 februari 2011 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam, op 10 november 2010 gewezen tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde, hierna: het bestreden vonnis.

2.

Ter rolzitting van 3 juli 2012 heeft de man een memorie van grieven genomen, met bijgevoegd twee producties, bewijs aangeboden en gevorderd dat het hof:

  • -

    het bestreden vonnis zal vernietigen, en, opnieuw rechtdoende:

  • -

    de man in het kader van de afwikkeling van het wettelijk deelgenootschap zal veroordelen aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 53.745,81;

  • -

    de vrouw in het kader van de afwikkeling van het wettelijk deelgenootschap zal veroordelen aan de man te voldoen een bedrag van € 15.000,--;

  • -

    de vrouw in het kader van de verrekening betreffende het wettelijk deelgenootschap zal veroordelen aan de man te voldoen:

- inzake kosten voor het overbrengen van de dochter van partijen uit [plaatsnaam] een bedrag van € 5.034,78;

- inzake de taxatiekosten voor de boot een bedrag van € 930,--;

- inzake de kosten voor het uit het water halen en stallen van de boot een bedrag van € 720,--;

  • -

    in het kader van de verdeling van de eenvoudige gemeenschap aan de man zal toedelen de woning aan de [adres, plaats A], onder de opschortende voorwaarde dat de hypotheeknemer de ING de vrouw zal ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van de hypothecaire geldleningen nummers [volgt nummer];

  • -

    aan de man in het kader van de verdeling van de eenvoudige gemeenschap zal toedelen de woning aan de [adres, plaats B], onder de opschortende voorwaarde dat de hypotheeknemer Nationale Nederlanden de vrouw zal ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van de hypothecaire gelding nummer [volgt nummer];

  • -

    de vrouw zal veroordelen, voor het geval de opschortende voorwaarde in vervulling gaat, aan de man wegens onderbedeling in verband met de onderwaarde inzake de woning te [adres, plaats A] te betalen € 86.609;

  • -

    de man zal veroordelen, voor het geval de opschortende voorwaarde in vervulling gaat, te betalen aan de vrouw wegens overbedeling in verband met de overwaarde inzake de waarde inzake de woning te [plaats B], een bedrag van € 67.183,50;

  • -

    partijen zal gelasten om zich binnen vier weken na datum van het te geven vonnis (het hof begrijpt: te wijzen arrest) tot de notaris te wenden teneinde de woningen aan de man te leveren;

  • -

    in het kader van de verrekening de vrouw zal veroordelen aan de man te voldoen:

- inzake de kosten die de man heeft voldaan voor de bouw van de woning te [adres, plaats A] € 70.006,50 alsmede alle termijnen dienaangaande die de man nog zal voldoen tot aan de verdeling te verrekenen;

- inzake de kosten die de man heeft voldaan voor de taxaties van de woningen € 624,16;

- inzake de kosten die de man heeft voldaan voor de bouwverzekering van de woning te [adres, plaats A] € 1.515,--;

  • -

    de proceskosten zal compenseren;

  • -

    een en ander, voor zover de wet toelaat, uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren;

  • -

    dan wel een zodanige uitspraak zal doen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

3.

De vrouw heeft ter rolzitting van 23 oktober 2012 van een memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel, en akte vermeerdering van eis gediend, waarbij vijf producties zijn overgelegd. In het principaal appel heeft de vrouw gevorderd het beroep van de man af te wijzen. In haar incidenteel appel heeft de vrouw gevorderd dat het hof, met inachtneming van haar grieven en de eisvermeerdering,

ten aanzien van de peildatum:

a. de peildatum zal bepalen voor de verrekening van het wettelijk deelgenootschap waarin partijen zijn gehuwd, alsmede de peildatum voor de verdeling van de eenvoudige gemeenschap, bestaande uit de onroerende zaak in [adres, plaats A] met de daarop rustende hypotheek (het hof begrijpt: met de daarmee verbonden hypothecaire geldlening);

ten aanzien van het wettelijk deelgenootschap:

zal bepalen dat tot het stamvermogen van de man de volgende goederen behoren (naar het hof leest):

 de tegoeden op grond van de spaarloonregeling;

 de tegoeden op de ING-bankrekening[volgt nummer];

 de tegoeden op de ING-bankrekening [volgt nummer];

 de polis met nummer [volgt nummer] bij Nationale Nederlanden (levensverzekering);

 de polis met nummer[volgt nummer] bij Nationale Nederlanden (kapitaalverzekering) met daarbij behorend premiedepot;

 de auto Chevrolet Trailblazer;

 de auto Opel Omega;

 de boot;

 de onroerende zaak aan de [adres, plaats B];

zal bepalen dat tot het stamvermogen van de vrouw behoort ‘het door de rechtbank genoemde bedrag’, naar het hof begrijpt een bedrag van € 25.184,80, vermeerderd met een bedrag van € 33.000,-- dat op 23 december 2002 door haar is verkregen als erfenis, alsmede de bedragen van € 3.999,-- en € 3.878, verkregen als schenking op respectievelijk op 2 januari 2002 en op 12 april 2011, zodat het totale stamvermogen bedraagt € 66.031,--, naar het hof begrijpt: € 66.061,80;

voor recht zal verklaren dat uit de verrekening van het wettelijk deelgenootschap niets met de man verrekend dient te worden uit het stamvermogen van de vrouw;

het bedrag zal vaststellen waarmee het stamvermogen van de man vermeerderd is per de peildatum en de peildatum zal vaststellen op:

primair eind 2004, zijnde de datum die partijen zijn overeengekomen;

subsidiair op 15 februari 2007, zijnde de datum waarop het verzoekschrift strekkende tot echtscheiding ter griffie is ingediend;

indien het hof zal bepalen dat de peildatum zal zijn 15 februari 2007, de man in de gelegenheid zal stellen om binnen een maand na dagtekening van het door het hof te wijzen arrest, taxaties over te leggen van de verschillende vermogensbestanddelen om vast te stellen welke waarde deze per peildatum hadden, dan wel stukken over te leggen, waaruit ‘dat blijkt’, (het hof begrijpt: schriftelijke stukken over te leggen waaruit de waarde van die verschillende vermogensbestanddelen per de peildatum blijkt), zoals ‘dat geldt’ voor het spaarloon, de levensverzekering, de kapitaalverzekering, het depot en de bankrekeningen;

de man zal veroordelen om binnen een maand na dagtekening van de door het hof te wijzen arrest, de schuld uit hoofde van de hypothecaire ING-geldlening, nummer [volgt nummer], verbonden met het huis te [plaats B], op zijn naam te zetten, met de bepaling dat de vrouw binnen dezelfde termijn ontslagen wordt uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag ingeval de man in gebreke zal zijn met de nakoming van ’s hofs arrest;

het bedrag zal bepalen dat de man aan de vrouw verschuldigd is op grond van de verrekening van het wettelijk deelgenootschap, met bepaling dat de man dit bedrag uiterlijk binnen een maand na dagtekening van het door het hof te wijzen arrest dient te voldoen;

zal bepalen dat de man de wettelijke rente verschuldigd is over de vordering van de vrouw (naar het hof begrijpt: op de man) uit hoofde van de verrekening van het wettelijk deelgenootschap vanaf de peildatum;

ten aanzien van de eenvoudige gemeenschap:

primair zal bepalen dat de onroerende zaak te [plaats A] aan de man wordt toegescheiden onder de ontbindende voorwaarde dat de hypotheek (het hof begrijpt: de schuld uit hoofde van de hypothecaire ING-geldlening) met nummers [volgt nummer] ten name van de man wordt gesteld, met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid,

subsidiair, indien het de man binnen de termijn niet mocht gelukken die schuld te zijnen name te stellen, zal bepalen de onroerende zaak te verkopen (en naar het hof begrijpt: in eigendom over te dragen), met de bepaling dat de met de opbrengst de schuld zal worden voldaan en het verlies ‘alleen voor rekening van de man zal komen’ (het hof begrijpt: uitsluitend door de man gedragen zal worden).

primair als peildatum voor de waarde bij de verdeling van de onroerende zaak in [plaats A] 2004 zal vaststellen, zijnde deze de datum die partijen zijn overeengekomen om het wettelijk deelgenootschap te verrekenen;

subsidiair, indien het hof de vordering van de vrouw niet zal honoreren met betrekking tot de peildatum voor de verdeling op grond van het feit dat partijen dat overeengekomen zijn, dezelfde peildatum zal hanteren op basis van redelijkheid en billijkheid, nu vanaf die datum de man alleen het beheer heeft gehad over zowel de onroerende zaak als de daarop gevestigde hypotheek (het hof leest: als de daarmee verbonden schuld uit de hypothecaire geldlening), zonder dat hij rekening en verantwoording aan de vrouw heeft afgelegd en nooit toestemming heeft gevraagd om beheershandelingen te kunnen verrichten; en voorts zal bepalen dat de man daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens de vrouw en daarvoor schadeplichtig is; en meer vervolgens zal bepalen dat als peildatum eind 2004 zal worden gehanteerd, primair op grond van het feit dat deze is overeengekomen door partijen, subsidiair op grond van de redelijkheid en billijkheid, meer subsidiair als compensatie voor de schade die de vrouw door het onrechtmatig handelen van de man heeft geleden;

indien het hof het verzoek (het hof begrijpt: de vordering) van de vrouw om als peildatum aan te houden eind 2004 niet toewijst, zal vaststellen dat de man onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de vrouw, omdat hij in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 3:170 BW met betrekking tot (het hof begrijpt: door het verrichten van) de beheershandelingen met betrekking tot de onroerende zaak in [plaats A], en zal bepalen dat de man rekening en verantwoording moet afleggen binnen een maand na de datum van het door het hof in dezen te wijzen arrest met betrekking tot het depot dat in 2004 verbonden was met de schuld uit hypothecaire geldlening voornoemd;

de zaak met betrekking tot de verdeling zal aanhouden zodat de vrouw de gelegenheid heeft te reageren op de stukken die de man in het kader van de rekening en verantwoording zal overleggen;

ten aanzien van de afgifte inboedelgoederen aan de vrouw

de man zal veroordelen om de aanwezig inboedelgoederen in de woning te [plaats B] aan de vrouw af te geven overeenkomstig de lijst die als productie 40 bij de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel, en akte vermeerdering van eis, is overgelegd, althans de goederen die in de plaats zijn getreden van de voor de vrouw ten huwelijk aangebrachte goederen, zoals bepaald in artikel 3 onder b van de huwelijkse voorwaarden waarin partijen waren gehuwd.

4.

Vervolgens heeft de man te rolle 28 maart 2014

ten aanzien van het wettelijk deelgenootschap

a. voor recht zal verklaren dat het onroerend goed te [plaats B] niet behoort tot het wettelijk deelgenootschap (het hof begrijpt: de waarde van het onroerend goed in [plaats B] niet wordt betrokken in de vereffening van het wettelijk deelgenootschap);

b. indien het onroerend goed te [plaats B] (het hof begrijpt: de waarde van het onroerend goed te [plaats B]) door het hof wel in de vereffening van het wettelijk deelgenootschap wordt betrokken, de vrouw in het kader van de verrekening van het wettelijk deelgenootschap zal veroordelen aan de man te voldoen de helft van de kosten inzake de hypotheek (naar het hof begrijpt: schuld uit de hypothecaire geldlening), onroerend-zaak-belastingen, waterschapslasten, en van de overige lasten, alsook van de gemaakte taxatiekosten vanaf juli 2006 tot de door het hof vast te stellen datum van verrekening, dan wel de genoemde kosten te voldoen over een door het hof vast te stellen periode;

c. indien het hof bepaalt dat het onroerend goed te [plaats B] niet tot het wettelijk deelgenootschap behoort (het hof begrijpt: niet in de verrekening van het wettelijk deelgenootschap wordt betrokken), de vrouw zal veroordelen op grond van de redelijkheid en billijkheid aan de man te voldoen de helft van de kosten inzake de hypotheek (naar het hof begrijpt: schuld uit de hypothecaire geldlening), onroerend-zaak-belastingen, waterschapslasten, en van de overige lasten, alsook van de gemaakte taxatiekosten vanaf juli 2006 tot de door het hof vast te stellen datum van verrekening, dan wel de genoemde kosten te voldoen over een door het hof vast te stellen periode;

ten aanzien van het door de vrouw opzettelijk verzwegen vermogen:

d. de vrouw zal veroordelen aan de man te voldoen het bedrag van € 40.065,-- dan wel een door het hof vast te stellen bedrag;

e. indien laatstgenoemd verzoek (het hof begrijpt: de laatstgenoemde vordering) niet wordt toegewezen, het hof in het kader van de afwikkeling van het wettelijk deelgenootschap de vrouw zal veroordelen aan de man te voldoen het verminderde bedrag van € 7.442, 50 en niet het in de memorie van grieven gevorderde bedrag van € 15.000,--, dan wel een door het hof te bepalen bedrag;

dan wel een zodanige uitspraak zal doen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

5.

Op 14 juni 2013 zijn de zaken bepleit door der partijen advocaten.

6.

Appellanten hebben vervolgens arrest gevraagd en partijen hebben ieder hun procesdossier aan het hof overgelegd en arrest gevraagd.

7.

Het arrest is uiteindelijk bepaald op heden.

Beoordeling van het hoger beroep in het principaal en het incidenteel hoger beroep

Algemeen

1.

Voor zover er tegen de feiten geen grief is gericht gaat het hof uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten. Gezien de onderlinge samenhang tussen het appel en het incidentele appel bespreekt het hof het appel en het incidentele appel zoveel mogelijk gezamenlijk.

2.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank:

a. vastgesteld in het kader van de verdeling van de eenvoudige gemeenschap dat partijen ieder voor de helft gerechtigd zijn tot de netto verkoopopbrengst van de woning aan de [adres, plaats A] en van de woning aan de [adres, plaats B], nadat de op die woningen ‘rustende hypothecaire lening’ is afgelost;

b. de vrouw veroordeeld in het kader van de verrekening van de taxatiekosten zoals omschreven in rechtsoverweging 4.12 van het bestreden vonnis, tot het voldoen aan de man van en bedrag van € 569,71;

c. de man veroordeeld in het kader van de afwikkeling van het wettelijk deelgenootschap tot het voldoen aan de vrouw van een bedrag van € [adres, plaats B]

het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

e. het meer of anders gevorderde afgewezen, en

f. de proceskosten gecompenseerd.

3.

Het hof stelt voorop dat naar luid van artikel IV lid 1 van de Wet van 14 maart 2002 tot wijziging van titel 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (regels verrekenbedingen), Stb. 2002, 152, in werking getreden per 1 september 2002, op de door partijen op 10 september 1986 gesloten huwelijkse voorwaarden, die – voor zover in dit verband van belang – uitsluitend finale verrekening van vermogen bevatten, het recht van toepassing blijft zoals dat gold onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet (artikelen 1:129 en 1:132 tot en met 1:145 oud BW). De omstandigheid dat partijen daarnaast ook nog gemeenschappelijk vermogen bezitten doet daaraan niet af.

De omvang van het geschil

4.

De meest verstrekkende grief is de zesde grief in het incidentele appel. De vrouw heeft daar gesteld dat de rechtbank zowel het stamvermogen van de man als dat van de vrouw verkeerd heeft vastgesteld. In haar toelichting heeft de vrouw gesteld dat eerst een exacte berekening van het stamvermogen kan worden gemaakt wanneer duidelijkheid bestaat omtrent de peildatum.

5.

Voorts begrijpt het hof uit de door partijen zowel in het principaal als in het incidenteel appel aangevoerde grieven en de toelichting daarop dat zij het tussen hun bestaande geschil inzake de verrekening van het tussen hen bestaan hebbend wettelijk deelgenootschap en de verdeling van de tussen hen bestaande gemeenschap in volle omvang aan het hof voorleggen.

Peildatum bij de verrekening van het wettelijk deelgenootschap

6.

Met betrekking tot de peildatum van de omvang van de vordering tot verrekening uit hoofde van het wettelijk deelgenootschap heeft de man gesteld in zijn memorie van antwoord op het incidenteel appel dat als datum dient te gelden datum inschrijving van de echtscheiding in de daartoe bestemde registers. Voor de waardering van het stamvermogen wenst de man uit te gaan van een datum gelegen eind 2004 of begin 2005.

7.

De vrouw heeft gesteld dat uit de literatuur blijkt dat bij het einde van het deelgenootschap de eindvermogens van de echtgenoten per datum van beëindiging van de deelgenootschap worden geïnventariseerd en de waarde van de vermogens wordt bepaald. Voor geschillen geldt het bepaalde in art 1:143 BW. Dit betekent dat voor de peildatum verwezen wordt naar artikel 1:142 BW en dan geldt als peildatum het tijdstip van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding ingediend op 15 februari 2007. Het hof begrijpt uit het betoog van de vrouw dat zij akkoord gaat met een peildatum voor de waardering zijnde eind 2004 mits voor de waardering van de activa behorende tot de eenvoudige gemeenschap eveneens wordt uitgegaan van eind 2004.

8.

Het hof overweegt als volgt. In geval van beëindiging door echtscheiding is het peilmoment de aanvang van de dag waarop het daartoe strekkende eenzijdige echtscheidingsverzoek is ingediend (artikel 1:136 lid 2, tweede zin, oud BW). De echtscheidingsbeschikking van de rechtbank te Rotterdam van 24 september 2007 vermeldt niet de dag van indiening van het echtscheidingsverzoek. In de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel beroep en akte vermeerdering van eis wordt door de vrouw genoemd als datum waarop het inleidend verzoek strekkende tot echtscheiding is ingediend: 15 februari 2007. Deze datum is door de man niet weersproken, zodat het hof van die dag van indiening zal uitgaan. Dat leidt er toe dat – in beginsel – de vaststelling van de vermogensbestanddelen die tot het eindvermogen van ieder van hen behoren, per dat tijdstip dient plaats te vinden.

9.

Wat de waardering betreft geldt bij het wettelijk deelgenootschap in dat geval eveneens 15 februari 2007 tenzij partijen anders zijn overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een ander tijdstip zou voortvloeien. Op basis van de stellingen van partijen heeft het hof niet kunnen vaststellen dat partijen overeenstemming hebben weten te bereiken omtrent de waardering van de vermogensbestanddelen die behoren tot het wettelijk deelgenootschap. Evenmin ziet het hof aanleiding in hetgeen partijen hebben gesteld aanleiding om op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid te komen tot een ander tijdstip. Het hof zal derhalve voor de waardering uitgaan van de datum 15 februari 2007.

Peildatum bij de verdeling van een gemeenschap

10.

Als peildatum voor de waardering van tot een de gemeenschap behorende goederen geldt als hoofdregel het tijdstip van de verdeling, tenzij uit een overeenkomst tussen partijen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hiervan moet worden afgeweken.

11.

Niet is gesteld of gebleken dat partijen bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden of anderszins omtrent de waardering van het gemeenschappelijk vermogen anders zijn overeengekomen, zodat het hof ten aanzien van de vordering strekkende tot verdeling van de eenvoudige gemeenschap, van de hoofdregel zal uitgaan.

Verrekening wettelijk deelgenootschap

12.

Op grond van het bepaalde in de artikel 6, eerste alinea, van de huwelijkse voorwaarden wordt de vermeerdering of vermindering van het vermogen vastgesteld door van het bedrag waarop het vermogen van ieder een echtgenoot – met uitzondering van de ten tijde van de peildatum aanwezige klederen, lijflinnen en lijfsieraden in gebruik zijnde bij een der echtgenoten – op het ogenblik van de dag van verrekening wordt geschat, de aanvangswaarde van zijn stamvermogen af te trekken.

13.

Het hof zal daarom dienen vast te stellen wat de waarde is van het stamvermogen en het eindvermogen van ieder der echtgenoten is. Daartoe is bepalend artikel 6, tweede alinea, van de huwelijkse voorwaarden, inhoudende dat het stamvermogen van een echtgenoot wordt gevormd door:

a. de goederen die de echtgenoot bij de aanvang van het huwelijk – met uitzondering van de ten tijde van de peildatum aanwezige klederen, lijflinnen en lijfsieraden in gebruik zijnde bij een der echtgenoten – bezat, verminderd met zijn toenmalige schulden;

b. de goederen die de echtgenoot tijdens het bestaan van het huwelijk door erfopvolging, making of schenking heeft verkregen – met uitzondering van de ten tijde van de peildatum aanwezige klederen, lijflinnen en lijfsieraden in gebruik zijnde bij een der echtgenoten – verminderd met de op die verkrijging drukkende lasten; giften worden opgenomen onverschillig of zij tot beloning of om andere redenen zijn gedaan; giften van geringere omvang worden niet opgenomen.

14.

De aanvangswaarde van de tot het stamvermogen behorende goederen wordt op grond van artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden bewezen:

a. wat betreft de ten huwelijk aangebrachte goederen, uitsluitende door de aan de akte van huwelijkse voorwaarden gehechte staat van aanbrengsten; aangebrachte goederen die niet op die staat zijn vermeld, komen voor de berekening van het stamvermogen niet in aanmerking;

b. wat betreft de door erfopvolging, making of schenking verkregen goederen, door de desbetreffende akte van scheiding (het hof begrijpt: schenking), of andere daarvan opgemaakte akte van verkrijging en bij gebreke daarvan, door de memorie van aangifte, volgens welke het recht van successie of van schenking is geheven.

15.

De staat van aanbrengsten vermeld dat ten huwelijk zijn aangebracht:

A. door de man:

goederen

a. Ford Sierra 1984 fl. 15.000

b. NMB-rekening-courant fl. 5.000

c. woonhuis [ades, plaats C] fl. 150.000

totaal fl. 170.000

schulden

hypothecaire schuld (naar het hof begrijpt:

uit geldlening) fl. 134.000

zodat de waarde van het stamvermogen van de man per datum

aanbreng bedraagt fl. 36.000

overeenkomend met € 16.336,08

B. door de vrouw:

goederen

1.

Suzuki Alto 1986 fl. 12.500

2.

meubilaire goederen fl. 15.000

3.

elektronische apparatuur fl. 1.000

4.

lampen fl. 1.000

5.

serviesgoed plus kookgerei fl. 1.000

6.

huishoudelijke apparatuur fl. 2.000

7.

linnen- en beddengoed fl. 1.000

8.

stoffering fl. 2.000

9.

NMB spaarrekening fl. 20.000

zodat de waarde van het stamvermogen van

de vrouw per datum

aanbreng bedraagt fl. 55.500

overeenkomend met € 24.957,91

16.

Niet is gebleken dat een van partijen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden gegeven bevoegdheid om na het eindigen van het deelgenootschap tot beschrijving van diens eigen vermogen over te gaan. Om de verrekening naar behoren te kunnen vaststellen is vereist dat ieder van partijen ter rolle bij akte alsnog een beschrijving in het geding brengt van alle aan die partij toebehorende aanwezige goederen, met uitzondering van de ten tijde van het peilmoment aanwezige klederen, het lijflinnen en de lijfsieraden in gebruik zijnde bij een der echtgenoten, onder vermelding van de daaraan toegekende waarde en alle bij die partij bestaande schulden en lasten onder vermelding van de omvang, een en ander per de aanvang van de dag waarop het verzoek strekkende tot echtscheiding – te weten 15 februari 2007 – ter griffie van de rechtbank te Rotterdam is ingediend.

17.

Ter voorkoming van mogelijke misverstanden wijst het hof er nu reeds op dat – behoudens andersluidende overeenstemming tussen partijen – tot de goederen die onderworpen zijn aan de gevolgen van het wettelijk deelgenootschap, ook behoren de goederen begrepen in de ‘eenvoudige gemeenschap’, aanzien de uitzondering van ‘een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap’ (artikelen 1:139 lid 2 oud en 1:140 lid 2 oud BW) een huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap betreft (Parl. Gesch. Boek 1, p. 285). Aangezien het in de akte van huwelijkse voorwaarden overeengekomen stelsel kennelijk dat van het wettelijk deelgenootschap is – zij het met enkele aanpassingen – gaat het hof er bij de beoordeling van het geschil tussen partijen van uit dat met de term ‘vermogensrechtelijke gemeenschap’ in de huwelijkse voorwaarden eveneens een huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap hebben bedoeld.

18.

Partijen zijn het er in dit geding over eens dat daarvan in dit geding geen sprake is, nu zij blijkens hun stellingen in dit geding ieder uitgaan van een ‘eenvoudige gemeenschap’.

19.

Dat betekent dat de waarde van goederen behorende tot een ‘eenvoudige gemeenschap’ wel in de verrekening van het wettelijk deelgenootschap is begrepen.

20.

Aan de hand van het vorenstaande zal het hof de eindvermogens van elk van partijen vaststellen, waarna de berekening van de verrekening kan plaatsvinden.

Verdeling van de eenvoudige gemeenschap

21.

Het gegeven dat de goederen behorende tot de ‘eenvoudige gemeenschap’ in de verrekening van het wettelijk deelgenootschap worden betrokken, staat er niet aan in de weg dat die ‘eenvoudige gemeenschap’ voor verdeling vatbaar is. Gelet op de samenhang tussen de verrekening en de verdeling, en het feit dat de verrekening eerst kan worden vastgesteld nadat de meer genoemde gegevens om tot zodanige verrekening te komen nog niet voor handen zijn, geeft het hof er de voorkeur aan om zijn beslissing ten aanzien van die verdeling aan te houden.

22.

Gelet op het hiervoor onder 21 overwogene zal het hof de peildatum evenwel bepalen op de datum van verdeling, in dit geval de datum van zijn eindarrest in deze procedure.

Rekening en verantwoording

23.

Het hof overweegt als volgt. Tijdens het bestaan van het wettelijk deelgenootschap is de ene echtgenoot aan de andere geen verantwoording verschuldigd is over het bestuur van zijn goederen en verplicht slecht bestuur over die goederen niet tot schadevergoeding; artikel 1:133 lid 1 oud BW. Weliswaar kan de ene echtgenoot jaarlijks van de andere echtgenoot een gespecificeerde schriftelijke opgave van diens goederen en schulden vorderen, maar die verplichting is niet gelijk te stellen met het afleggen van rekening en verantwoording van het gevoerde bestuur – daaronder begrepen het beheer – als bedoeld in artikel 771 en volgende Rv.

24.

Voor zover de vrouw haar vordering grondt op artikel 3:173 BW is het hof van oordeel dat in het geval aan echtgenoten gezamenlijk vermogen toebehoort, evenmin een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording van de ene echtgenoot jegens de ander bestaat. Uitgangspunt van de wetgever met betrekking tot het vermogen binnen huwelijk – zowel het vermogen van iedere der echtgenoten als hun gezamenlijk vermogen – is blijkens de wetsgeschiedenis dat de echtgenoten zijn gehuwd ‘in voor- en in tegenspoed’. Niet valt in te zien waarom dat uitgangspunt niet zou gelden ten aanzien van vermogen dat behoort tot een ‘eenvoudige’ gemeenschap binnen het huwelijk.

De overige geschilpunten

25.

De behandeling van de overige tussen partijen bestaande geschilpunten tussen zal het hof aanhouden.

Vermogensbeschrijving

26.

Gezien het hof hiervoor heeft overwogen kan de omvang van de vordering tot verrekening eerst worden vastgesteld indien het hof over een deugdelijke vermogensbeschrijving beschikt, met onderliggende stukken. Indien partijen niet in staat zijn om een behoorlijke vermogensbeschrijving te maken overweegt het hof een deskundige te benoemen. Alvorens hiertoe over te gaan zal het hof eerst partijen in de gelegenheid stellen om een vemogensbeschrijving zoals hiervoor aangegeven in het geding te brengen en zal het hof een comparitie van partijen gelasten.

Beslissing

Het hof:

- draagt ieder van partijen op om veertien dagen vóór de comparitie van partijen aan de griffier van dit hof toe te sturen een behoorlijke beschrijving per de aanvang van de dag waarop het verzoek strekkende tot echtscheiding – te weten 15 februari 2007 – ter griffie van de rechtbank te Rotterdam is ingediend, van:

i) alle aan die partij toebehorende aanwezige goederen, met uitzondering van de ten tijde van het peilmoment aanwezige klederen, het lijflinnen en de lijfsieraden in gebruik zijnde bij een der echtgenoten, onder vermelding van de daaraan toegekende waarde,

alsmede van

ii) alle bij die partij bestaande schulden en lasten onder vermelding van de omvang;

  • -

    bepaalt een comparitie van partijen tot het verstrekken van inlichtingen op dinsdag 1 april 2014 om 14.00 uur in een der zalen van het Paleis van Justitie te Den Haag; indien ëén der of beide partijen verhinderd is/zijn, dient de verhinderd zijnde partij het hof binnen veertien dagen na datum van dit arrest de verhinderdata op te geven voor de maanden april, mei en juni 2014, waarna het hof een nader tijdstip zal bepalen voor de te houden comparitie.

  • -

    benoemt tot raadsheer-commissaris mr. Stille, en bij diens afwezigheid mr. Labohm, leden van dit hof;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Stille, Labohm en Mertens-de Jong, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2014 in aanwezigheid van de griffier.