Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:CA4010

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
03-07-2013
Zaaknummer
200.006.610/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet nagekomen periodiek verrekenbeding. Wat behoort tot het te verrekenen vermogen; artikel 1:136 lid 1 BW: rente en aflossing financiering betaald uit ongedeelde overgespaarde inkomsten; reikwijdte bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW; belastinglatentie; rekening-courantschuld op grond van redelijkheid en billijkheid betrokken in de verrekening; afstorting dekkingsvermogen in het kader van pensioenverevening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2013/110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 19 juni 2013

Zaaknummer : 200.006.610/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 05-4794

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat voorheen mr. A.H. van Haga te Den Haag, thans mr. J.B. Boone te Wijk bij Duurstede,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J. Dongelmans te Nieuwerkerk aan den IJssel.

VERDERE PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn beschikking van 9 juni 2010, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Bij die beschikking heeft het hof - voor zover hier van belang - de heer A. Hak RA tot deskundige benoemd en iedere verdere beslissing aangehouden. Op 21 juli 2010 heeft een regiezitting plaatsgevonden waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

Bij het hof zijn nadien de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 26 juli 2010 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage, op 27 juli 2010 ingekomen als brief met bijlagen;

- op 19 augustus 2010 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage;

- op 19 oktober 2010 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage;

- op 9 februari 2012 een faxbericht van diezelfde datum, op 10 februari 2012 ingekomen als brief met bijlagen;

- op 6 juni 2012 een faxbericht van diezelfde datum;

- op 20 december 2012 een faxbericht van diezelfde datum;

- op 28 januari 2013 een brief van diezelfde datum;

- op 13 februari 2013 een brief van diezelfde datum met bijlage;

- op 21 mei 2013 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 4 juni 2013 een brief van diezelfde datum;

van de zijde van de vrouw:

- op 23 juli 2010 een brief van diezelfde datum met bijlage;

- op 9 februari 2012 een brief van diezelfde datum;

- op 24 april 2012 een faxbericht van diezelfde datum;

- op 21 mei 2012 een faxbericht van diezelfde datum;

- op 11 september 2012 een faxbericht van diezelfde datum;

- op 3 april 2013 een brief van 2 april 2013;

- op 6 mei 2013 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage;

- op 27 mei 2013 een brief van 24 mei 2013 met bijlage;

van de zijde van de deskundige:

- op 29 oktober 2010 een brief van 28 oktober 2010 met bijlage;

- op 14 juni 2012 een brief van diezelfde datum;

- op 18 februari 2012 een brief van 15 februari 2013 met bijlage.

Bij brief van 5 maart 2013, ingekomen bij het hof op 6 maart 2013, heeft de deskundige het hof het definitieve deskundigenrapport doen toekomen. Dit rapport is door het hof bij brief van 8 maart 2013 naar partijen doorgezonden en zij zijn daarbij in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na dagtekening van die brief inhoudelijk op het rapport te reageren, alsmede binnen twee weken na dagtekening van die brief op de bijgevoegde declaratie.

Bij voormelde brief van 3 april 2013 heeft de vrouw voor wat betreft haar reactie op het deskundigenrapport verwezen naar de bij het rapport gevoegde brieven van haar zijde. Voor wat betreft de declaratie van de deskundige verwijst zij naar eerdere correspondentie.

Bij brief van 16 mei 2013 heeft het hof partijen meegedeeld dat het onderzoek ter terechtzitting is gesloten en dat het hof op 10 juli 2013 een beschikking zal geven.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

Algemeen

Hoor en wederhoor deskundigenrapport

1. Bij brief van 21 mei 2013 heeft de advocaat van de man meegedeeld dat de deskundige reeds op 23 oktober 2012 aan zijn cliënt het tweede conceptdeskundigenbericht heeft toegestuurd. De deskundige heeft zijn rapport definitief vastgesteld op 5 maart 2013. Naar het oordeel van het hof heeft de man vanaf 23 oktober 2012 tot en met het definitief stellen van het rapport begin maart 2013 ruimschoots de tijd gehad om te reageren. De advocaat van de vrouw had reeds op 30 oktober 2012 gereageerd op het tweede concept. Dat de man niet tijdig reageert en geen gebruik maakt van zijn recht op hoor en wederhoor bij het totstandkomen van het deskundigenbericht komt voor zijn rekening en risico. De deskundige is zo zorgvuldig geweest om de reactie van de man op het eerste conceptdeskundigenbericht aan het definitieve deskundigenbericht te hechten.

2. Voorts wijst het hof erop dat een wrakingsverzoek in hoger beroep geen rechtvaardiging is voor het niet verrichten van proceshandelingen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 september 2010 (LJN: BM7671) overwogen: “Haar verzuim werd niet gerechtvaardigd door het wrakingsverzoek dat zij toen heeft gedaan omdat door dit verzoek wel de verdere behandeling van de zaak door de rechter werd geschorst, maar niet haar eigen gehoudenheid verviel om op de desbetreffende roldatum een memorie van grieven te nemen.” Indien de advocaat van de man dan wel zijn cliënt bedoeld heeft op het definitieve rapport te reageren, is de zeswekentermijn gaan lopen op 8 maart 2013 en dus geëindigd op 18 april 2013, welke datum ruimschoots gelegen is voor de datum van de sluiting van het onderzoek ter zitting van 16 mei 2013.

3. Mede uit het voorgaande volgt dat het hof geen rekening houdt met stukken die zijn ingekomen na 16 mei 2013.

Kern van het geschil

4. Een van de kerngeschillen tussen partijen is de vaststelling van de omvang van het te verrekenen vermogen overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden van partijen. Beide partijen hebben uitvoerig hun stellingen met betrekking tot het te verrekenen vermogen toegelicht. Daarnaast is er een uitgebreid onderzoek geweest van een registeraccountant naar de geldstromen en geldbronnen waarmee goederen zijn gefinancierd respectievelijk verworven. Voor een goed begrip is het van belang dat in ogenschouw wordt genomen wat de wetgever voor ogen heeft gehad bij de vaststelling van de omvang van de verrekeningsvordering. In dat kader zijn relevant artikel 1:136 lid 1 laatste zin BW en artikel 1: 141 lid 3 BW.

5. Artikel 1:136 lid 1 laatste zin BW luidt als volgt: Indien een echtgenoot in verband met de verwerving van een goed een schuld is aangegaan, wordt het goed op de voet van de eerste volzin tot het te verrekenen vermogen gerekend voor zover de schuld daartoe wordt gerekend of daaruit is afgelost of betaald.

Artikel 1:141 lid 3 BW luidt als volgt: Indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in het eerste lid niet is voldaan, wordt het alsdan aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit.

6. Uit het appel van de man volgt dat hij van mening is dat een aantal goederen niet tot het te verrekenen vermogen behoren aangezien deze goederen in zijn visie zijn gefinancierd uit privémiddelen. Voorts volgt uit het appelschrift van de man dat hij het er niet mee eens is dat de rechtbank bij de vaststelling van de omvang van de verrekeningsvordering geen rekening heeft gehouden met een aantal negatieve vermogensbestanddelen waaronder een mogelijke belastinglatentie.

7. Op grond van de wettelijke bepaling ex artikel 1:141 lid 3 BW dient de man aan te tonen dat een goed niet tot het te verrekenen vermogen behoort.

8. Door de vrouw is tegen de stellingen van de man gemotiveerd verweer gevoerd en tevens is door de vrouw incidenteel appel ingesteld.

Tussenbeschikking 9 juni 2010

9. Naar aanleiding van het appel en het incidentele appel heeft het hof in zijn tussenbeschikking een aantal vragen geformuleerd die door een registeraccountant dienden te worden onderzocht.

10. In het kader van hoor en wederhoor heeft er op 21 juli 2010 een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij partijen en hun advocaten aanwezig waren. Ter zitting zijn de vragen voor de deskundige besproken en beide advocaten hebben verklaard dat de vraagstelling volledig was.

De vragen met betrekking tot het deskundigenonderzoek

11. De navolgende vragen zijn ter zitting van 21 juli 2010 geformuleerd:

a. Uit welk inkomen casu quo vermogen zijn de op de panden ([adres 1] te [gemeente a] en [adres 2] te [gemeente b]) betrekking hebbende aflossingen en rentebetalingen afkomstig?

b. Wat is de omvang van de nominale belastingclaim op het pand [adres 2] te [gemeente b] per de peildatum 22 april 2003?

c. Hoe is de rekening-courantschuld in de huwelijkse periode opgebouwd?

d. Wat is de waarde van het aandeel van de man in de VOF [Z] per de peildatum?

e. Uit welke bronnen zijn de gelden afkomstig waarmee de auto is betaald?

f. Wat is de omvang van de nominale belastingclaim ter zake van de polissen bij Delta Lloyd per de peildatum 22 april 2003?

g. Wat is de pensioenaanspraak van de vrouw per peildatum?

h. Komt bij afstorting van de berekende pensioenaanspraak van de vrouw onder een verzekeringsmaatschappij - gelet op de financiële stukken van 2008 - de continuïteit van de onderneming van de man in gevaar?

i. Wat is de waarde van de pensioenaanspraak van de vrouw per 27 november 2006?

j. De waardeberekening van de pensioenbrief dient opnieuw te worden opgesteld door de deskundige.

k. Wat is de waarde van de investering in [BV X] per de peildatum 22 april 2003?

l. Waren er per de peildatum nog huurinkomsten uit de panden van de man die nog niet geïncasseerd waren en die in de verrekening mee dienen te worden genomen?

De panden te [gemeente a] en [gemeente b]

12. De man is het niet eens met de wijze waarop de rechtbank heeft beslist met betrekking tot de verrekening van de waarde van de panden aan de [adres 1] te [gemeente a] en aan de [adres 2] te [gemeente b].

13. De man is van mening dat het in dit geval niet redelijk en billijk is om ervan uit te gaan, dat de aflossingen zijn gedaan uit overgespaard inkomen. Volgens de man man behoeft er derhalve in dit kader niet te worden verrekend.

14. Uit het verweer van de vrouw volgt dat zij van mening is dat de panden wel gefinancierd zijn uit overgespaard inkomen.

15. Het hof overweegt als volgt. De beide panden zijn staande huwelijk gekocht. De verkrijging van deze panden is gefinancierd met hypothecaire geldleningen. Op deze geldleningen is afgelost. Relevant is de discussie tussen partijen of de aflossing heeft plaatsgevonden met overgespaard niet gedeeld inkomen of uit privévermogen van de man. Partijen hebben niet aan de orde gesteld of betaling van rente in ogenschouw moet worden genomen bij de berekening van de verrekeningvordering voor zover het betreft de financiering van een beleggingspand. De Hoge Raad heeft in het arrest van 2 maart 2001, NJ 2001, 583 (Slot/Ceelen) overwogen: ”In een dergelijk geval zal, indien de lening waarmee de verwerving is gefinancierd niet volledig ten laste is gekomen van bespaarde en onverdeeld gebleven inkomsten, de rechter aan de hand van de beschikbare gegevens dienen te begroten voor welk gedeelte de aandelen in de verrekening dienen te worden betrokken. Daarbij dienen niet slechts de aflossingen op de hoofdsom van de geldlening, maar ook rente en andere kosten en, indien van belang voor een redelijke toerekening, ook de tijdstippen waarop de verschillende betalingen hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden, in de beschouwing te worden betrokken.” In economische zin heeft rente te maken met tijdsvoorkeur, in plaats van voor het goed te sparen, wordt voor de aanschaf van het goed geld geleend. Het lenen van geld is alleen mogelijk indien er een geldstroom is waarmee de rente betaald kan worden. In het geval er geen geldstroom is waarmee de rente kan worden gefinancierd, is investering in het goed niet mogelijk. Indien er geen rente wordt betaald, kan er een besparing optreden indien de inkomsten niet aangewend worden voor andere consumptieve doelen. Aan deze economische realiteit kan in beginsel een juridisch gevolg worden verbonden namelijk dat het betalen van rente kan worden aangemerkt als investeren in een goed. Daaraan doet niet af dat de Hoge Raad in het arrest van 27 januari 2006, NJ 2008, 564 (Schwanen/Hundscheid II) het betalen van hypotheekrente met betrekking tot de echtelijke woning heeft aangemerkt als kosten van de huishouding. In het onderhavige geval is sprake van investeren in een beleggingspand. Nu partijen de rente kennelijk niet zien als een investering in het goed, zal het hof bij de vaststelling van het te verrekenen bedrag geen rekening houden met de rentebetalingen. Naar het oordeel van het hof dient de man op grond van artikel 1: 136 lid 2 BW aan te tonen dat hij uit privémiddelen de leningen met betrekking tot de panden heeft afgelost. De rechtbank heeft geoordeeld dat de man dit niet heeft aangetoond en heeft conform artikel 1:136 1 lid BW de verrekeningsvordering vastgesteld waarbij de aflossingen zijn gerelateerd aan de waarde van het goed.

16. De deskundige heeft in zijn rapport gesteld:

”In dit dossier is sprake van een complexe financiële verwevenheid van privé- en zakelijke geldstromen, die zich reguleren via een - oplopende - rekening-courantschuld van de man aan zijn onderneming(en). Dat maakt de vraag naar de bron van financiering van privévermogenscomponenten complex. De vraag kan dan ook niet worden beantwoord door uitsluitend te kijken naar de bankrekening waar vandaan gelden worden onttrokken, maar moet voortdurend ook worden bezien op welke wijze de voor de privédoeleinden onttrokken gelden zijn verwerkt in de financiële administratie van de onderneming.”

17. Vanaf de bladzijden 6 tot en met 11 is de deskundige ingegaan op de financiering van de panden. Per pand heeft de deskundige het verloop van de leningen, rente en aflossing weergegeven. De huuropbrengsten met betrekking tot de panden werden volgens de deskundige ontvangen op een drietal bankrekeningen, alle ten name van de man. De man heeft aan huren ontvangen de somma van € 303.381,19. Uit het deskundigenbericht volgt dat de man stelt een bedrag aan kosten te hebben gemaakt van € 190.660,-. Volgens de deskundige betreffen het grootste deel van deze kosten aanvullende investeringen gedaan in 1998 en 1999 in het pand [adres 2]. Op basis van detailcontrole heeft de deskundige hiervan een bedrag van € 189.242,39 kunnen herleiden. Op bladzijde 10 van het deskundigenbericht geeft de deskundige aan uit welk inkomen casu quo vermogen de rente en aflossingen op beide panden zijn voldaan. De deskundige is van mening dat alle rente en aflossingen zijn betaald uit nog niet verrekend overgespaard inkomen casu quo vermogen dan wel ten laste van de rekening-courantschuld dan wel uit overige inkomsten van de man.

18. Het hof overweegt als volgt. Het is de verantwoordelijkheid van de man geweest om op een transparante wijze zijn administratie te voeren, zodat op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld of een goed met privévermogen of overgespaard niet gedeeld inkomen is gefinancierd. Indien er door de verrekeningsplichtige geen deugdelijke en inzichtelijke administratie is bijgehouden van de administratie komt dit voor zijn of haar risico. Op grond van artikel 2:10 BW is de man, als bestuurder van de BV, verplicht een deugdelijk administratie te voeren. Het hof is met de deskundige van oordeel dat er sprake is van een complexe financiële verwevenheid van privé- en zakelijke geldstromen. Deze complexiteit met betrekking tot het vaststellen van de geldstromen mag niet ten nadele komen van de vrouw aangezien als gevolg van de financiële verslaglegging door de man en zijn vennootschap de geldstromen privé en zakelijk nagenoeg niet van elkaar te onderscheiden zijn. Als de man een inzichtelijke administratie had gevoerd of jaarlijks had verrekend, had de onderhavige problematiek zich niet voorgedaan. Op basis van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, is het hof van oordeel dat de man niet heeft aangetoond dat hij de aflossingen op de leningen met betrekking tot de panden heeft betaald uit niet te verrekenen inkomsten. De grieven 1 en 2 van de man treffen geen doel.

De belastinglatentie

19. Uit de derde grief van de man volgt dat hij het niet eens is met de beslissing van de rechtbank dat er met betrekking tot het pand gelegen aan de [adres 2] te [gemeente b] geen rekening wordt gehouden met een latente belastingclaim. Volgens de man is in ieder geval sprake van een belastingclaim over ten minste (€ 125.671,- minus € 102.620,- =) € 23.051,- waarover de man in verband met verrekening met de vrouw op de peildatum tussen de 33% (€ 7.607,-) en 52 % (€ 11.987,-) aan belasting moet betalen.

20. De man vindt het redelijk dat met een belastingclaim van € 9.797,- rekening wordt gehouden waarvan de helft ofwel € 4.899,- aan de vrouw moet worden toegerekend.

21. De vrouw is van mening dat geen rekening moet worden gehouden met een belastingclaim aangezien niet vaststaat of de man in de toekomst het pand zal verkopen en of er bij eventuele verkoop in de toekomst belasting zal worden geheven en zo ja, hoe hoog die belasting zal zijn. Voorts is de vrouw van mening dat in de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden van partijen een verrekenbeding van overgespaard inkomen is opgenomen, maar niet is bepaald dat reeds opgelegde dan wel toekomstige belastingclaims tussen partijen verrekend dienen te worden. Door de vrouw wordt betwist dat de boekwaarde van het pand € 102.620,- bedraagt.

22. Aan de deskundige is de vraag voorgelegd wat de omvang is van de nominale belastingclaim op het pand [adres 2] te [gemeente b] per de peildatum 22 april 2003.

23. Volgens de deskundige bedraagt de fiscale boekwaarde € 102.704,- met betrekking tot het deel van het pand dat aan de onderneming ter beschikking is gesteld. De deskundige heeft gesteld dat de waardetoename fiscaal beclaimd is. Op de peildatum is fiscaal beclaimd

€ 97.276,-. De nominale belastingschuld bedraagt € 47.271,-.

24. Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat een deel van het pand aan de [adres 2] te [gemeente b] ter beschikking wordt gesteld aan [de BV van de man], waarvan de man directeur-grootaandeelhouder is. Op grond van artikel 3.92 Wet inkomstenbelasting 2001 is er sprake van ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een vennootschap waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden. Het deel van het vermogen dat ter beschikking wordt gesteld aan de BV van de man is in beginsel belast in het kader van box 1.

25. Een tweetal rechtsvragen moet in de visie van de vrouw worden beantwoord:

a) Moet een latente belastingschuld in de verrekening worden betrokken?

b) Zo ja, voor welk bedrag moet de latente belastingschuld als een waardedrukkende factor worden meegenomen?

26. In rechtsoverweging 17 van de beschikking van 9 juni 2010 heeft het hof reeds een overweging gewijd aan de omvang van de verrekeningsvordering. Het hof zal dit hieronder nog nader motiveren. Voor verrekening achteraf bij een niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding komen in aanmerking het nog niet verrekende overgespaarde inkomen, de daarmee gerealiseerde beleggingen en de waardestijging en opbrengsten van die beleggingen. Kort samengevat omvat een niet uitgevoerd verrekenbeding al het vermogen dat is terug te voeren op bespaard en vervolgens met die besparing gedurende het huwelijk belegde vermogen. In artikel 1: 141 lid 1 BW wordt gesproken van het saldo dat is ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan. Uit de bewoordingen van de wet volgt dat moet worden beoordeeld de waarde van de belegging op de peildatum.

27. In artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden zijn partijen het navolgende met elkaar overeengekomen:

”Na afloop van ieder kalenderjaar worden de netto inkomsten van de ene echtgenoot gevoegd bij de netto inkomsten van de andere echtgenoot, echter na aftrek van de in artikel 4. bedoelde belastingschulden.”

Uit het verrekenbeding volgt dat partijen met elkaar zijn overeengekomen om het positieve saldo met elkaar te verrekenen. Uitgaande van het verrekenbeding, zoals partijen dat met elkaar zijn overeengekomen, en uitgaande van het feit dat partijen niet tussentijds hebben verrekend, is het hof van oordeel dat moet worden beoordeeld het vermogen dat is ontstaan uit de belegging en herbelegging van de bespaarde inkomsten. Het geld is belegd in een pand en voor de vaststelling van de waarde van het pand zijn relevant eventuele waardedrukkende factoren. De uit de Wet voortvloeiende belastingclaim is een last die direct verband houdt met de belegging zodat deze last in beginsel bij de beleggingswaarde dient te worden meegenomen.

28. Voor welk bedrag de fiscale claim moet worden meegewogen is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden van het betreffende geval. De man heeft zelf verzocht om de belastingclaim mee te nemen voor een bedrag van € 9.797,- en de helft daarvan toe te rekenen aan de vrouw. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, acht het hof het door de man ingenomen standpunt redelijk en billijk. De grief treft doel.

[Vastgoedmaatschappij Y]

29. De man is van mening dat op de waarde per de peildatum (€ 1.655,-) in mindering moet worden gebracht het negatieve saldo van € 21.651,-. In de visie van de man had de rechtbank rekening moeten houden met een negatief saldo van € 19.996,-.

30. De vrouw heeft gesteld dat de man als enig bewijs van de participatie in [Vastgoedmaatschappij Y] een overzicht heeft getoond bij brief van 29 december 2006. De vrouw weet niet hoe zij de bewuste bijlage moet duiden. De man heeft volgens de vrouw niet laten zien met welke middelen hij de bewuste participatie heeft aangekocht. Nergens uit blijkt dat de man geld geleend heeft om de bewuste participatie aan te schaffen. Volgens de vrouw heeft de man niet aangetoond dat hij met een lening de bewuste participatie in [Vastgoedmaatschappij Y] heeft betaald.

31. Het hof overweegt als volgt. Bij de rechtbank heeft de man ter zitting aangegeven dat het vermogensbestanddeel [Vastgoedmaatschappij Y] buiten de verrekening kan blijven. De vrouw heeft hiermee ingestemd. Het hof heeft niet kunnen vaststellen uit welke middelen de participatie is aangeschaft. Indien de man door middel van een geldlening de participatie heeft gekocht, is [Vastgoedmaatschappij Y] een vermogensbestanddeel dat niet is aangeschaft met overgespaard inkomen en dient dit buiten de verrekening te blijven. Aangezien de vrouw zich ermee kan verenigen dat het vermogensbestanddeel niet in de verrekening wordt betrokken en de man geen rechtens relevante grond heeft aangevoerd waarom de schuld in de verrekening moet worden betrokken, treft de grief geen doel.

32. Aangezien de vrouw zonder enig voorbehoud ter zitting van de rechtbank heeft verklaard dat dit vermogensbestanddeel niet in de verrekening behoeft te worden betrokken, kan zij hierop niet meer terug komen nu zij daarop geen enkele toelichting geeft (grief X nummer 84 incidenteel appel vrouw).

De auto Chevrolet

33. De man is van mening dat het niet redelijk en billijk is te achten om ervan uit te gaan, dat de auto Chevrolet is verkregen uit overgespaard inkomen. Volgens de man behoeft er derhalve in dat kader niets te worden verrekend. De man is van mening dat de auto is gefinancierd met de opbrengst die hij heeft ontvangen bij de verkoop van zijn onderneming [onderneming van de man].

34. Door de vrouw is gesteld dat de auto is aangeschaft van leningen die bij de BV geboekt zijn ten laste van de rekening-courant.

35. Aan de deskundige is de vraag voorgelegd uit welke bronnen de auto is betaald. Volgens de deskundige is de auto op 1 oktober 2002 betaald vanaf de bankrekening [789]. Op 27 december 2002 is het resterende bedrag van € 260,- van dezelfde bankrekening betaald. Op de bladzijden 14 en 15 van het deskundigenbericht geeft de deskundige zeer gedetailleerd aan uit welke bronnen de rekening [789] is gevoed. De deskundige concludeert dat alle naar bankrekening [789] geboekte bedragen ten behoeve van de betaling van de Chevrolet afkomstig zijn uit bronnen die in de vermogensverrekening tussen partijen betrokken zijn.

36. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, rust op de man de bewijslast om aan te tonen dat de auto niet is gefinancierd uit overgespaard niet gedeeld inkomen. Gelet op het rapport van de deskundige is het hof van oordeel dat de man niet in zijn bewijslast is geslaagd.

De twee levensverzekeringen bij Delta Lloyd

37. Het hof verwijst naar rechtsoverweging 23 van de beschikking van 9 juni 2010, waaruit volgt dat partijen met elkaar zijn overeengekomen dat de waarde van de polissen Delta Lloyd in de verrekening moet worden betrokken.

38. Aan de deskundige is de vraag voorgelegd wat de omvang is van de nominale belastingclaim ter zake van de polissen bij Delta Lloyd per de peildatum 22 april 2003. De deskundige is van oordeel dat de polissen belast zijn in box 1 tegen een percentage van 52. Aan het rapport van de deskundige zijn als bijlage 5 en bijlage 5a een tweetal brieven gehecht van Delta Lloyd met betrekking tot de waarde van de polissen.

39. Voor de waardering van de waarde van de polissen gaat het hof uit van de brief van Delta Lloyd van 26 juli 2010. Voor de vermogensvermeerdering van de polissen in het verrekentijdvak gaat het hof uit van een bedrag van € 63.076,- zoals vermeld op bladzijde 16 van het rapport van de deskundige. Op dit bedrag dient nog de belasting van 52% in mindering te worden gebracht. Dit resulteert in een te verrekenen bedrag van € 63.076,- minus (afgerond) € 32.800,-. ofwel € 30.276,-.

Opnames door de vrouw ter hoogte van € 34.144,-

40. De man heeft gesteld dat de vrouw in de jaren 1998 tot en met 2003 grote en kleine bedragen heeft overgemaakt naar een eigen rekening of de rekening van haar ouders, alsmede dat zij hoge bedragen heeft opgenomen via de betaalautomaat. De man wenst dat een bedrag van € 34.144,- in de verrekening wordt betrokken.

41. De stelling van de man is door de vrouw gemotiveerd weersproken. Geld dat naar de rekening van haar ouders is overgeboekt, zag hetzij op terugbetaling van geleend geld hetzij op betaling van door de ouders van de vrouw voorgeschoten boodschappen. Bedragen die de vrouw opnam van de gezamenlijke rekening zijn aangewend voor het betalen van lasten van het huishouden, schoonmaakkosten, de kosten van oppas en klusjesmannen. De vrouw heeft afschriften van haar rekeningen met de saldi op de peildatum overgelegd.

42. Het hof overweegt als volgt. In het kader van de vaststelling van de verrekeningsvordering is relevant welk vermogen er aanwezig is op de peildatum. De man heeft zijn stelling niet of althans onvoldoende onderbouwd zodat het hof niet heeft kunnen vaststellen dat de vrouw naast de door haar opgegeven saldi nog over andere bedragen beschikte die gerekend dienen te worden tot het te verrekenen vermogen.

Waarborgsommen

43. De man wenst dat de door huurders gestorte waarborgsommen in de verrekening worden betrokken.

44. Door de vrouw is aangevoerd dat waarborgsommen niet aangemerkt kunnen worden als overgespaard inkomen. Volgens de vrouw werden de waarborgsommen op de rekening van de BV ontvangen.

45. Het hof overweegt als volgt. Het terugbetalen van een waarborgsom is een verplichting. In beginsel worden verplichtingen niet in de verrekening betrokken tenzij er een directe koppeling is te maken met het te verrekenen vermogen. In het onderhavige geval heeft de man dit niet aangetoond. De grief van de man treft geen doel.

Incidenteel appel

46. Het hof gaat thans over tot het bespreken van het incidentele appel van de zijde van de vrouw.

[BV X]

47. Volgens de vrouw heeft de man in maart 2003 in [BV X] geïnvesteerd voor een bedrag van € 40.000,-. In de visie van de vrouw had die investering op de peildatum nog een waarde van € 40.000,- hetgeen resulteert in een bedrag voor de vrouw van € 20.000,-.

48. Door de man is gesteld dat hij het slachtoffer is geworden van oplichting. Als gevolg van deze oplichting dient de waarde van de investering te worden gesteld op nihil.

49. Door de deskundige is onderzocht wat de waarde is van de investering in [BV X] per de peildatum 22 april 2003. De deskundige geeft op bladzijde 18 van zijn deskundigenbericht aan dat er sprake is geweest van strafbare feiten door [BV X] gepleegd. Voorts heeft hij geconcludeerd dat de waarde van de investering nihil is.

50. Het hof overweegt als volgt. Gelet op de bevindingen van de deskundige is het hof van oordeel dat de waarde van de investering op de peildatum op nihil kan worden gesteld.

Rekening-courantschuld en kosten van de huishouding

51. De vrouw is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de helft van de rekening-courantschuld per peildatum, neerkomende op een bedrag van € 115.437,-, in de verrekening tussen partijen dient te worden betrokken. De vrouw is van mening dat de rekening-courantschuld van de man een privéschuld is van de man aan zijn BV. De vrouw is van mening dat de schulden van de man voor zijn rekening zijn en blijven en niet onder het verrekenbeding vallen. Het verrekenbeding heeft immers slechts betrekking op het verdelen van overgespaarde inkomsten waartoe deze schuld niet gerekend kan worden. Voorts is niet aangetoond dat de helft van de rekening-courantschuld is besteed aan kosten van de huishouding en het opknappen van onroerend goed dat in de verrekening wordt betrokken. Naar het oordeel van de vrouw is het geld dat via de rekening-courantschuld is opgenomen met name besteed aan het opknappen van onroerende zaken die niet onder het verrekenbeding vallen. Het oordeel van de rechtbank dat de helft van de rekening-courantschuld ziet op de kosten van de huishouding en het opknappen van onroerend goed is in tegenspraak met hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld in de tussenbeschikking van 6 juni 2006. De vrouw is van mening dat zij meer aan de kosten van de huishouding heeft betaald dan waartoe zij was gehouden op grond van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden.

52. Door de man is gesteld dat de rekening-courantschuld van de man in [de BV van de man] enorm is opgelopen, mede ten gevolge van het opnemen van leningen die de man heeft aangewend ten behoeve van onder meer de kosten van de huishouding. Voorts wordt door de man bestreden dat de vrouw meer aan de kosten van de huishouding heeft bijgedragen dan waartoe zij op basis van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden is gehouden.

53. Aan de deskundige is de vraag voorgelegd hoe in de huwelijkse periode de rekening-courantschuld is opgebouwd. Door de deskundige zijn alle rekening-courantmutaties gedurende de periode 1995 tot en met 2004 opgevraagd. De door de accountant van de man aan de deskundige verstrekte informatie bestrijkt alleen de jaren 2000 tot en met 2004. De deskundige heeft de individuele mutaties tot en met het jaar 1999 niet kunnen onderzoeken. Voorts verwijst het hof naar bladzijde 13 van het deskundigenonderzoek en wel de eerste alinea waaruit volgt dat de man na de eerste conceptrapportage bereid was nog aanvullende stukken aan te leveren met betrekking tot het verloop van de rekening-courantverhouding. De door de man verstrekte gegevens, konden niet door de deskundige worden gecontroleerd aangezien de gegevens over die jaren niet konden worden aangesloten met de administratie/jaarrekening of IB-aangifte. Voorts heeft de deskundige op bladzijde 13 zijn conclusie gegeven met betrekking tot de rekening-courant van de man jegens zijn BV.

54. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 21 Rv zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nagekomen, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. In een civiele procedure mag van een partij, in dezen de man, worden verlangd dat hij ook bewijs in het geding brengt dat ten nadele van hem kan werken. De man schrijft in zijn reactie op het conceptdeskundigenbericht van 11 oktober 2011 dat hij desgewenst bereid is zijn aangiften IB en zijn jaarstukken over de periode 1995 tot 2000 over te leggen. Een goede procesorde brengt naar het oordeel van het hof met zich mede dat de man deze gegevens al bij zijn verweerschrift op het incidentele appel in het geding had dienen te brengen zodat de vrouw hierop had kunnen reageren. In de punten 30 en 31 van het verweerschrift op het incidentele appel gaat de man slechts summier in op de rekening-courantverhouding. Voorts verwijst de man naar hetgeen hij in eerste aanleg daarover heeft gesteld. Gezien de enorme omvang van het dossier is het hof van oordeel dat een goede procesorde met zich meebrengt dat de man aangeeft welke stukken de rechter en de vrouw dienen te lezen met betrekking tot de rekening-courant en waar de vrouw en de rechter de in de visie van de man relevante passages in het dossier kunnen vinden. Van de man kan in redelijkheid worden verlangd dat hij aangeeft wat relevant is met betrekking tot de rekening-courantschuld en op basis van welke feiten en omstandigheden de rekening-courantschuld in de verrekening dient te worden betrokken. Uit het verweerschrift volgt dat de man van mening is dat de ophoging van de rekening-courantschuld veroorzaakt is door de kosten van de huishouding.

55. Zoals hiervoor al is overwogen, is er sprake van een complexe financiële verwevenheid van privé- en zakelijke geldstromen. Om de problematiek rond de rekening-courant inzichtelijk te maken heeft de deskundige een voorbeeld gegeven:

”Indien een bedrag wordt onttrokken aan de vennootschap (vermogen van de man buiten de verrekening) en daarmee privé een investering wordt gedaan (vermogen van de man buiten de verrekening), maar vervolgens de onttrekking wordt opgeboekt ten laste van een rekening-courant van de man die in de verrekening wordt betrokken, dan kwalificeert de betreffende privé-investering daardoor onmiddellijk ook als “vatbaar voor verrekening”. Anders zouden onterecht dubbeltellingen ontstaan”.

De deskundige heeft bij de beantwoording van de vragen met betrekking tot de problematiek rond de rekening-courant steeds het hiervoor gegeven voorbeeld gehanteerd en dit bij het antwoord en de conclusie betrokken. Het hof onderschrijft het door de deskundige geformuleerde voorbeeld.

56. In bijlage 3 behorende bij het rapport heeft de deskundige de mutaties, voor zover mogelijk, gecategoriseerd. Zie eveneens bladzijde 13 van het rapport.

57. Naar het oordeel van het hof behoort bij de vaststelling van te verrekenen vermogen in beginsel geen rekening te worden gehouden met schulden. De redelijkheid en billijkheid kan echter met zich meebrengen dat wel met een schuld rekening moet worden gehouden indien de schuld betrekking heeft op de kosten van huishouding of er een directe band is tussen het belegde vermogen en de schuld. Onder meer rekening houdend met het door de deskundige gegeven voorbeeld en het feit dat het aan de man zelf te wijten is dat er geen deugdelijk en volledig inzicht is in de opbouw van de rekening-courantschuld, houdt het hof bij de vaststelling van het te verrekenen vermogen slechts rekening met de navolgende posten:

a. Opgenomen gelden naar beleggingsrekening gestort € 73.661,-

b. Verzekeringspremies [(--)] € 22.708,-

Totaal € 96.369,-

58. De opgenomen gelden neemt het hof mee in de vaststelling van het vermogen aangezien eveneens de daarmee gefinancierde beleggingen in het te verrekenen vermogen zijn meegenomen en dubbeltellingen moeten worden voorkomen. Voorts neemt het hof in de vaststelling van het te verrekenen vermogen de verzekeringspremies voor een bedrag van

€ 22.708,- mee aangezien het te verrekenen vermogen positief is beïnvloed door de premies ten laste te brengen van de rekening-courant van de man jegens zijn BV.

59. De rechtbank heeft de rekening-courantschuld meegenomen in de berekening van het te verrekenen vermogen voor een bedrag van € 115.437,-. Het hof neemt de schuld mee voor een bedrag van € 96.369,-.

60. De stelling van de vrouw dat zij meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan zij gehouden was op grond van de huwelijkse voorwaarden is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. Van de vrouw had dan in redelijkheid kunnen worden verlangd dat zij haar stelling cijfermatig had onderbouwd.

Waardestijging aandelen [de BV van de man]

61. De vrouw is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de waardestijging van de aandelen niet in de verrekening mag worden betrokken. De man heeft tegen de stelling van de vrouw gemotiveerd verweer gevoerd.

62. Het hof verwijst naar hetgeen is overwogen in de beschikking van 9 juni 2010 onder rechtsoverweging 10. De vrouw heeft nog gesteld dat de man als directeur-grootaandeelhouder zich een uiterst gering salaris toekende. Het hof is van oordeel dat de vrouw deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Naar het oordeel van het hof had het op de weg van de vrouw gelegen om cijfermatig aan te geven op grond van welke gegevens geoordeeld dient te worden dat de man een te gering salaris genoot gezien de aard van zijn werkzaamheden. De vrouw had daarbij aansluiting kunnen zoeken bij salarissen die in de branche gebruikelijk zijn. De grief van de vrouw treft geen doel.

Huurinkomsten

63. In grief 7 van het incidentele appel stelt de vrouw dat in de verrekening moeten worden betrokken de huurinkomsten met betrekking tot de panden zoals vermeld onder de punten 75 en 76 van het verweerschrift tevens incidenteel appel. De huurinkomsten werden door de man ontvangen op een rekening van [de BV van de man]. Omdat de rekeningen van [de BV van de man] niet in de verrekening zijn betrokken, zijn ook de huurinkomsten van de panden niet in de verrekening betrokken.

64. Het hof overweegt als volgt. Uit het deskundigenbericht volgt dat de huuropbrengsten met betrekking tot de panden [adres 2] te [gemeente b] en [adres 1] te [gemeente a] zijn ontvangen op een rekening van de man.

65. Voor de vaststelling van de verrekeningsvordering is het vermogen dat op de peildatum aanwezig is relevant. Indien de huuropbrengsten van de andere door de vrouw genoemde panden zijn gestort op de rekening van [de BV van de man] dan dienen deze huuropbrengsten in de rekening-courant van de man te zijn verwerkt. Vaststaat dat de man op de peildatum een schuld in rekening-courant had aan [de BV van de man]. Het hof gaat er derhalve vanuit dat de huuropbrengsten op de peildatum waren verdampt. De grief treft geen doel.

VOF [Z]

66. De vrouw is het er niet mee eens dat zij moet bijdragen in de negatieve waarde van de VOF [Z]. Volgens de vrouw heeft de participatie in de VOF [Z] € 12.500,- gekost. De vrouw begrijpt niet dat de rechtbank van een negatieve waarde is uitgegaan. De man is van mening dat de participatie een negatieve waarde heeft van € 12.500,-.

67. Aan de deskundige is opgedragen de waarde van het aandeel van de man in de VOF [Z] vast te stellen op de peildatum. Het hof verwijst naar de bladzijden 13 en 14 van het deskundigenbericht. De deskundige heeft de waarde van het aandeel vastgesteld op een bedrag van € 11.768,-. Naar het oordeel van het hof dient de waarde van dit aandeel in de verrekening te worden betrokken. Het aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn verkregen uit overgespaard inkomen tenzij de man het tegendeel aantoont. Door de man is niet bestreden dat het aandeel in de verrekening moet worden betrokken, de man heeft zijn verweer gericht op de waarde. De man geeft in zijn reactie op het conceptrapport slechts aan dat de rechtbank rekening heeft gehouden met het door de vrouw niet betwiste saldo. Naar het oordeel van het hof heeft de man niet aangetoond dat op de waarde van het aandeel in de VOF [Z] enig bedrag in mindering moet worden gebracht. De grief van de vrouw treft doel.

Conclusie verrekeningsvordering

68. De rechtbank heeft onder het kopje conclusie een overzichtelijke samenvatting gegeven van de verrekeningsvordering. Het hof zal zulks eveneens doen met in achtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

69. De man is aan de vrouw verschuldigd:

a. ter zake van het pand [adres 2] te [gemeente b] € 44.060,-

b. ter zake van het pand [adres 1] te [gemeente a] € 41.642,-

c. ter zake van de bank, giro- en spaarrekeningen van de man € 3.969,-

d. ter zake van de bank, giro- spaarrekeningen van de vrouw € 1.070,-

e. ter zake van de aandelen en effecten van de man € 19.777,-

f. ter zake van de auto Chevrolet € 28.000,-

g. ter zake van de terugbetalingen van twee leningen van ieder NLG 10.000,- € 9.076,-

h. ter zake van de auto Nissan € 1.500,-

i. ter zake van de waarde van de verzekeringen bij Delta Lloyd € 15.138,-

j. ter zake van de waarde van de VOF [Z] € 5.884,-

k. totaal € 170.116,-

70. De man mag op het bedrag in mindering brengen:

a. de belastinglatentie met betrekking tot het pand [adres 2] € 4.899,-

b. de helft van de schuld in rekening-courant € 96.369,- : 2 = € 48.184,50

c. totaal € 53.083,50

71. Het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen bedraagt € 117.032,50 te vermeerderen met de wettelijke rente. De vrouw vordert de wettelijke rente vanaf datum feitelijk uiteengaan, althans 12 februari 2008, althans de datum van indiening van onderhavig processtuk, althans de datum door het hof in goede justitie te bepalen. Naar het oordeel van het hof is de vordering die de vrouw heeft op de man rentedragend vanaf het moment van indiening van het verzoek tot echtscheiding, zijnde 23 augustus 2005, welke datum gelegen is na het feitelijk uiteengaan van partijen. Het feit dat op dat moment de vordering voor wat de omvang nog niet bekend was, doet niet af aan de opeisbaarheid daarvan. Het hof verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 2 december 2011 (LJN: BU6591). In casu hebben partijen geen andersluidende afspraken gemaakt.

Pensioenverevening

72. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis beslist: verklaart voor recht dat de vrouw recht heeft op verevening van het ouderdomspensioen dat de man heeft opgebouwd in [de BV van de man] en bij [zijn bedrijfspensioenfonds].

73. In haar eerst incidentele grief stelt de vrouw dat zij er een belang bij heeft dat tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten in [de BV van de man] worden afgestort onder een door de vrouw aan te wijzen levensverzekeringsmaatschappij. De vrouw vordert expliciet om afstorting van het aan haar toekomende deel van het pensioen bij een verzekeringsmaatschappij. De vrouw heeft in haar toelichting nog gewezen op het arrest van de Hoge Raad 9 februari 2007. In de visie van de vrouw dient niet alleen gekeken te worden of de onderneming over voldoende liquide middelen beschikt maar of liquide middelen kunnen worden vrijgemaakt zonder de continuïteit van de bedrijfsvoering daarvan in gevaar te brengen.

74. De man heeft in punt 18 van zijn verweerschrift op het incidentele appel gesteld dat hij casu quo de vennootschap nog steeds niet middelen vrij zou kunnen maken teneinde een afstorting te doen van het aan de vrouw toekomende deel van het ouderdomspensioen vermeerderd met het bijzonder nabestaandenpensioen.

75. Aan de deskundige zijn onder meer de volgende vragen voorgelegd:

a. Wat is de waarde van de pensioenaanspraak van de vrouw per 27 november 2006 (datum echtscheiding)?

b. Komt bij afstorting van de berekende pensioenaanspraak van de vrouw onder een verzekeringsmaatschappij - gelet op de financiële stukken van 2008 - de continuïteit van de onderneming van de man in gevaar?

76. De deskundige heeft zich met betrekking tot de pensioenproblematiek laten bijstaan door Akkermans & Partners Pensioen Netwerken, specialisten op het gebied van pensioenproblematiek. Akkermans & partners heeft bij brief van 21 juni 2011 aan de deskundige advies uitgebracht. Het stond de deskundige vrij om zich door derden te laten bijstaan in zijn onderzoek. Het hof verwijst naar rechtsoverweging 43 van de beschikking van 9 juni 2010.

77. De waarde van het pensioen op 27 november 2006 bedraagt € 72.821,- en indien de pensioenrechten van de vrouw zouden zijn afgestort op 1 juli 2011 bedraagt het bedrag dat benodigd is voor de pensioenrechten van de vrouw € 102.013,-.

78. Het hof overweegt als volgt. In beginsel kan de vrouw van de man verlangen dat hij als directeur-grootaandeelhouder van [de BV van de man] zorg draagt voor de afstorting van een zodanig bedrag dat de rechten van de vrouw zijn verzekerd bij een onafhankelijke levensverzekeringsmaatschappij. Afstorting kan niet worden gevorderd indien als gevolg van de afstorting de continuïteit van de onderneming in gevaar komt. Van belang is in dat kader dat de man gemotiveerd aangeeft waarom afstorting niet tot de mogelijkheden behoort. Het had in beginsel op de weg van de man gelegen om aan de hand van liquiditeit, solvabiliteit, rentabiliteit alsmede een kasstroomoverzicht aan te tonen welke bedrijfseconomische en financiële gevolgen er voor de BV zijn indien het pensioen in eigen beheer moet worden afgestort. Het is de taak van de man als bestuurder van de vennootschap om het vennootschappelijk belang te toetsen aan de mogelijke gevolgen van een afstorting voor de vennootschap. In dat kader had de man bijvoorbeeld een sterkte-zwakteanalyse van de BV in het geding kunnen brengen. De man is hierop door het hof gewezen, zie het proces-verbaal van de zitting van 21 juli 2010, bladzijde 5. In zijn reactie op het conceptdeskundigenbericht gaat de man niet in op de continuïteit van [de BV van de man] indien over dient te worden gegaan tot afstorting.

79. De deskundige heeft op bladzijde 17 van zijn rapport gesteld:

”Gezien de vermogensbestanddelen van de man in privé, de winstontwikkeling in de jaren 2008 en 2009 bij de ondernemingen van de man, moet de man in staat worden geacht een zodanig deel van zijn schuld aan de BV af te lossen ter aanvulling van de aanwezige liquiditeit, dat het pensioen van de vrouw kan worden afgestort. De continuïteit van de onderneming van de man zal daardoor niet in gevaar komen.”

80. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, kan de vrouw van de man verlangen dat hij haar pensioenaanspraken zal afstorten onder een door haar aan te wijzen levensverzekerings-maatschappij.

81. Het is een algemeen bekend gegeven dat de marktrente van invloed is op de hoogte van het bedrag dat moet worden afgestort. Bij een lage marktrente dient een hoger bedrag te worden afgestort dan wanneer er sprake is van een hogere rente. Het is de verplichting van de BV om aan de pensioenrechten van de vrouw te voldoen. Dat voor het voldoen van die verplichting tot afstorting op het moment van de afstorting een hoger bedrag nodig is dan op het moment van de echtscheiding komt in beginsel voor rekening en risico van de vennootschap. Dit kan anders zijn indien door de afstorting van de pensioenrechten van de vrouw de door de man in de vennootschap opgebouwde pensioenrechten niet meer te verwezenlijken zijn of de continuïteit van de onderneming alsnog in gevaar komt.

82. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, dient door de man te worden afgestort een bedrag van € 102.013,-.

Kosten deskundige

83. Partijen zijn door het hof vooraf gewezen op de hoge kosten die gemoeid zijn met deskundigenonderzoek.

84. In punt 86 van bladzijde 35 van het verweerschrift tevens incidenteel appel stelt de vrouw zelf het punt deskundigenonderzoek al aan de orde

85. De omvang van het dossier, de complexe financiële verwevenheid (hetgeen ook door de deskundige is geconstateerd) en de complexe vraagstukken op het gebied van pensioen in eigen beheer, bedrijfscontinuïteit en onderzoek naar geldstromen waren voor het hof de directe aanleiding om een registeraccountant tot deskundige te benoemen.

86. In het kader van het deskundigenonderzoek heeft een regiezitting plaatsgevonden waarbij de vragen voor de deskundige met partijen en hun advocaten uitvoerig zijn besproken. Uit het proces-verbaal van de zitting volgt dat de raadsheer-commissaris aan partijen de vraag heeft voorgelegd of er nog aanvullende vragen waren. Beide advocaten hebben ter zitting aangegeven dat de vraagstelling volledig was. De deskundige diende twaalf complexe vragen te beantwoorden. Uit het deskundigenrapport volgt dat het eerste conceptrapport gereed was in oktober 2011. Voorts volgt uit het rapport dat nadien door de man zes dozen met gegevens aan de deskundige zijn verstrekt, welke gegevens de deskundige opnieuw heeft moeten controleren.

87. De kosten van de deskundige hadden kunnen worden beperkt indien de man op een inzichtelijke wijze de financiële gegevens had aangeleverd aan de deskundige.

88. Gezien de omvang van het onderzoek, de aard van de problematiek en het financiële belang dat er voor beide partijen mee gemoeid is, acht het hof de door de deskundige gemaakt kosten van € 42.325,11 redelijk en billijk.

89. In aanmerking genomen dat een deel van de kosten met name zijn veroorzaakt door de handelwijze van de man - de wijze waarop door hem de administratie is gevoerd, het eerst na een conceptrapportage aanleveren van een grote hoeveelheid aanvullende en tot dusver onbekende financiële en administratieve gegevens - acht het hof het redelijk en billijk dat drie vierde van de kosten worden gedragen door de man en een vierde door de vrouw.

Gedeeltelijke vernietiging en aanvulling van de bestreden beschikking

90. Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, dient een deel van de bestreden beschikking te worden vernietigd.

91. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij is bepaald dat de man aan de vrouw ter zake van verrekening van bespaarde inkomsten dient te voldoen een bedrag van € 85.126,-, nog te vermeerderen met de helft van de waarde van de verzekeringen bij Delta Lloyd nummers [123] en [456] per de peildatum, nadat op de waarde de premiebetalingen die zijn verricht voor het aangaan van het huwelijk in mindering zijn gebracht, één en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

veroordeelt de man om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te betalen de somma van € 117.032,50 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2005 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de man om er zorg voor te dragen dat binnen een maand nadat de vrouw een verzekeringsmaatschappij heeft aangewezen, er een bedrag wordt afgestort van € 102.013,-;

stelt de kosten van de deskundige vast op een bedrag van € 42.325,-;

bepaalt dat de man drie vierde van de kosten van de deskundige dient te betalen, zijnde € 31.744,-;

bepaalt dat de vrouw een vierde van de kosten van de deskundige dient te betalen, zijnde € 10.581,-;

bepaalt dat de griffier van dit hof aan de deskundige betaalbaar stelt de somma van € 31.744,- en dat het restant van het depot aan de man wordt teruggestort;

verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat een afschrift van deze beschikking wordt verstrekt aan de deskundige;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders is verzocht;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Van Dijk en Mertens-de Jong, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

19 juni 2013.