Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:CA3993

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
21-06-2013
Zaaknummer
200.074.925
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verdeling. Uitleg overeenkomst met betrekking tot (wijziging) medeeigendom. Waardering pand: WOZ waarde of taxatiewaarde. Aandeel van de man: percentage taxatiewaarde of overwaarde. Huurinkomsten: artikel 3:172 BW. Saldo bankrekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel

Zaaknummer : 200.074.925/01

Zaak-/ rolnummer rechtbank : 336460/ HA ZA 09-1465

arrest van 9 april 2013

inzake

de man,

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. J.C.J. Smallenbroek te Leiderdorp,

tegen

de vrouw

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel,

advocaat: mr. J.A.M. Koorn-Harkema [plaatsnaam].

Verder verloop van het geding in hoger beroep

Bij arrest van 27 november 2012, waarvan de inhoud hier wordt geacht te zijn ingelast, is een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden 7 februari 2013. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt.

Partijen hebben er ter comparitie mee ingestemd dat het hof arrest zal wijzen op de beide (kopie)dossiers welke partijen met het oog op de comparitie gefourneerd hebben.

Verdere beoordeling in hoger beroep

1. Tegen de feiten zoals die door de rechtbank in r.o. 2 van het bestreden vonnis zijn vastgesteld is in beroep niet opgekomen, zodat het hof daarvan uit zal gaan.

2. Het gaat in deze zaak in hoger beroep om het volgende.

Partijen twisten in het kader van hun echtscheiding over de financiële afwikkeling met betrekking tot een aantal vermogensbestanddelen:

- aanspraken ter zake het pand [straat A] te [plaatsnaam] (hierna ook: het pand of: de [straat A]) en de huuropbrengsten daarvan,

- de vraag of al dan niet sprake is van een lening van de man aan de vrouw ter grootte van € 30.000,- voor de financiering van de aankoop van de [straat B] te [plaatsnaam] (hierna ook: de [straat B])

- verdeling van een bedrag van (€ 34.573,- minus genoemde € 30.000,- zijnde) € 4.573,- in het kader van de aankoop van de [straat B] te [plaatsnaam]

- de toedeling van het saldo van de betaalrekening bij ING met nummer 68.08.50.252.

Het hof zal in het navolgende deze kwesties achtereenvolgens behandelen.

3. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis overwogen dat de verdeling goederen in Nederland betreft en dat de rechtbank, in overeenstemming met het door partijen ingenomen standpunt, de daarop betrekking hebbende geschilpunten zal beslissen naar Nederlands recht. Tegen dit oordeel is niet opgekomen, zodat ook het hof uitgaat van de toepasselijkheid van Nederlands recht op de partijen verdeeld houdende geschilpunten.

[Straat A] te [plaatsnaam]

WOZ waarde of taxatiewaarde van het pand

4. De man heeft met betrekking tot de aanspraken inzake het pand in eerste aanleg, tijdens de comparitie van partijen op 19 januari 2010, verklaard: “Mevrouw en ik hebben overeenstemming bereikt over de taxatie van het pand aan de [straat A]. Wij zullen een gezamenlijke opdracht geven aan Basis Bedrijfshuisvesting in [plaatsnaam]. Bij de taxatie zal worden uitgegaan van de bovenetages in verhuurde staat en van de benedenetage (de winkel) in onverhuurde staat”.

Blijkens genoemde taxatie is de waarde vastgesteld op € 320.000,-. Peildatum: 16 februari 2010. In hoger beroep bepleit de man uit te gaan van de WOZ-waarde per 1 januari 2009, zijnde € 375.000,-. Het hof verwerpt dit betoog. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij de waardebepaling in het kader van de WOZ wordt uitgegaan van een waarde in onverhuurde staat. Het taxatierapport is duidelijk uitgegaan van een verhuursituatie, zoals ook door partijen is afgesproken. Het hof ziet in hetgeen de man overigens naar voren brengt geen aanleiding het rapport te passeren of zelf een deskundige te benoemen. Hetgeen de man verder nog opwerpt voert niet tot een ander oordeel. Het hof zal, evenals de rechtbank, uitgaan van een waarde van € 320.000,-.

Aandeel van de man: 30 % van de taxatiewaarde of 30% van de overwaarde

5. Vervolgens is in geschil of de man aanspraak heeft op 30 % van de waarde zonder rekening te houden met de hypotheekschuld, zijnde 30% van genoemde € 320.000,-, dan wel 30% van de overwaarde, welke overwaarde € 210.800,- bedraagt (€ 320.000,- minus de hypotheekschuld van € 109.200,-). De rechtbank acht een verdeling van de overwaarde (en dus niet van de taxatiewaarde) in de verhouding 70:30 (de vrouw versus de man) het meest redelijk. De hypothecaire schuld is een schuld van beide partijen samen, zodat het niet voor de hand ligt om aan te nemen dat de afspraak van partijen waarin een verhouding 70-30% wordt genoemd, meebrengt dat de man ook in hun onderlinge verhouding niet aansprakelijk is voor het restant van deze schuld. De redelijkheid van deze uitleg blijkt ook hieruit, aldus de rechtbank, dat het door de man bepleite standpunt erop zou neerkomen dat hij per saldo een veel hoger bedrag aan het pand zou overhouden dan de vrouw. Dit strookt niet met de 70/30% verdeling, en ook niet als daarbij wordt uitgegaan van de redenen die hebben bestaan om tot deze afspraak te komen, aldus nog steeds de rechtbank in het bestreden vonnis.

6. Ter zitting in hoger beroep is wederom duidelijk geworden dat partijen indertijd de ratio van de afspraak niet (goed) besproken hebben en daar thans nog steeds verschillende visies op hebben. Niet in geschil is dat de vrouw in 2005 vond dat zij de volledige eigendom van het pand zou moeten krijgen, naar het hof begrijpt zonder tegenprestatie, omdat zij sinds de koop in 2003 alle lasten van het pand betaalde vanaf de bankrekening van haar kapsalon. Daarop kwamen de inkomsten van haar kapsalon binnen evenals de huurinkomsten van het pand aan de [straat A]. De man heeft zich toen tegen deze wens van de vrouw verzet. Als compromis is de thans in geschil zijnde overeenkomst gesloten. Die overeenkomst is opgesteld door de man in overleg met de gezamenlijke boekhouder van partijen. De vrouw stelt te dien aanzien: “Ik betaalde toch al alle lasten. Met de overeenkomst van 2005 veranderde er niets”. Ofwel: financieel gezien was het mijn pand en dat is het gebleven.

7. De man heeft ter comparitie blijk gegeven van een ander standpunt. Hij ziet de transactie als een koopovereenkomst. Volgens hem heeft de vrouw met de overeenkomst van 2005 20% van het pand (het aandeel van de man van 50% werd 30%) van hem gekocht. De vrouw heeft als tegenprestatie het aandeel van de man in de hypotheekschuld (50%) van hem overgenomen. De vrouw heeft in ruil daarvoor 20% van de eigendom en aanspraak op 70% van de huuropbrengsten (in plaats van 50%) teruggekregen. Voor het gebruik van de onderneming neemt ze de andere lasten over en ze zit er met haar kapsalon gratis in (hof: volgens het taxatierapport bedraagt de economische huurwaarde van de winkel € 12.500,- per jaar), naar het hof begrijpt zonder huurbetaling aan de man voor diens aandeel in de eigendom. Bovendien wijst de man er op dat de vrouw het exclusieve recht op de [straat B] kreeg. De tegenprestatie voor dit alles bestaat uit betaling van de (rente en aflossing) lasten.

8. Het hof overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat niet in geschil is dat de vrouw vanaf 2003 tot de overeenkomst van 2005 vanaf de rekening van haar kapsalon alle lasten van het pand betaalde, derhalve ook het deel van de eigenaarlasten - de helft -, waaronder de hypotheekrente, die op grond van artikel 3:172 BW voor rekening van de man kwamen. De man droeg daaraan niet bij anders dan door inbreng van de helft van de hem toekomende netto-huurinkomsten, welke ook op de bankrekening van de kapsalon binnenkwamen. Daarnaast betaalde de vrouw, naar het hof begrijpt, ook alle kosten van de huishouding van het gezin van partijen: ook daaraan droeg de man in die jaren weinig tot niets bij.

9. Het hof is tegen die achtergrond van oordeel dat het standpunt van de vrouw ten aanzien van de ratio van de overeenkomst uit 2005 – kort gezegd: de man heeft geen recht op 30% van de taxatiewaarde, maar slechts op 30% van de overwaarde (zijn deel van de schuld blijft staan) in combinatie met haar stelling dat hij ook geen recht heeft op (30% van de) huuropbrengsten – onvoldoende duidelijk maakt waarin nu volgens de vrouw haar tegenprestatie voor het verkrijgen van een aanspraak van 20% ter zake het eigendomsrecht, 70% van de huuropbrengsten, gebruik van de benedenetage voor haar kapsalon zonder huurbetaling aan de man, nu volgens de vrouw (wel) is gelegen. Het hof acht tegen die achtergrond het standpunt van de man plausibeler voor zover hij betoogt dat de vrouw, in ruil voor genoemde 20% in de eigendom, in hun onderlinge verhouding zijn deel van de hypotheekschuld – de helft - heeft overgenomen. Dat stemt voor wat betreft de bedragen – 20% van € 320.000,- is € 64.000,- en de helft van de hypotheekschuld was toen ongeveer € 55.000,- ook enigszins overeen. Het voorgaande past ook in een redelijke uitleg van de overeenkomst van 22 oktober 2005, waar immers vermeld staat: “Bij deze verdeling komen beiden overeen dat alle lasten welke drukken op beide panden, ongeacht de aard of oorsprong hiervan, zullen drukken op het inkomen van [de vrouw]. Zij vrijwaart daarbij [de man] uitdrukkelijk van alle lasten die genoemde panden met zich meebrengen”. Dit heeft tot gevolg dat naar het oordeel van het hof de overeenkomst voor wat betreft dit aspect redelijkerwijs aldus moet worden uitgelegd dat de man recht heeft op 30% van de waarde in plaats van de overwaarde. Het hof betrekt daarbij nog dat tot de zitting in eerste aanleg van 9 maart 2010 door de (advocaat) vrouw zowel in de correspondentie als in de processtukken ook consequent is gesproken over 30% van de taxatiewaarde. Eerst ter gelegenheid van de comparitie op 9 maart 2010 stelt de vrouw: “In de berichten van mijn advocaat aan de rechtbank in de echtscheidingsprocedure is mogelijk ten onrechte de indruk gewekt dat meneer recht heeft op 30% van de waarde van het pand zonder rekening te houden met de hypotheekschuld. Dit is uiteraard niet de bedoeling: vanzelfsprekend ging het om 30% van de overwaarde”. Zonder een duidelijke nadere toelichting van de zijde van de vrouw ter zake de contraprestatie, die ontbreekt, acht het hof die koerswijziging van de (advocaat van) de vrouw ter zitting niet goed begrijpelijk.

10. Het vorenstaande brengt mee dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen. Het hof zal het pand aan de vrouw toedelen en de bepalen dat de vrouw in dat verband aan de man dient te betalen een bedrag van 30% van € 320.000,- ofwel € 96.000,-.

Huurinkomsten [straat A]

11. Uitgangspunt in deze is artikel 3:172 BW. Dat bepaalt dat, tenzij een regeling anders bepaalt, deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen delen in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijke goed oplevert, en zij moeten in dezelfde evenredigheid bijdragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen welke bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht. De vraag is derhalve of en in hoeverre partijen in 2005 een van dit artikel afwijkende regeling hebben getroffen. Rekening houdende met hetgeen hiervoor omtrent de ratio van de overeenkomst is overwogen, is het hof van oordeel dat de man geen aanspraak meer toekomt op (30% van) de huuropbrengsten.

12. Het hof overweegt daartoe als volgt. Zoals hierboven reeds overwogen is niet in geschil dat de vrouw sedert 2003 tot de overeenkomst van 2005 vanaf de rekening van haar kapsalon alle lasten van de [straat A] betaalde, derhalve ook het deel van de eigenaarlasten, waaronder de hypothecaire lasten, die op grond van artikel 3:172 BW voor rekening van de man kwamen. Die lasten werden tot 2005 mede betaald met het deel (50%) van de man in de huuropbrengsten. De man heeft in alle jaren sinds de verkrijging van het pand in 2003 tot de aanvang van deze procedure ook nooit aanspraak gemaakt op zijn deel van de huuropbrengsten. Tegen die achtergrond acht het hof het standpunt van de vrouw ter zake de huuropbrengsten het meest voor de hand liggend. Het hof acht aannemelijk dat in 2005 door partijen in redelijkheid is beoogd dat de vrouw – net als de jaren voordien – (ook) zelf alle lasten van de [straat A] zou (blijven) voldoen, ongeacht de aard of oorsprong hiervan, derhalve ook de eigenaarslasten ter zake het (eerst 50% en thans) 30% deel in de eigendom van de man, waaronder (eerst 50% en thans) 30% van de door partijen te betalen hypotheekrente, en dat het de bedoeling was haar met het oog daarop 100% van de vruchten - de huurinkomsten – ter beschikking te stellen, zulks in afwijking van artikel 3:172 BW. Daaraan staat niet in de weg dat de vrouw het (50%) aandeel van de man in de hypotheekschuld als eigen schuld heeft overgenomen. Immers, de vrouw heeft dat aandeel wel overgenomen, maar partijen wisten zeer wel dat ook dat deel van de schuld jegens de bank bleef openstaan en ter zake dat deel nog steeds hypotheekrente betaald zou moeten worden. De vrouw gebruikte daarvoor, net als voordien, mede het aandeel van de man in de huurinkomsten, zijnde vruchten in de zin van artikel 3:172 BW.

Financiering van de aankoop van de [straat B]

13. Tussen partijen staat vast dat dit woonhuis in zijn geheel eigendom is van de vrouw. Ook staat vast dat de koop daarvan mede is gefinancierd met een bedrag van € 30.000,- dat partijen hebben ontvangen als overnamesom van de toenmalige winkel van de man aan de [straat C] te [plaatsnaam]. In geschil is of ten deze sprake is van een lening van de man aan de vrouw, zodat de vrouw tot terugbetaling gehouden is. Vast staat dat het huis op 7 oktober 2005 is gekocht door de vrouw. Dit stemt overeen met het bepaalde in de overeenkomst van 22 oktober 2005. De vierde grief van de man richt zich tegen de overweging van de rechtbank: “De rechtbank leidt uit dit een en ander af dat [de man], hoewel die som afkomstig was uit zijn winkel, geen aanspraak heeft op terugbetaling van dit bedrag”. Volgens de man is dit oordeel onbegrijpelijk. De rechtbank constateert dat de man € 30.000,- heeft betaald. Die opbrengst kwam uit de verkoop van de winkel. Er is geen titel op grond waarvan de vrouw kan menen dat het geld aan haar toebehoort, aldus de man in zijn grief. De vrouw heeft in hoger beroep wederom betwist dat sprake is geweest van een lening van de man aan de vrouw. De vrouw stelt dat zij tot drie keer toe heeft geïnvesteerd in bedrijven van de man, waaronder € 45.000, - in de winkel in de [straat C], naar het hof begrijpt in de vorm van een lening van haar aan de man. De man heeft als overnameprijs voor die winkel (slechts) het litigieuze bedrag van € 30.000,- ontvangen. De vrouw heeft dit bedrag opgeëist bij de man, maar die heeft dit aanvankelijk geweigerd. Het bedrag is op 28 oktober 2005 uiteindelijk van de gemeenschappelijke bankrekening van partijen doorgestort naar de notaris. Op dat moment was er al overeenstemming bereikt tussen partijen over de besteding van dit bedrag en was de overeenkomst van 22 oktober 2005 al van kracht. De man was er mee bekend dat a. dit bedrag werd aangewend als inbreng in de [straat B] en b. dat de [straat B] 100% eigendom was van de vrouw. Het hof is van oordeel dat de man in het licht van dit uitvoerige betoog, dat ook in eerste aanleg naar voren is gebracht, ter toelichting op zijn grief in beroep niet kan volstaan met de kale betwisting, inhoudende dat er geen titel is op grond waarvan de vrouw kan menen dat het geld aan haar toebehoort. Gezien die niet onderbouwde betwisting neemt het hof de door de rechtbank gegeven beslissing en de daarvoor gegeven motivering over en maakt die tot de zijne. Het lag op de weg van de man nader te adstrueren waarom genoemd bedrag, afkomstig van de verkoop van de winkel van de man, van de gezamenlijke rekening van partijen onder de notaris is gestort ter betaling van de koopprijs van de [straat B], waarvan de man op dat moment zeer wel wist dat deze enkel en alleen eigendom van de vrouw zou worden, aan hem (ten titel van lening) zou moeten worden terugbetaald.

Het saldo van de bankrekening onder nummer [..]

14. De rechtbank heeft het saldo van de ten name van beide partijen staande bankrekening met genoemd nummer toegedeeld aan de vrouw, zonder verdere verrekening met de man. Volgens de rechtbank was dit op zichzelf geen geschil tussen partijen. De man betoogt in beroep dat dit saldo bij helfte dient te worden verdeeld, waarbij aan de vrouw de verplichting wordt opgelegd de informatie te verschaffen om dit saldo vast te stellen door afgifte in kopie of origineel van afschriften over de periode 15 februari 2007 tot en met 15 maart 2007. De vrouw betwist dit. Het hof overweegt als volgt. Naar het oordeel van het hof voldoet de grief niet aan de daaraan te stellen eisen. Voor het hof (en de vrouw) is niet duidelijk op grond waarvan de man het oordeel van de rechtbank, dat deze kwestie tussen partijen in eerste aanleg niet in geschil was, nu precies beoogt te bestrijden in hoger beroep. Reeds daarom faalt deze vijfde grief van de man.

Het bedrag van € 4.573,-

15. Volgens de man is een bedrag van € 4.573,- van de bankrekening van partijen als onderdeel van een overboeking van € 34.573,- aan notariskantoor Teekens & Karstens betaald ter zake van de aankoop van de [straat B], zodat de vrouw (naast de terugbetaling van het bedrag van € 30.000,- , behandeld in rechtsoverweging 13) de helft van dat bedrag - € 2.286,- - verschuldigd is aan de man. De vrouw heeft dit betwist. Volgens haar is naast genoemd bedrag van € 30.000,- van de gezamenlijke rekening nog een bedrag van € 4.573,- aangewend ten behoeve van de [straat B]. De man heeft hiermee ingestemd, nu hij immers eigenlijk nog een schuld aan de vrouw moest inlossen van € 45.000,-. Van verdeling van dit bedrag bij helfte tussen partijen kan daarom geen sprake zijn, aldus de vrouw. Het hof is van oordeel dat de grief slaagt. Niet in geschil is dat het bedrag van € 4.573,- afkomstig is van een gezamenlijke rekening van partijen. Zonder nadere onderbouwing van de zijde van de vrouw, welke ontbreekt, valt niet in te zien dat de enkele omstandigheid dat van de gezamenlijke rekening € 4.573,- ten behoeve van de [straat B] is aangewend, zou meebrengen dat de man geen aanspraak kan maken op de helft daarvan. Dat ter zake dit bedrag sprake is geweest van een beoogde aflossing door de man van een vermeende schuld aan de vrouw is wel gesteld, maar niet gebleken. Het hof zal de vrouw derhalve veroordelen tot betaling aan de man van € 2.286,- te vermeerderen met de wettelijke rente als in het dictum te melden.

16. Het vorenstaande brengt mee dat de grieven van de man ten dele slagen. Het hof zal voor alle duidelijkheid het gehele vonnis vernietigen en beslissen als na te melden.

Proceskosten/bijkomende kosten die voortvloeien uit de executie

17. Het hof zal de proceskosten compenseren als na te noemen nu partijen ex-echtgenoten zijn. Het hof ziet geen aanleiding te bepalen dat de kosten ter uitvoering van het te wijzen arrest alsmede bijkomende kosten voor rekening van de vrouw komen zoals voorts nog gevorderd.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van 21 april 2010 van de rechtbank ’s-Gravenhage tussen partijen gewezen en opnieuw beslissende:

bepaalt dat de verdeling tussen partijen als volgt zal plaatsvinden:

- het pand [straat A] wordt toegedeeld aan de vrouw;

- in de verhouding tussen partijen dient de vrouw de hypotheekschuld (ING) met betrekking tot het pand [straat A] en de lening van A. [de man] als eigen schulden voor haar rekening te nemen, met vrijwaring van de man ter zake en met de verplichting om zich ervoor in te spannen dat ING en A. [de man] meewerken aan het ontslag van de man uit diens verplichtingen jegens deze schuldeisers;

- het saldo op de bankrekening (ING met nummer ..) wordt toegedeeld aan de vrouw, zonder verdere verrekening met de man;

- de vrouw dient aan de man te betalen de som van € 96.000,- als zijnde zijn aandeel in de waarde van het pand [straat A] te [plaatsnaam];

- de vrouw dient aan de man ter zake van de aankoop van de [straat B] te [plaatsnaam] nog een bedrag van € 2.286,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van dit arrest tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Kamminga, Mink en Van de Poll en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2013 in aanwezigheid van de griffier.