Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:CA2674

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
10-06-2013
Zaaknummer
BK-11/00849
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat de aanmaning op het adres van de secretaris van belanghebbende is ontvangen of aangeboden, dan wel dat die aanmaning belanghebbende anderszins heeft bereikt. Verzuimboete van € 615 passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-1557
V-N Vandaag 2013/1363
V-N 2013/39.6

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-11/00849

Uitspraak d.d. 9 april 2013

in het geding tussen:

Stichting [X], statutair gevestigd te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/Rijnmond, de Inspecteur,

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 oktober 2011, nummer AWB 11/3761, betreffende de hierna vermelde aanslag en beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft voor het jaar 2009 ambtshalve aan belanghebbende een primitieve aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een geschatte belastbare winst van € 4.849. Na verrekening van compensabele verliezen bedraagt de aanslag nihil. Gelijktijdig is aan eiseres bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 2.460 wegens het niet indienen van de aangifte.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de verzuimboete gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht is geheven van € 302. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar en de boetebeschikking vernietigd, de Inspecteur gelast het griffierecht van € 302 aan belanghebbende te vergoeden en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van € 1.092 aan belanghebbende wegens proceskosten.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 26 februari 2013, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3. In hoger beroep is op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Per 10 mei 2010 is [A] te [Q] als secretaris van belanghebbende opgevolgd door [B], wonende aan de [adres]. Dit adres is met ingang van die datum in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel opgenomen als het correspondentieadres van belanghebbende.

3.2. Belanghebbende heeft per 17 juni 2010 bij de Belastingdienst als verplicht toezendadres voor alle fiscale correspondentie het adres van [B] geregistreerd.

3.3. Tot de bijlagen bij het verweerschrift behoren afschriften van brieven van 6 juli 2010 en van 13 september 2010 gericht aan belanghebbende, P/A [adres]. De brieven zijn geschreven uit naam van:

”De inspecteur,

mr. [C]

Belastingdienst/Centrale administratie”

doch zijn niet ondertekend.

De inhoud van de brieven luidt, voor zover thans van belang:

3.3.1. Brief van 6 juli 2010:

”Herinnering aangifte 2009

(…)

U moet over de periode 1 januari 2009 – 31 december 2009 aangifte doen voor de Vennootschapsbelasting.

U moest vóór 1 juni 2010 aangifte doen. U hebt dit nog niet gedaan. Misschien bent u vergeten om aangifte te doen, of heeft de aangifte ons niet bereikt.

Wat moet u doen?

U moet alsnog aangifte doen. Deze aangifte moet vóór 20 juli 2010 bij ons binnen zijn.

(…)”

3.3.2. Brief van 13 september 2010:

”Aanmaning aangifte 2009

(...)

U moet over de periode 1 januari 2009 – 31 december 2009 aangifte doen voor de Vennootschapsbelasting.

De aangifte moest vóór 1 juni 2010 bij ons binnen zijn. Op 6 juli 2010 heb ik u een herinnering gestuurd om alsnog aangifte te doen. Misschien bent u vergeten om aangifte te doen, of heeft de aangifte ons niet bereikt.

Wat moet u doen?

U moet alsnog aangifte doen. Deze aangifte moet vóór 27 september 2010 bij ons binnen zijn.

(…)

U bent wettelijk verplicht om (op tijd) aangifte te doen. Als u niet reageert op deze aanmaning, zullen wij het belastbare bedrag moeten schatten. Ook krijgt u een boete als u niet of te laat reageert.

(...)”

De afschriften van deze brieven zijn ten behoeve van de onderhavige procedure in hoger beroep samengesteld met behulp van in het administratieve systeem van de Belastingdienst/Centrale administratie aanwezige gegevens.

3.4. Belanghebbende heeft niet op de brieven gereageerd. In verband hiermee is met dagtekening 30 november 2010 de onderwerpelijke aanslag met verzuimboete opgelegd.

3.5. In de bezwaarfase heeft belanghebbende alsnog elektronisch aangifte gedaan.

3.6. In het automatiseringssysteem van de Belastingdienst, genaamd FAA, is ten aanzien van belanghebbende vermeld dat voor het belastingmiddel Vpb voor het jaar 2009 sprake is van een aanmaning met dagtekening 13 september 2010.

3.7. In hoger beroep heeft de Inspecteur schriftelijke verklaringen van [D], werkzaam bij de Belastingdienst Centrum voor ICT/Sector Exploitatie te [R], de dato 18 november 2011 in het geding gebracht. Deze verklaringen houden in:

3.7.1. Verklaring betreffende de brief van 6 juli 2010:

”(…)

Betreft:

Ambtsedige verklaring

(...)

Hierbij verklaar ik, [D], medewerker bij de Belastingdienst B/CIE, dat de herinnering tot het doen van aangifte Vpb. t.n.v. Stichting [X] jaar 200901/200912, gedagtekend 6 juli 2010, in de periode 25 t/m 29 juni 2010 is verzonden.

Naam ambtenaar: [D]

Functie: productiecoördinator Vennootschapsbelasting

Datum: 18 november 2011

(...)”

3.7.2. Verklaring betreffende de brief van 13 september 2010:

”(…)

Betreft:

Ambtsedige verklaring

(...)

Hierbij verklaar ik, [D], medewerker bij de Belastingdienst B/CIE, dat de aanmaning tot het doen van aangifte Vpb. t.n.v. Stichting [X] jaar 200901/200912, gedagtekend 13 september 2010, op 1 september 2010 ter postbezorging is aangeboden.

Naam ambtenaar: [D]

Functie: productiecoördinator Vennootschapsbelasting

Datum: 18 november 2011

(…)”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de verzuimboete terecht aan belanghebbende is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de aanmaning voor het doen van de aangifte de belanghebbende, althans haar secretaris heeft bereikt, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de Inspecteur bevestigend wordt beantwoord.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van de Inspecteur strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

5.2. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft overwogen waarbij de belanghebbende is geduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

”(...)

5. In beginsel is het aan verweerder om aannemelijk te maken dat de aanmaning op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden, dan wel dat de aanmaning de belastingplichtige anderszins heeft bereikt. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de aanmaning op dat adres. Dit brengt met zich mee dat verweerder in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres (zie Hoge Raad 15 december 2006, nr. 41.882, LJN: AZ 4416).

6. De rechtbank acht verweerder, tegenover de gemotiveerde betwisting door eiseres, niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat de aanmaning naar het juiste adres is verzonden, laat staan dat deze op het adres van eiseres is ontvangen of aangeboden of dat die aanmaning haar anderszins heeft bereikt. Verweerder heeft, ondanks eerder verzoek van eiseres daartoe, pas in de beroepsfase een kopie van de aanmaningsbrief overgelegd. Hoewel de brief het juiste adres vermeldt, is met de enkele overlegging van deze brief naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de aanmaning ook daadwerkelijk naar dit adres is verzonden. De boetebeschikking dient daarom te worden vernietigd.

7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond verklaard.

8. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.092 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 218; 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1).”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Indien de belastingplichtige de aangifte voor de vennootschapsbelasting niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn heeft ingediend, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de Inspecteur de belastingplichtige een bestuurlijke boete kan opleggen.

7.2. Het is aan de Inspecteur aannemelijk te maken dat de aanmaning op het adres [adres] van de secretaris van belanghebbende is ontvangen of aangeboden, dan wel dat de aanmaning de belanghebbende anderszins heeft bereikt.

7.3. Aan hetgeen de Inspecteur dienaangaande aan bewijsmiddelen in het geding heeft gebracht, ontleent het Hof in eerste instantie het vermoeden dat zulks het geval is. Hierbij heeft het Hof gelet op de door de Inspecteur in het geding gebrachte afdruk van de aanmaningsbrief, op de aantekening in het automatiseringssysteem (FAA) dat ten aanzien van belanghebbende sprake is van een aanmaning met dagtekening 13 september 2010 en op de door de Inspecteur gegeven beschrijving van de algemene gang van zaken met betrekking tot de verzending van belastingaanslagen en aanmaningen door de Belastingdienst/Centrale administratie. Aan de verklaringen van [D] kent het Hof overigens geen bewijskracht toe.

7.4. Het ligt op de weg van de belanghebbende voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat zij aannemelijk maakt dat de aanmaning niet op haar adres is ontvangen of aangeboden; voldoende is dat, op grond van hetgeen belanghebbende aanvoert, aan ontvangst of aanbieding redelijkerwijs moet worden getwijfeld. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, brengt het Hof evenwel niet in twijfel omtrent de juistheid van voormeld vermoeden.

7.5. Op grond van het vorenoverwogene acht het Hof de Inspecteur, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, erin geslaagd aannemelijk te maken dat de aanmaning op het adres [adres] van de secretaris van belanghebbende is ontvangen of aangeboden, dan wel dat die aanmaning belanghebbende anderszins heeft bereikt.

7.6. Gelet op het hiervoor gegeven oordeel is oplegging van een verzuimboete aan belanghebbende ter zake van het niet doen van aangifte op haar plaats. De Inspecteur heeft het bedrag van de boete met inachtneming van § 21, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst vastgesteld op € 2.460.

7.7. Naar het oordeel van het Hof is evenwel sprake van een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de opgelegde boete. Daarbij acht het Hof van belang dat in dezen sprake is van een stichting met een zeer beperkt vermogen en een bescheiden winst. Gelet ook op de omstandigheid dat dit een eerste verzuim van de belanghebbende betreft, acht het Hof een boete van € 615 passend en geboden.

7.8. Het hoger beroep van de Inspecteur slaagt gedeeltelijk. Beslist dient te worden als hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

8.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 944 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand {2 punten à € 472 x 1 (gewicht van de zaak)}.

8.2. Nu de uitspraak van de rechtbank niet in stand blijft, wordt van de Inspecteur geen griffierecht geheven.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank behoudens de beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de verzuimboete tot op € 615;

- wijzigt de beschikking dienovereenkomstig; en

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 944.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. H.A.J. Kroon, J.J.J. Engel en J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van de griffier E. Kalac. De beslissing is op 9 april 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.