Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:CA2388

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-05-2013
Datum publicatie
17-06-2013
Zaaknummer
200.121.382.01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing. Bekorting van de termijn vanwege ingezette positieve ontwikkelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 22 mei 2013

Zaaknummer : 200.121.382/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 12-3465

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.L. Kuit te Rotterdam,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg te Rotterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. S. Kara te Hendrik-Ido-Ambacht.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 5 februari 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 19 december 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

Jeugdzorg heeft op 17 april 2013 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 2 april 2013 een brief van 29 maart 2013 met bijlagen.

De zaak is op 24 april 2013 mondeling behandeld, tezamen met de zaak met rekestnummer 200.124.195/01 (betreffende het door de moeder tegen de bestreden beschikking ingestelde hoger beroep).

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw N. Liekens en mevrouw K. Ninkeula namens Jeugdzorg.

De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Het hof verwijst naar de beschikking van 28 september 2012 van de rechtbank Rotterdam en naar de bestreden beschikking.

Bij de beschikking van 28 september 2012 is de ondertoezichtstelling van de na te noemen minderjarigen verlengd tot 11 oktober 2013. Het verzoek tot machtiging tot plaatsing van de minderjarigen in een vorm van pleegzorg is afgewezen.

Bij de bestreden beschikking is met ingang van 19 december 2012 een machtiging tot plaatsing van de minderjarigen in een vorm van pleegzorg verleend tot 11 oktober 2013. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de uithuisplaatsing van de minderjarigen [minderjarige 1], geboren [in 2008] te [geboorteplaats] (hierna ook: [minderjarige 1]), en [minderjarige 2], geboren [in 2010] te [geboorteplaats] (hierna ook: [minderjarige 2]), voor de periode van 19 december 2012 tot 11 oktober 2013 in een vorm van pleegzorg.

2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en (naar het hof begrijpt) opnieuw beschikkende de verzoeken tot uithuisplaatsing van de minderjarigen alsnog af te wijzen, kosten rechtens.

3. De vader voert het volgende aan. De vader merkt ten eerste op dat de rechtbank bij beschikking van 28 september 2012 het verzoek van Jeugdzorg tot verstrekking van een machtiging tot plaatsing van de minderjarigen in een vorm van pleegzorg heeft afgewezen. In plaats van het instellen van hoger beroep tegen deze beslissing zijn er twee nieuwe verzoekschriften ingediend, daar Jeugdzorg had besloten om het beleid in de onderhavige situatie te wijzigen. Jeugdzorg heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan misbruik van procesrecht. De vader betwist voorts dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling werden bedreigd. Ten onrechte heeft de kinderrechter de door Jeugdzorg gedane beleidswijziging voldoende geacht om de onderhavige verzoeken toe te wijzen. De vader is van mening dat juist door het handelen van Jeugdzorg de minderjarigen geen stabiele, veilige en voorspelbare opvoedsituatie (meer) hebben. De minderjarigen hebben eerder van 1 augustus 2011 tot 22 december 2011 in een crisispleeggezin verbleven en waren daarna verheugd om weer bij de vader thuis geplaatst te worden. Jeugdzorg omschrijft de moeder als iemand die beschikt over voldoende opvoedkundige vaardigheden “behoudens het er voor zorgen dat haar kinderen niet belast worden met situaties van huiselijk geweld”. Dit gegeven moet voldoende worden geacht om de verzoeken van Jeugdzorg alsnog af te wijzen.

4. Jeugdzorg verweert zich als volgt. De thuissituatie bij de ouders was onveilig voor de kinderen. Er was een voortdurend patroon van relationeel en huiselijk geweld tussen de ouders. Het geweld is zodanig ernstig geweest dat de politie er diverse keren aan te pas heeft moeten komen en dat de vader twee keer in een korte periode een tijdelijk huisverbod heeft gekregen. Daarnaast gebruikten de ouders regelmatig softdrugs, waardoor de situatie voor de minderjarigen onveilig was. Omdat de minderjarigen meerdere malen getuigen waren geweest van het huiselijk geweld, de diverse hulpverlening niet (voldoende) had geholpen en Jeugdzorg zich ernstige zorgen maakte over de veiligheid en de ontwikkeling van de minderjarigen, heeft Jeugdzorg op 27 september 2012 een verzoek ingediend voor een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen. Omdat tijdens de daaropvolgende zitting bleek dat de stukken met informatie over de laatste ontwikkelingen niet bij de kinderrechter terecht waren gekomen, werd het verzoek voor de machtiging uithuisplaatsing afgewezen. De kinderrechter had in de beschikking naar aanleiding van die zitting (van 28 september 2012) duidelijk aangegeven dat de ouders zich aan de bezoekafspraken met Jeugdzorg dienden te houden. De samenwerking tussen Jeugdzorg en de ouders bleef gespannen en het was moeilijk afspraken te maken. Er heeft een incident plaatsgevonden waarbij schade aan het pand van Jeugdzorg is aangebracht, de ouders hielden zich opnieuw niet aan de afspraken en er was minimaal zicht op de veiligheidssituatie tijdens de bezoekmomenten. Op grond van deze gewijzigde omstandigheden heeft Jeugdzorg op 21 november 2012 opnieuw een machtiging tot uithuisplaatsing verzocht, welke bij de bestreden beschikking is verleend.

Op 8 januari 2013 is een nieuwe gezinsvoogd gestart en zijn er nieuwe heldere afspraken gemaakt. Er zijn in het kader van begeleid bezoek 4 observaties gedaan van in totaal 6 uren waarbij het contact tussen de minderjarigen en de ouders er warm uitziet. De ouders zijn in staat om aan te sluiten bij de belevingswereld van de minderjarigen en kunnen het voor hen prima structureren. Sinds 13 maart 2013 zijn er onbegeleide bezoeken waar de minderjarigen vermoeid maar vrolijk van terugkomen. Bij brief van 10 april 2013 is aan de ouders kenbaar gemaakt hoe het “terug naar huis”-traject eruit komt te zien. Dit traject is inmiddels ingezet en het is de bedoeling dat de minderjarigen in het weekend van 27 en 28 april 2013 naar huis gaan. Jeugdzorg zal dan ook vanaf dat moment niet langer gebruik maken van de machtiging uithuisplaatsing.

5. Namens de moeder is ter zitting naar voren gebracht dat zij zich volledig aansluit bij hetgeen door / namens de vader is aangevoerd in zijn beroepschrift. Voorts heeft de moeder te kennen gegeven dat zij en de vader weer samenwonen omdat Jeugdzorg daarvoor (weer) toestemming heeft gegeven. De moeder heeft toegezegd haar medewerking te zullen verlenen aan alle hulpverlening die in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is. Daarnaast heeft de moeder desgevraagd laten weten dat in het kader van een “natraject” voor de minderjarigen met de pleegouders is afgesproken dat de minderjarigen nog eens kunnen gaan spelen of logeren bij hen.

Uithuisplaatsing

6. Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het momenteel weliswaar beter gaat met het gezin, in die zin dat er reeds een terugplaatsingstraject in gang is gezet ten aanzien van de minderjarigen en dat de ouders thans beter kunnen samenwerken met Jeugdzorg, doch dat dit een zeer recente positieve ontwikkeling betreft, namelijk sinds het begin van 2013. Naar het oordeel van het hof waren ten tijde van de mondelinge behandeling in eerste aanleg gronden aanwezig op basis waarvan de machtiging tot plaatsing in een vorm van pleegzorg heeft kunnen worden afgegeven. De ouders werd reeds langere tijd diverse vormen van hulpverlening aangeboden, welke zij echter onvoldoende accepteerden. Daarnaast waren er ernstige zorgen ten aanzien van de minderjarigen, in die zin dat de ouders de afspraken met de hulpverlening niet (goed) nakwamen, er geen zicht was op de situatie en er weer zorgsignalen waren ten aanzien van huiselijk geweld. Dit waren ten opzichte van de eerder afgegeven beschikking van 28 september 2012 gewijzigde omstandigheden, aangezien ten tijde van het afgeven van die beschikking al geruime tijd geen sprake meer was geweest van huiselijk geweld en de ouders destijds hadden toegezegd in samenspraak met de gezinsvoogd de omgang te willen regelen. De machtiging tot plaatsing in een vorm van pleegzorg was ten tijde van het afgeven van de bestreden beschikking naar het oordeel van het hof derhalve een gepaste maatregel. De rechtbank heeft naar het oordeel van het hof op juiste gronden beslist zoals gedaan. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen, met dien verstande dat het de duur van de verleende machtiging tot plaatsing in een vorm van pleegzorg, met het oog op de huidige stand van zaken, zal bekorten tot 1 mei 2013.

Proceskosten

7. Gelet op het onder 6. overwogene is het hof van oordeel dat er geen sprake is van misbruik van procesrecht van de zijde van Jeugdzorg. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

8. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de daarin vastgestelde termijn;

bepaalt dat de termijn van de machtiging tot plaatsing in een vorm van pleegzorg eindigt op 1 mei 2013;

verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Kempen, Stollenwerck en Otter, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2013.