Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:CA2381

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-05-2013
Datum publicatie
17-06-2013
Zaaknummer
200.117.804.01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgang, statusvoorlichting, ernstige bezwaren tegen omgang met de moeder bij de oudste minderjarige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 22 mei 2013

Zaaknummer : 200.117.804/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-3508

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. D.E. Lof te Haarlemmermeer,

tegen

[verweerder],

wonende op een geheim adres,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat voorheen mr. C.J. de Jongh-Moolenaar te Teylingen, thans mr. M. Jonkman te Rotterdam.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 3 december 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 4 september 2012 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vader heeft op 7 februari 2013 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 4 december 2012 nogmaals het beroepschrift, met bijlagen;

- op 21 december 2012 een brief van 20 december 2012 met bijlagen;

- op 22 april 2013 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 24 april 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw M. Versteegh namens de raad.

De hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] is in raadkamer gehoord.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Het hof verwijst naar de tussenbeschikking van 9 september 2011 van de rechtbank ’s-Gravenhage en de bestreden beschikking.

Bij de tussenbeschikking van 9 september 2011 is de raad verzocht een onderzoek te verrichten naar de vraag of er sprake is van bezwaren als genoemd in artikel 1:377a, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) die in de weg staan aan het recht op omgang dat de moeder heeft met de na te noemen minderjarigen en - indien er geen sprake is van bezwaren als hiervoor bedoeld - welke omgangsregeling in het belang van de minderjarigen is. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

Bij de bestreden beschikking zijn het verzoek van de moeder - strekkende tot vaststelling van een omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarigen dan wel van een schriftelijke contactregeling - en het verzoek van de vader - strekkende tot ontzegging van het recht op omgang aan de moeder - afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast: de vader is alleen met het gezag over de minderjarigen belast.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de vaststelling van een omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren [in 2000] te [geboorteplaats] (hierna ook: [minderjarige 1]), en

- [minderjarige 2], geboren [in 2003] te [geboorteplaats] (hierna ook: [minderjarige 2]), hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen.

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:

primair

een voorlopige omgangsregeling vast te stellen tussen de moeder en de minderjarigen in de vorm van proefcontacten onder begeleiding van het Omgangshuis;

subsidiair

een informatieregeling vast te stellen waarbij wordt bepaald dat de vader de moeder eens per kwartaal schriftelijk op de hoogte dient te stellen omtrent de gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon van de minderjarigen, meer in het bijzonder voor wat betreft hun gezondheid, de schoolvorderingen, de vrijetijdsactiviteiten en hun reactie op de door de moeder verstuurde kaarten. Tevens dient de vader tenminste eenmaal per half jaar een foto te sturen van de minderjarigen aan de moeder;

meer subsidiair

een andere regeling, in goede justitie door het hof, vast te stellen.

3. De vader verweert zich daartegen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans haar verzoeken af te wijzen, kosten rechtens.

4. De moeder voert het volgende aan. Onvoldoende is gebleken van zwaarwegende redenen om de omgang tussen de moeder en de minderjarigen geheel te ontzeggen. Contact tussen de moeder en de minderjarigen is mogelijk. Indien zij vanuit de stabiele en veilige thuissituatie bij de vader, op een verantwoorde wijze en in hun eigen tempo (weer) aan de moeder kunnen wennen, zal dat niet tot schadelijke gevolgen bij hen leiden. Op langere termijn is het juist in het belang van de minderjarigen om hun biologische moeder te kennen en omgang te hebben met haar en om hun moederbeeld te kunnen bijstellen. De rechtbank gaat met de beslissing in de bestreden beschikking geheel voorbij aan het feit dat de vader geen omgang wenst tussen de moeder en de minderjarigen. Er is voor de moeder geen enkele zekerheid dat hij haar kaarten/brieven voor de minderjarigen aan hen zal geven. Indien hij dit niet doet kan hij eenzijdig een herstel van vertrouwen dwarsbomen zodat ook op termijn een omgangsregeling zou kunnen worden gefrustreerd.

De moeder is voorts van mening dat er onvoldoende in de weg staat aan het vastleggen van een schriftelijke contactregeling, waarbij ook voor de vader rechten en plichten worden vastgelegd. Ter zitting heeft de moeder te kennen gegeven te begrijpen dat zij voorlopig geduld zal moeten betrachten ten aanzien van het contact (ook schriftelijk) met de minderjarigen. Zij heeft verklaard de minderjarigen niet onder druk te willen zetten of hen verdriet te doen. De moeder heeft te kennen gegeven informatie over de minderjarigen te willen krijgen zodat zij ook stof heeft om over te schrijven als zij de minderjarigen kaartjes schrijft.

5. De vader verweert zich daartegen als volgt. De vader betwist dat contact tussen de moeder en de minderjarigen op dit moment en in de toekomst in het belang van de minderjarigen is. De minderjarigen zijn door de moeder ernstig verwaarloosd en mishandeld, hetgeen zij zich nog goed herinneren. Met name [minderjarige 1] is hierdoor erg beschadigd. [minderjarige 1] heeft dan ook ernstige bezwaren tegen het herstellen van het contact tussen de moeder enerzijds en hem en zijn zusje, anderzijds die hij altijd heeft moeten beschermen tegen de moeder. De vader betwist voorts dat een contactregeling schriftelijk kan worden vastgelegd (het hof begrijpt dat de vader betwist dat een schriftelijke contactregeling kan worden vastgelegd, nu dit is wat de moeder in haar beroepschrift heeft vermeld als mogelijkheid om het vertrouwen van de minderjarigen in haar te herstellen). Ter zitting is namens de vader te kennen gegeven dat hij alle kaartjes die de moeder stuurt aan de minderjarigen zal geven. Voorts is namens de vader te kennen gegeven dat hij contact tussen de moeder en de minderjarigen niet zal frustreren indien de minderjarigen daar over een aantal jaren aan toe zijn. De vader acht omgang via het Omgangshuis op dit moment niet in het belang van de minderjarigen, gelet op hetgeen zij in het verleden hebben meegemaakt bij de moeder en de omstandigheid dat [minderjarige 1] het gebeurde nog niet verwerkt heeft en [minderjarige 2] nog maar net weet dat de partner van de vader niet haar biologische moeder is. Voorts heeft de vader ter zitting verklaard dat hij zich aan een informatieregeling zal houden indien het hof zulks beslist maar dat hij wel vreest dat hij daarmee het vertrouwen van de minderjarigen beschaamt, nu zij – en vooral [minderjarige 1] – te kennen hebben gegeven dat zij niet begrijpen waarom de vader de moeder dient te informeren over hen en dit ook liever niet te hebben. De vader wenst geen verplichting opgelegd te krijgen ten aanzien van de inhoud van de informatie die hij de moeder dient te doen toekomen.

6. Namens de raad is het volgende naar voren gebracht. De raad heeft in zijn raadsonderzoek in 2012 geadviseerd dat de minderjarigen zouden worden voorgelicht ten aanzien van hun afkomst. Met name bij [minderjarige 1] heeft dit geleid tot veel weerstand. De raad adviseert op dit moment niet tegen die weerstand in te gaan aangezien dit een averechts effect zal hebben. Belangrijk is dat de vader openstaat voor contact tussen de moeder en de minderjarigen en het gesprek met de minderjarigen ten aanzien van de moeder open houdt. De moeder wordt geadviseerd geduld te betrachten. Door het sturen van kaartjes aan de minderjarigen geeft zij hen de boodschap dat zij er (voor hen) is. Ten aanzien van [minderjarige 1] adviseert de raad enige terughoudendheid bij het sturen van kaartjes omdat hij duidelijk te kennen geeft met rust gelaten te willen worden. Voor wat betreft de verzochte informatieregeling adviseert de raad de minderjarigen te betrekken bij de keuze welke informatie aan de moeder wordt gegeven, aangezien zij wel recht heeft op informatie over hen.

Omgangsregeling

7. Het hof stelt voorop dat een kind en de niet met het gezag belaste ouder, op grond van artikel 1: 377a eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht hebben op omgang met elkaar. Voorts heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn of haar kind. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel stelt de rechter op verzoek van (een van) de ouders, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast, dan wel ontzegt hij, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang op (een van) de in het derde lid van dit artikel genoemde gronden.

8. Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting concludeert het hof dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat omgang tussen de moeder en de minderjarigen op dit moment ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke ontwikkeling van de minderjarigen. Het hof neemt hierbij in aanmerking hetgeen de raad zowel in het raadsrapport van 31 mei 2012 heeft opgenomen als ter zitting bij het hof te kennen heeft gegeven. Voorts neemt het hof in aanmerking dat [minderjarige 2] haar recente statusvoorlichting nog moet verwerken en dat [minderjarige 1] bij het kindverhoor in hoger beroep wederom ernstige bezwaren heeft geuit ten aanzien van contact met de moeder. Nu met het voorgaande aan een of meer van de in artikel 1:377a, derde lid BW genoemde gronden is voldaan, zal het hof de moeder het recht op omgang ontzeggen.

9. Het voorgaande neemt niet weg dat de moeder, zoals de raad ook adviseert, de minderjarigen – zij het gedoseerd en met enige terughoudendheid – kaartjes kan sturen en de vader deze aan de minderjarigen zal dienen te overhandigen, zodat de minderjarigen in de gelegenheid worden gesteld het vertrouwen in de moeder (terug) te krijgen waardoor op termijn ruimte kan ontstaan voor een vorm van contact dan wel omgang tussen de moeder en de minderjarigen. Voorts kan de moeder zich na ommekomst van een jaar wederom tot de kinderrechter wenden met het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling.

Informatieregeling

10. Nu ingevolge artikel 1:377b lid 1 BW de ouder die met het gezag is belast, gehouden is de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen - zo nodig door tussenkomst van derden - over daaromtrent te nemen beslissingen en het hof van oordeel is dat het vaststellen van een informatieregeling niet strijdig is met de belangen van de minderjarigen, zal het hof bepalen dat de vader aan de moeder eenmaal per vier maanden een kopie van het schoolrapport van de minderjarigen dient te sturen tezamen met recente foto’s van de minderjarigen en een kort verslag omtrent de vorderingen en ontwikkelingen van de minderjarigen in de voorafgaande vier maanden. Daarbij staat het de vader vrij de te verstrekken informatie of kopieën te ontdoen van zodanige gegevens als de naam van de school of adresgegevens die voor de moeder traceerbaar maken waar de kinderen verblijven.

Proceskosten

11. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren.

12. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

ontzegt de moeder het recht op omgang met de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren [in 2000] te [geboorteplaats], en

- [minderjarige 2], geboren [in 2003] te [geboorteplaats];

stelt een informatieregeling met betrekking tot de minderjarigen vast, inhoudende dat de vader aan de moeder eenmaal per vier maanden een kopie van het schoolrapport van de minderjarigen dient te sturen tezamen met een recente foto van de minderjarigen en een kort verslag omtrent de vorderingen en ontwikkelingen van de minderjarigen in de voorafgaande vier maanden.

compenseert de proceskosten in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stollenwerck, Van Kempen en Otter, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2013.