Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:CA2310

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-05-2013
Datum publicatie
06-06-2013
Zaaknummer
22-005748-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BU5731, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:1371, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging doodslag op de benadeelde partij. De verdachte heeft samen met de medeverdachte benadeelde partij bedreigd, ingesloten, achtervolgd en beschoten.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-005748-11

Parketnummer: 09-757749-11

Datum uitspraak: 28 mei 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 november 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1987,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond - Gevangenis De IJssel te Krimpen aan den IJssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 8 augustus 2012, 8 februari 2013 en 14 mei 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest. Voorts zijn er beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 maart 2011 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [benadeelde partij] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, viermaal, althans meermalen met een (semi automatisch) pistool, althans een vuurwapen (op korte afstand) in de richting van het lichaam van die [benadeelde partij] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in of omstreeks de periode van 25 maart 2011 tot en met 8 april 2011 te Delft en/of te Rotterdam, althans in Nederland, te zamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een semi automatisch pistool (merk CZ, type CZ-99), en/of munitie van categorie III, te weten vijftien, althans een of meer, volmantel patronen (kaliber 9 mm), heeft gedragen, althans voorhanden heeft gehad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Verzoek tot het doen horen van [getuige] als getuige

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 14 mei 2013 zijn verzoek tot het horen van [getuige] als getuige bij pleidooi herhaald.

Het hof verwerpt het verweer op grond van de overwegingen die het hof heeft gehanteerd bij het eerder ter terechtzitting d.d. 14 mei 2013 afwijzen van het verzoek om [getuige] als getuige te horen. Kortheidshalve verwijst het hof naar het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 mei 2013. Deze overwegingen leiden tot verwerping van het gevoerde verweer. De raadsman heeft bij pleidooi ter terechtzitting in hoger beroep van 14 mei 2013 geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die het hof tot een ander oordeel zouden moeten brengen.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Standpunt van de verdediging

Door de raadsman van de verdachte is - overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen - primair bepleit dat de verdachte van het hem onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijsproken, nu er sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs waaruit de directe betrokkenheid van de verdachte bij het onderhavige feit blijkt. Ter adstructie van dit verweer heeft de raadsman aangevoerd dat - zakelijk weergegeven - de verdachte als alternatieve verklaring heeft gegeven dat hij op de avond van het delict op een verjaardagsfeest aanwezig is geweest, zodat hij niet bij het onderhavige strafbare feit betrokken kan zijn geweest. Derhalve is het enige bewijs dat resteert de aanwezigheid van de personenauto en de mobiele telefoon van de verdachte in de nabijheid van het plaats delict, hetgeen onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen.

De raadsman heeft subsidiair bepleit dat de verdachte van het hem onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu er geen sprake is van voorwaardelijk opzet van de verdachte op de poging doodslag en er derhalve geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking zoals is vereist voor het medeplegen.

Ter adstructie van dit verweer heeft de raadsman aangevoerd dat - zakelijk weergegeven - indien het hof ervan uit gaat dat de verdachte dader 2 was, niet kan worden bewezen dat dader 2 het wapen van dader 1 heeft gezien en er derhalve geen sprake was van wetenschap van het wapen bij dader 2.

De raadsman van de verdachte heeft voorts bepleit dat de verdachte van het hem onder 3 ten laste gelegde dient te worden vrijsproken, nu er sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Ter adstructie van dit verweer heeft de raadsman aangevoerd dat - zakelijk weergegeven - er geen sprake was van enige bewustheid van de verdachte met betrekking tot het vuurwapen, laat staan dat er sprake was van enige machtsuitoefening over het vuurwapen door de verdachte.

Beoordeling door het hof

Vaststelling van de feiten en omstandigheden

Het hof gaat, gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, uit van de volgende redengevende feiten en omstandigheden.1

Op 25 maart 2011 om 23.48 uur komt bij de politie een melding binnen van een schietpartij in Delft. Later blijken twee personen, zijnde [benadeelde partij] en [benadeelde partij 2], te zijn beschoten.2 [benadeelde partij] verklaart dat de schutter een blanke man is en dat deze samen met een donkere man was. [benadeelde partij] omschrijft de donkere man als volgt: donker getinte huid, 1.80 meter lang, met een zwarte bivakmuts op.3 Getuige [getuige 2] omschrijft de donkere man als volgt: licht getinte man, ongeveer 22 jaar, donker krullend haar tot aan de oren en met een normale ronding van zijn gezicht.4

[benadeelde partij] heeft verklaard dat hij door twee mannen, voorzien van bivakmutsen, werd ingesloten, de blanke man (de latere schutter) had toen al het wapen in zijn hand. De blanke man zei "blijf staan, ik maak je dood", of woorden van gelijke strekking. [benadeelde partij] rende weg, en de blanke man achtervolgde hem. De donkere man probeerde [benadeelde partij] vervolgens via het trappenhuis in te sluiten, wat net niet lukte. [benadeelde partij] sprong van de eerste etage van de flat naar beneden, de bosjes in. Hij hoorde dat vier schoten werden afgevuurd.5 Op de balustrade van de derde etage van Bachflat voor perceel [adres] en op het trottoir onder de flat zijn diverse hulzen, manteldelen en inschoten aangetroffen.6 [benadeelde partij] is niet in het lichaam geraakt, maar in zijn jas zijn twee kogelgaten aangetroffen.7 [benadeelde partij 2] is daarop achter de schutter aangerend, op welk moment wederom werd geschoten door dezelfde schutter. [benadeelde partij 2] werd daarbij door een kogel geraakt in zijn buik.8

Nadat [benadeelde partij] en daarna [benadeelde partij 2] zijn beschoten, neemt de schutter plaats op de passagiersstoel van de auto die door een donkere man wordt bestuurd. De auto rijdt met hoge snelheid weg. Getuigen [benadeelde partij 2], [getuige 2] en [getuige 3] noteren het kenteken van de vluchtauto [kentekennummer].9 Dit kenteken blijkt te horen bij een Honda Civic die diezelfde dag op naam van de verdachte is gesteld, hetgeen door de verdachte is bevestigd.10

De verdachte wordt op 8 april 2011 aangehouden. In de slaapkamer van zijn woning wordt een semi-automatisch pistool met 15 patronen gevonden.11 Het betreft een wapen en munitie van categorie III in de zin van de Wet wapens en munitie.12 Het wapen is onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut. Uit dit onderzoek volgt dat de hypothese dat de hulzen en kogels die op de plaats delict zijn aangetroffen met dit pistool zijn verschoten door een deskundige zeer veel waarschijnlijker wordt bevonden dan de hypothese dat de op de plaats delict aangetroffen kogels en huizen zijn verschoten met een ander pistool.13 Gelet hierop gaat het hof ervan uit dat het bij de verdachte in zijn slaapkamer gevonden vuurwapen is gebruikt bij de schietpartij.

Uit een analyse van de historische telefoongegevens van de onder verdachte in beslag genomen telefoon met het telefoonnummer 06-55587587, waarvan verdachte heeft verklaard dat dit zijn telefoonnummer is, volgt dat deze om 23.35 uur - minder dan een kwartier voor de eerste melding van de beschietingen - op of in de buurt van de plaats delict is geweest.14 Ook de auto van de verdachte is ten tijde van de beschietingen in de buurt van de plaats delict te plaatsen, immers [benadeelde partij 2] is met twee andere getuigen direct achter deze auto aangereden en zij hebben tijdens deze achtervolging het kentekennummer telefonisch aan de politie doorgegeven.15

Alibi en alternatief scenario

De verdachte heeft evenwel ontkend die avond in Delft te zijn geweest en heeft een alibi naar voren gebracht. Hij heeft verklaard op 25 maart 2011 's avonds samen met zijn zus op de verjaardag van zijn broer in Zwijndrecht te zijn geweest. Het hof is van oordeel dat deze door de verdachte geschetste gang van zaken ongeloofwaardig is. De telefoon van de verdachte met het telefoonnummer 06-55587587 straalde weliswaar om 20.37 uur een zendmast te Zwijndrecht aan, maar om 20.49 uur straalt dezelfde telefoon een zendmast aan, gelegen aan het Akkeroord te Rotterdam.16 Hieruit volgt dat de verdachte, anders dan zijn verklaring dat hij tot 22.30-23.00 uur op de verjaardag in Zwijndrecht is gebleven, reeds eerder is vertrokken uit Zwijndrecht.17 De historische verkeersgegevens van deze telefoon sluiten daarmee niet aan bij verdachtes alibi.

Het hof neemt tevens in aanmerking dat verdachtes alibi enkel wordt ondersteund door de getuigenverklaring van zijn zus, [getuige 4].18 [getuige 5], verdachtes broer, verklaart immers slechts dat verdachte om ongeveer 22.30 uur van zijn verjaardag is vertrokken, hetgeen de mogelijkheid open laat dat de verdachte ten tijde van de beschietingen op de plaats delict in Delft is geweest.19 [getuige 6], de partner van verdachtes zus, weet in het geheel niet meer uit eigen wetenschap te verklaren hoe de avond is verlopen.20 Ten slotte acht het hof het onaannemelijk dat een verdachte pas na bijna drie maanden in voorlopige hechtenis te hebben doorgebracht ter terechtzitting in eerste aanleg naar voren brengt dat hij de desbetreffende avond op de verjaardag van zijn broer was, zodat hij niet bij het strafbare feit betrokken kan zijn, en voorts dat de verdachte eerst in hoger beroep een dergelijke uitgebreide ontlastende verklaring aflegt.

Het hof overweegt voorts dat de verdachte zeer wisselend heeft verklaard ten aanzien van de inhoud van zijn alibi.

Zo heeft de verdachte omtrent het signaleren van zijn auto op de plaats van het schietincident de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij zijn auto de bewuste avond voor zijn woning heeft achtergelaten toen hij naar de verjaardag van zijn broer in Zwijndrecht vertrok. Bij deze auto hoorden twee autosleutels, waarvan hij er één bij zich droeg en de ander in zijn woning op de vensterbank had laten liggen, aldus verdachte. Echter ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 augustus 2012 heeft de verdachte verklaard dat de reservesleutel niet in de vensterbank van zijn woning lag, maar in het dashboardkastje van zijn auto. Geconfronteerd met deze tegenstrijdigheid in zijn afgelegde verklaringen heeft de verdachte naar het oordeel van het hof geen afdoende verklaring gegeven.

Gelet op het voorgaande wordt de alternatieve verklaring van de verdachte als onaannemelijk terzijde geschoven en gaat het hof ervan uit dat de verdachte ten tijde van de beschietingen aanwezig is geweest op de plaats delict en dat de verdachte de donkere man is geweest die samen met de schutter op 25 maart 2011 [benadeelde partij] heeft bedreigd, ingesloten, achtervolgd en beschoten.

Voorwaardelijk opzet

Ten aanzien van het subsidiaire verweer van de raadsman overweegt het hof als volgt. [benadeelde partij] heeft verklaard dat hij op het moment dat hij de twee mannen zag, de latere schutter het vuurwapen reeds in de hand hield en dat deze "blijf staan of ik schiet" heeft geroepen, dat hij toen is gevlucht en is achtervolgd, waarbij de donkere man hem trachtte in te sluiten. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte wist dat zijn medeverdachte een vuurwapen had en dat hij heeft gezien dat deze [benadeelde partij] met het vuurwapen heeft bedreigd. Uit de omstandigheid dat de verdachte vervolgens heeft getracht [benadeelde partij] in te sluiten blijkt dat de verdachte zich op geen enkel moment heeft gedistantieerd van de gedragingen van zijn medeverdachte. Gelet op de gedragingen van de verdachte voor, tijdens en na de bedreigingen, zoals uit de verklaring van [benadeelde partij] volgt, is het hof derhalve van oordeel dat de verdachte het aanmerkelijke risico dat [benadeelde partij] zou kunnen worden neergeschoten en daarbij het leven zou kunnen verliezen willens en wetens heeft aanvaard. Op grond van het vorenstaande is naar 's hofs oordeel genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte en zijn medeverdachte afdoende nauw en bewust hebben samengewerkt zodat er sprake is geweest van medeplegen.

Vrijspraak medeplegen poging moord

Het hof overweegt tenslotte ten aanzien van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde dat in het dossier geen aanwijzingen zijn aangetroffen dat sprake is geweest van kalm beraad of rustig overleg om het slachtoffer van het leven te beroven, zodat - overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte - de verdachte van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde medeplegen poging moord zal worden vrijgesproken.

Voorhanden hebben van een vuurwapen

Zoals reeds overwogen heeft het hof vastgesteld dat het vuurwapen als aangetroffen op de kamer van de verdachte het vuurwapen betreft waarmee zijn medeverdachte op [benadeelde partij] heeft geschoten. Voorts heeft het hof reeds vastgesteld dat de verdachte wetenschap heeft gehad van het door zijn medeverdachte gebruikte wapen. Derhalve is het hof van oordeel dat de verdachte tevens wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van het vuurwapen op zijn kamer.

Hierbij is tevens redengevend geacht dat de verdachte op 8 april 2011 in zijn kamer aanwezig was toen het vuurwapen daar werd aangetroffen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 25 maart 2011 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [benadeelde partij] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander, met dat opzet viermaal, althans meermalen met een (semi automatisch) pistool, (op korte afstand) in de richting van het lichaam van die [benadeelde partij] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in de periode van 25 maart 2011 tot en met 8 april 2011 te Rotterdam, althans in Nederland een wapen van categorie III, te weten een semi automatisch pistool (merk CZ, type CZ-99), en munitie van categorie III, te weten vijftien volmantel patronen (kaliber 9 mm) voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het onder 1 en 3 bewezen verklaarde heeft begaan op grond van de feiten en omstandigheden die in de hiervoor weergegeven - en in de voetnoten aangeduide - bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van poging tot doodslag.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met een ander op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan een poging doodslag op het slachtoffer [benadeelde partij]. De verdachte heeft daarmee op brute wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer mag van geluk spreken dat hij niet door de afgevuurde schoten is getroffen. Voorts overweegt het hof dat een delict als het onderhavige, gepleegd op de openbare weg in aanwezigheid van andere mensen, een voor de rechtsorde schokkend karakter draagt en bij de burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweegbrengt.

Tevens heeft de verdachte thuis een geladen vuurwapen en bijbehorende munitie voorhanden gehad. Dergelijk bezit verdient bestraffing, nu dat onder burgers gevoelens van onveiligheid met zich mee brengt, temeer aangezien vuurwapens dikwijls worden gebruikt bij eigenrichting of bij het plegen van strafbare feiten, zoals in de onderhavige zaak.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 mei 2013, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Voorts heeft het hof ten aanzien van de persoon van de verdachte acht geslagen op de inhoud van een reclasseringsadvies van de Reclassering Nederland d.d. 28 juli 2011.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren een passende en geboden reactie vormt.

Het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis en onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte wordt afgewezen, nu - zoals uit 's hofs arrest blijkt - de gronden en de ernstige bezwaren jegens de verdachte onverkort aanwezig zijn. Voorts geldt dat de strafvorderlijke belangen bij voorzetting van de voorlopige hechtenis van de verdachte in casu zwaarder wegen dan de belangen van de verdachte bij schorsing van de voorlopige hechtenis, zodat ook het schorsingsverzoek wordt afgewezen.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.600,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 1.600,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij inclusief de gevorderde wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Het hof is evenwel van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 maart 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.600,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], een bedrag te betalen van € 1.600,00 (duizend zeshonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 (zesentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst af het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

Wijst af het verzoek tot onmiddellijke invrijheidsstelling.

Dit arrest is gewezen door mr. A.A. Schuering,

mr. J.A.C. Bartels en mr. C.J. van der Wilt, in bijzijn van de griffier mr. V.C. Kool.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 mei 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt

- tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het doorgenummerde proces-verbaal van regiopolitie Haaglanden met het nummer 2011062973, met bijlagen.

2 Proces-verbaal van aangifte [benadeelde partij] d.d. 27 maart 2011,

p. 331.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte [benadeelde partij] d.d. 26 maart 2011, p. 274 en 275.

4 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] d.d. 26 maart 2011,

p. 176 en 177.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [benadeelde partij] d.d. 26 maart 2011, p. 274 t/m 276.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 juni 2011, p. 488 e.v.

7 Proces-verbaal van aanhouding [benadeelde partij] d.d. 26 maart 2011,

p. 132.

8 Proces-verbaal van aangifte [benadeelde partij 2] d.d. 5 april 2011,

p. 161 en 162.

9 Proces-verbaal verhoor getuige [benadeelde partij 2] d.d. 26 maart 2011, p. 184; proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] d.d. 26 maart 2011, p. 176; proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] d.d. 26 maart 2011, p. 174.

10 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 5 oktober 2011.

11 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 april 2011, p. 68 en 69.

12 Proces-verbaal Bureau Forensische Opsporing, p. 288 t/m 290.

13 Deskundigenbericht van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 23 mei 2011, p. 618.

14 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 5 oktober 2011; proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 juli 2011, p. 485.

15 Proces-verbaal verhoor getuige [benadeelde partij 2] d.d. 26 maart 2011, p. 184; proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] d.d. 26 maart 2011, p. 176; proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] d.d. 26 maart 2011, p. 174.

16 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 juli 2011, p. 484.

17 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 8 augustus 2012, p. 3.

18 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 4] d.d. 13 augustus 2011, p. 706.

19 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 5] d.d. 4 augustus 2011,

p. 701.

20 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 6] d.d. 14 augustus 2011,

p. 708 en 709.