Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:CA2200

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-05-2013
Datum publicatie
06-06-2013
Zaaknummer
200.115.523/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet tijdig betaald griffierecht. Datum bijschrijving is bepalend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2013/234
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 8 mei 2013

Zaaknummer : 200.115.523/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 12-7074

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R.H. de Vries te Capelle aan den IJssel,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Soytekin te Oud-Beijerland.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 24 oktober 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 juli 2012 van de rechtbank Dordrecht.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 16 november 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen;

- op 3 december 2012 een faxbericht van 29 november 2012 met bijlagen;

- op 4 december 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen;

Op 28 maart 2013 is de ontvankelijkheid van het verzoek in hoger beroep, door mr. Lückers als raadsheer-commissaris, mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de advocaat van de man;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de bij beschikking van 26 juli 2006 aan de man ten behoeve van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige), opgelegde alimentatieverplichting gewijzigd en, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 25 juli 2012 ten behoeve van de minderjarige een alimentatie dient te betalen van € 347,- per maand.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

1. Het hof stelt vast dat de man het door hem verschuldigde griffierecht niet binnen de betalingstermijn van vier weken na indiening van het beroepschrift heeft betaald. Het beroepschrift is ingediend op 24 oktober 2012 en derhalve had op grond van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) het griffierecht uiterlijk 21 november 2012 op de bankrekening van het hof dienen te zijn bijgeschreven. De betaling van het griffierecht is op 22 november 2012, derhalve niet binnen de termijn, ontvangen.

2. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 282a, tweede lid, in samenhang met artikel 362 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) verklaart de rechter de verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek indien het verschuldigde griffierecht niet tijdig is voldaan. De rechter kan deze bepaling op basis van artikel 282a, vierde lid Rv (hierna: de hardheidsclausule) buiten toepassing laten, indien hij van oordeel is dat de toepassing van die bepalingen gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

3. De man stelt dat betaling van het griffierecht op 21 november 2012 - en derhalve tijdig - is geschied en legt ter onderbouwing van zijn stelling een bankafschrift over waaruit blijkt dat het bedrag op 21 november 2012 van zijn rekening is afgeschreven. De man stelt dat zijn bankier (ING) hem heeft medegedeeld dat debitering en creditering op dezelfde dag plaatsvindt, en gaat er derhalve vanuit dat de bijschrijving tijdig heeft plaatsgehad. Voor zover geen tijdige bijschrijving heeft plaatsgehad, is zulks, zo stelt de man, wellicht te wijten aan een (ongebruikelijke) onvolkomenheid bij zijn bank of bij de bank van het hof, hetgeen hem niet kan worden tegengeworpen.

Voorts stelt de man dat de WGBZ tot doel heeft het incassorisico voor de staat te beperken. Nu de man het griffierecht voldaan heeft, heeft de staat in casu geen enkel (incasso)risico gelopen.

Subsidiair beroept de man zich op de hardheidsclausule. De man heeft een groot belang bij behandeling van zijn hoger beroep, omdat hij thans € 347,- per maand aan kinderalimentatie verschuldigd is, terwijl de kinderalimentatie naar wettelijke maatstaven € 14,- per maand zou moeten bedragen. In het geval de kinderalimentatie verschuldigd is tot aan de 21-jarige verjaardag van de minderjarige bedraagt het verschil circa € 23.000,-. De man kan dit bedrag absoluut niet betalen, zodat hij recht en belang heeft bij de beroepsprocedure.

4. De vrouw stelt dat de man het griffierecht te laat heeft voldaan. Dit dient, zo stelt de vrouw, voor rekening en risico van de man te blijven. De vrouw heeft bovendien een groot belang bij onherroepelijk worden van de bestreden beschikking.

5. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 3, derde lid, Wgbz dient het griffierecht binnen vier weken na indiening van het verzoekschrift te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de behandeling plaatsvindt. Uitgangspunt is derhalve de datum van bijschrijving op de bankrekening van het gerechtshof, niet de datum van afschrijving van het griffierecht van de bankrekening van de advocaat van de man. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het griffierecht niet tijdig is voldaan.

6. Indien en voor zover de (advocaat van de) man het beroep op de hardheidsclausule bedoelt te onderbouwen met de suggestie dat de bestreden beschikking niet aan de wettelijke maatstaven zou beantwoorden en dat aanleiding zou moeten geven tot toepassing van de hardheidsclausule, neemt het hof het volgende in aanmerking. Indien de bestreden beschikking inderdaad niet aan de wettelijke maatstaven zou voldoen, zou voor de man - ook bij niet-ontvankelijkverklaring in onderhavige procedure - een rechtsingang openstaan. De man kan immers indien daartoe gronden als in dat artikel bedoeld aanwezig zijn, op grond van artikel 1:401, vierde lid, Burgerlijk Wetboek een verzoek tot wijziging van de bestreden beschikking indienen bij de rechtbank.

7. Naar het oordeel van het hof dient het feit dat het griffierecht te laat is betaald in onderhavige zaak voor rekening en risico van de man te komen. De door de man aangevoerde feiten en omstandigheden rechtvaardigen niet de conclusie dat de toepassing van artikel 282a, tweede lid, Rv in samenhang met 362 Rv, gelet op het belang van één of meer partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Dergelijke omstandigheden zijn het hof, mede gezien de aard van de procedure, ook anderszins niet, althans onvoldoende, gebleken.

8. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Lückers, Husson en Kamminga, bijgestaan door Hogendoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 mei 2013.