Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:CA2179

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-01-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
BK-11/00890
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:843, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

KBL-zaak. Verwijzingszaak HR 25 november 2011, nr. 10/05250, LJN BU5681. Belanghebbende is houder geweest van rekeningen bij KBL. De inspecteur is geslaagd in het van hem te verlangen bewijs dat belanghebbende in elk van de in geding zijnde jaren het beboetbare feit heeft begaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1264
FutD 2013-1459
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-11/00890

Uitspraak van 11 januari 2013

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst Amsterdam (dan wel Holland-Noord), de Inspecteur,

op het beroep van belanghebbende tegen de uitspraken van de Inspecteur betreffende de hierna vermelde navorderingsaanslagen en beschikkingen.

Navorderingsaanslagen, kwijtscheldingsbesluiten, boetebeschikkingen en bezwaar

1.1.1. Aan belanghebbende zijn over de jaren 1991 tot en met 1998 navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting (VB) opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een verhoging van 100 percent van de belasting, van welke verhoging geen kwijtschelding is verleend. Telkens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.2. Aan belanghebbende zijn over de jaren 1999 en 2000 navorderingsaanslagen in de VB opgelegd en bij beschikkingen boeten van 100 percent. Telkens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. De navorderingsaanslagen, de kwijtscheldingsbesluiten, de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

Loop van het geding

2.1. Bij uitspraak van 4 november 2010, nummer 10/00373, heeft het Gerechtshof te Amsterdam - voor zover hier van belang - de door belanghebbende tegen de uitspraken van de Inspecteur ingestelde beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de navorderingsaanslagen, de boeten en de bedragen aan heffingsrente verminderd, de verhogingen gedeeltelijk kwijtgescholden, en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 181.

2.2. Bij arrest van 25 november 2011, nummer 10/05250, LJN BU5681, heeft de Hoge Raad het door belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam ingestelde beroep in cassatie gegrond verklaard, de hofuitspraak uitsluitend wat betreft de verhogingen voor de jaren 1991 tot en met 1998 en de boeten voor de jaren 1999 en 2000 vernietigd en het geding verwezen naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.

2.3. Partijen hebben zich over het arrest van de Hoge Raad (het verwijzingsarrest) uitgelaten, belanghebbende bij brieven van 19 januari 2012 en 6 maart 2012, de Inspecteur bij brieven van 27 januari 2012 en 8 maart 2012. Zij hebben van elkaars schrifturen, waarvan de inhoud als hier ingelast wordt beschouwd, kunnen kennis nemen.

2.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 21 december 2012, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Ter zitting is tevens de zaak met het kenmerk BK-11/00889 behandeld.

Verwijzingsopdracht

3.1. In het verwijzingsarrest is overwogen:

”(…)

3.1. De bestreden navorderingsaanslagen, boeten en verhogingen (hierna samen: boeten) en beschikkingen inzake de heffingsrente houden verband met het zogenoemde Rekeningenproject. De Hoge Raad heeft in dit verband enige beslissingen met een meer algemene strekking gegeven in zijn arrest van 15 april 2011, nr. 09/05192, LJN BN6350, BNB 2011/207 (hierna: het arrest van 15 april 2011).

3.2. ’s Hofs uitspraak geeft wat betreft de beoordeling van de onderscheiden boeten blijk van miskenning van hetgeen is overwogen in de onderdelen 4.5.2, 4.5.3 en 4.6.3, tweede tekstblok, van het arrest van 15 april 2011. De middelen slagen in zoverre.

3.3. De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.4. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. In de procedure na verwijzing dient mede acht te worden geslagen op de onderdelen 4.11.3 en 4.11.4 van het arrest van 15 april 2011.

3.5. In verband met het voorgaande dient het verwijzingshof te beoordelen:

(i) in hoeverre de Inspecteur voor elk van de jaren 1991 tot en met 2000 het bewijs heeft geleverd dat belanghebbende het feit ter zake waarvan de boete is opgelegd, heeft begaan, en

(ii) (voor zover het verwijzingshof van oordeel is dat het bewijs van beboetbare feiten is geleverd) in hoeverre elk van de opgelegde boeten gelet op de omstandigheden van het geval een passende en ook geboden sanctie voor de begane vergrijpen is.

(…)”

3.2. De in het verwijzingsarrest vermelde onderdelen van het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2011 luiden:

”4.5.2. Als uitgangspunt geldt dat aan een belanghebbende geen boete kan worden opgelegd ter zake van een beboetbaar feit waaromtrent bewijs ontbreekt dat hij dit heeft gepleegd. De omstandigheid dat een belanghebbende heeft geweigerd de door de inspecteur van hem gevraagde inzage te verschaffen, levert als zodanig geen bewijs op van een beboetbaar feit bestaande in het over een bepaald jaar niet aangeven van bepaalde inkomsten of vermogensbestanddelen en heeft ook geen invloed op de bewijslastverdeling te dier zake. Het gevolg dat artikel 27e van de AWR verbindt aan het verzaken van de inzageplicht houdt blijkens de laatste volzin van dat artikel niet in dat de belanghebbende moet bewijzen dat hij geen beboetbaar feit heeft begaan. Een andere opvatting zou ook niet verenigbaar zijn met het door artikel 6, lid 2, van het EVRM gewaarborgde vermoeden van onschuld.

4.5.3. Op de Inspecteur rustte in het kader van de vaststelling van de boeten derhalve de last te bewijzen dat belanghebbende in elk van de jaren 1991 tot en met 2000 saldi niet heeft verantwoord.

(…)

4.6.3. (…) Voor een geval als het onderhavige verdient daarbij opmerking dat de berekening van de verschuldigde belasting is gebaseerd op de hoogste inkomens- en vermogenscorrecties binnen een vergelijkingsgroep (…). Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van deze grondslag is in aanmerking genomen dat de inspecteur door toedoen van de rekeninghouder over minimale gegevens beschikt (…). Bij beoordeling van de proportionaliteit van de boete kan aan het gebrek aan medewerking van de rekeninghouder echter niet een zodanige betekenis worden toegekend (vgl. onderdeel 4.5.2 hierboven).

(…)

4.11.3. Bij de beantwoording van de vraag of de inspecteur het bewijs van een beboetbaar feit heeft geleverd, dienen de waarborgen in acht te worden genomen die een belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, van het EVRM. Die waarborgen houden onder meer in dat de bewijslast op de inspecteur rust en de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van die twijfel moet worden gegund (zie onder meer EHRM 6 december 1988, no. 10590/83, Barberà, Messegué en Jabardo tegen Spanje, NCJM-bulletin 1989,90). De rechtspraak van het EHRM laat toe dat voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van vermoedens (EHRM 7 oktober 1988, no. 10519/83, Salabiaku tegen Frankrijk, NJ 1991/351, FED 1990/420). Dat gebruik mag er echter niet toe leiden dat de bewijslast wordt verschoven van de inspecteur naar de belanghebbende; het vermoeden moet redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen. Het zwijgen van de belanghebbende kan alleen bijdragen tot het bewijs voor zover uit de aanwezige bewijsmiddelen reeds een zodanige verdenking voortvloeit dat die vraagt om uitleg van de belanghebbende, hetgeen betekent dat dit zwijgen alleen kan meewegen bij het waarderen van de overtuigingskracht van die aanwezige bewijsmiddelen (EHRM 8 februari 1996, no. 18731/91, Murray tegen het Verenigd Koninkrijk, NJ 1996/725, V-N 1997/733, EHRM 20 maart 2001, no. 33501/96, Telfner tegen Oostenrijk, en EHRM 13 december 2005, no. 13102/03, Narinen tegen Finland).

4.11.4. In gevallen als het onderhavige beschikt de inspecteur over een gegevensdrager waaruit is afgeleid dat de belanghebbende op 31 januari 1994 rechthebbende was tot een saldo van een bepaalde hoogte bij KB-Lux, en heeft de belanghebbende veelal geen opening van zaken gegeven. Indien verder rechtstreeks bewijs ontbreekt, zal dan voor elk van de jaren waarvoor een boete is opgelegd dienen te worden beoordeeld of (a) uit die gegevensdrager van 1994 zelf voldoende overtuigend bewijs voortvloeit dat het feit is gepleegd dan wel (b) dat daaraan, zo nodig in combinatie met andere vaststaande gegevens, een dusdanig vermoeden kan worden ontleend van het plegen van een beboetbaar feit voor (ook) het desbetreffende jaar, dat aan het zwijgen van de belanghebbende het gevolg mag worden verbonden dat hierboven onder 4.11.3, slotzin, is bedoeld. Hierbij verdient het volgende opmerking:

(i) een vermoeden ontleend aan gegevens van meewerkers zoals het Hof dat in ander verband in de onderdelen 5.3.1 - 5.3.3 van de tussenuitspraak heeft gebezigd, is voor beboetingsdoeleinden niet bruikbaar, nu die gegevens geen voldoende sterke aanwijzingen geven met betrekking tot de vraag of belanghebbende persoonlijk in de desbetreffende jaren een rekening aanhield;

(ii) de omstandigheid dat een belanghebbende op 31 januari 1994 enig banktegoed aanhield kan niet zonder aanvullend bewijs, zoals ervaringsregels, een vermoeden rechtvaardigen dat die belanghebbende ook op een ander moment een banktegoed heeft aangehouden;

(iii) bij de vraag of een vermoeden van het aanhouden van een banktegoed op een eerder of later moment dan 31 januari 1994 gerechtvaardigd is, kan voor beboetingsdoeleinden niet worden voortgebouwd op een gerechtvaardigd geacht vermoeden ten aanzien van een ander moment, en kan derhalve slechts worden uitgegaan van de omstandigheid dat de belanghebbende op een bepaald moment - 31 januari 1994 - een aantoonbaar banktegoed aanhield;

(iv) bij de beoordeling spelen ook de omstandigheden van het geval een rol, zoals de hoogte van het op 31 januari 1994 aangetroffen saldo (mede met het oog op bijvoorbeeld de belastingvrije som in het desbetreffende jaar) en de aard en/of het doel van de rekening waarop dat saldo zich bevond.”

Vaststaande feiten

Gelet op de stukken van het geding, waaronder het verwijzingsarrest, en het ter zitting verhandelde gaat het Hof uit van de volgende door het Gerechtshof Amsterdam vastgestelde, door partijen niet of onvoldoende weersproken, feiten:

4.1. Op de door de Inspecteur overgelegde fotokopieën van microfiches komen de volgende regels voor:

"JUSTIFICATIF DES SOLDES PAR RUBRIQUES IML AU 31/01/1994

(...)

[xx]-[xxxxxx]-[xx]-[xxxxxxxxxx] VUE [Voornaam] [Achternaam] -27,61

(...)

[xx]-[xxxxxx]-[xx]-[xxxxxxxxxx] TER LDO [Voornaam] [Achternaam] 261.821,14"

4.2. In een proces-verbaal van ambtshandeling van 1 mei 2003, dat is opgemaakt in het kader van het Rekeningenproject, is opgenomen:

”(...) verklaar ik, verbalisant, het volgende:

1. Op de afdruk van de microfiche van de KB Lux komt onder meer voor de naam:

[Voornaam] [Achternaam].

2. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komt slechts één hit voor met de naam [Voorletter] [Achternaam]. Dit betreft [X], geboren [dag en maand] 1939 met sofinummer [xxxxxxxxx].

3. Uit de match van het BVR-bestand met het RDW-bestand zie ik dat de eerste voornaam van [X] is: [Voornaam].

Conclusie:

Uit de match van de rekeninghouder(s), zoals vermeld op de microfiches van de KB Lux met de Belastingdienst ten dienste staande landelijke bestanden, komt slechts [X] als enige rekeninghoudster in aanmerking, zoals vermeld onder punt 2.”

4.3. Belanghebbende is geboren op [dag en maand] 1939 en heeft als (eerste) voornaam [Voornaam]. Haar sofinummer is [xxxxxxxxx].

4.4. Bij brief van 12 maart 2002 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een ”Verklaring Buitenlandse Bankrekeningen” toegezonden. In de brief heeft de Inspecteur erop gewezen dat belanghebbende op grond van artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verplicht is de in de verklaring gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken.

4.5. Bij brief van 18 december 2002 heeft de Inspecteur aan belanghebbende geschreven:

”Door mij zijn aan u vragen gesteld in verband met het aanhouden van een of meer buitenlandse bankrekeningen. Tot op heden heeft u deze vragen, ondanks herhaaldelijk verzoek, niet beantwoord. Inmiddels dringt de tijd voor de aanslagen inkomstenbelasting 1990 en vermogensbelasting 1991: deze aanslagen zullen verjaren op 1 januari 2003. Om dit te voorkomen zal ik nog in december 2002 deze aanslagen opleggen tot behoud van rechten. Voor een berekening van de aanslagen verwijs ik u naar de bijlage.

[...]

Motivering boete

Hierbij wil ik u op de hoogte brengen van mijn voornemen om deze belastingaanslagen te verhogen met een boete van 100%. Deze mededeling kunt u beschouwing als een kennisgeving als bedoeld in artikel 67k van de Algemene wet inzake rijksbelastingen [...]. Ik heb u reeds kenbaar gemaakt dat de Belastingdienst de beschikking heeft over informatie waaruit blijkt dat u tegoeden aanhoudt of heeft aangehouden bij een buitenlandse bank. Deze tegoeden en de inkomsten daaruit zijn niet in de belastingaangiften aangegeven terwijl het van algemene bekendheid is dat dat verplicht is. De vragen in het aangiftebiljet of er sprake is van buitenlandse tegoeden zijn altijd [...] ontkennend beantwoord. Bij herhaling zijn over uw buitenlandse tegoed(en) op grond van artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de AWR [...] vragen gesteld waarop geen dan wel onjuist of onvolledig antwoord is gegeven. Op grond van deze feiten en omstandigheden ben ik van mening dat er sprake is van het bewust, of ook wel met opzet dan wel voorwaardelijk opzet, nalaten om deze tegoeden en inkomsten op te geven met het oogmerk belasting te ontduiken. Ik merk het feit dat u gebruik heeft gemaakt van een buitenlandse bankrekening(en) teneinde de Belastingdienst het zicht op (het ontstaan van) de tegoeden en de inkomsten daaruit te ontnemen aan als een strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in paragraaf 42 juncto 43 van het Boetebesluit. Dit heeft tot gevolg dat de boeten 100% van de verschuldigde (enkelvoudige) belasting bedragen.”

Als bijlagen bij deze brief zijn overzichten gevoegd, waarin de volgende gegevens zijn opgenomen (alle bedragen luiden in guldens en met ’correcties’ zijn bedoeld de bedragen die de grondslag voor de navorderingsaanslagen vormden):

Inkomstenbelasting

1990 [...]

belastbare inkomens primitieve aanslag 60.000 [...]

correcties 25.695 [...]

belastbare inkomens navorderingsaanslag 85.695 [...]

Belastingbedragen navorderingsaanslag 12.848 [...]

Vermogensbelasting

1991 [...]

Correcties 471.600 [...]

Af correcties IB (...) [...]

Af correcties heffingsrente (...) [...]

Af correcties VB (...) [...]

Gecorrigeerd vermogen 458.000 [...]

belastingbedrag navorderingsaanslag 2.928 [...]

De navorderingsaanslagen in de IB/PVV voor het jaar 1990 en in de VB voor het jaar 1991 zijn vastgesteld op 31 december 2002 overeenkomstig voormeld overzicht.

4.6. Bij brief van 25 april 2003 heeft de Inspecteur belanghebbende in kennis gesteld van zijn voornemen navorderingsaanslagen op te leggen voor de IB/PVV over de jaren 1991 tot en met 1999 en voor de VB over de jaren 1992 tot en met 2000, alle met een bestuurlijke boete. Als bijlagen bij de brief zijn overzichten gevoegd, waarin de volgende gegevens zijn opgenomen:

Inkomstenbelasting

1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000

belastbare inkomens

primitieve aanslag 15.968 15.968 15.968 15.597 13.713 15.608 15.963 1.806 0 0

Correcties 24.210 23.333 20.633 17.235 17.100 17.190 18.360 19.013 20.025 22.208

belastbare inkomens

navorderingsaanslag 40.178 39.301 36.601 32.832 30.813 32.798 34.323 20.819 20.025 22.208

Belastingbedragen

navorderingsaanslag 8.655 8.995 7.923 6.571 6.438 6.447 6.848 4.435 4.013 4.494

Vermogensbelasting

1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000

Correcties 478.800 507.600 527.400 531.600 611.400 619.200 715.800 724.800 811.800

af correcties IB [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...]

af correcties heffingsrente [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...]

af correcties VB [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...] [...]

gecorrigeerd vermogen 453.000 468.000 474.000 466.000 534.000 529.000 612.000 610.000 605.000

belastingbedrag navorderingsaanslag 3.624 3.744 3.792 3.728 4.272 4.232 4.284 4.270 4.795

De aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen zijn overeenkomstig deze overzichten vastgesteld op 31 mei 2003, alle met een verhoging of boete van 100 percent.

4.7. De inkomsten van belanghebbende in het jaar 2000 zijn op de voet van artikel 5, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 aangemerkt als bestanddelen van het inkomen van [Y], de echtgenoot van belanghebbende. De aan hem opgelegde aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2000 ad € 3.696, is vastgesteld op 15 december 2003, met een boete van 100 percent.

4.8. De Inspecteur heeft als bijlage bij de brief van 5 juli 2010 een overzicht overgelegd met een tot de volgende vermogens leidende herberekening (in guldens):

1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000

nieuwe vermogens 422.000 422.000 437.000 452.000 471.000 519.000 518.000 649.000 653.000 709.000

Geschil na verwijzing en standpunten van partijen

5.1. Na verwijzing houdt partijen het antwoord op de vraag verdeeld of de Inspecteur is geslaagd in het van hem te verlangen bewijs dat het voor elk van de in geding zijnde jaren aan opzet van belanghebbende is te wijten dat aanvankelijk van haar te weinig vermogensbelasting is geheven. Meer specifiek gaat het om de vraag of de Inspecteur is geslaagd te bewijzen dat belanghebbende in elk van de jaren van 1991 tot en met 2000 vermogensbestanddelen buiten het zicht van de fiscus heeft gehouden met een zodanig beloop dat voor de heffing van vermogensbelasting geen (volledige) vrijstelling van toepassing is en die zij tot dat niet-vrijgestelde beloop opzettelijk niet in een aangifte heeft verantwoord. Zo dat het geval is, is voorts in geschil het antwoord op de vraag of de verhogingen en boeten passend en ook geboden zijn. Belanghebbende beantwoordt de vragen ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

5.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop de standpunten steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de verhogingen en de boeten.

6.2. De Inspecteur concludeert tot het vaststellen van de verhogingen en de boeten overeenkomstig de beslissing van het Gerechtshof Amsterdam.

Beoordeling van het beroep na verwijzing

7.1. Het Hof gebruikt hierna de term ’boeten’ ook voor de voor de jaren 1991 tot en met 1998 in de navorderingsaanslagen begrepen verhogingen.

7.2. Gelet op hetgeen is overwogen in onderdeel 3 van het verwijzingsarrest dient het Hof in de eerste plaats te beoordelen in hoeverre de Inspecteur voor elk van de jaren 1991 tot en met 2000 het bewijs heeft geleverd dat belanghebbende het feit ter zake waarvan de boete is opgelegd, heeft begaan. Meer specifiek, nu de Inspecteur belanghebbende voor elk van de in geding zijnde jaren heeft beboet omdat het aan haar opzet is te wijten dat te weinig vermogensbelasting is geheven, betreft het geschil thans in de eerste plaats het antwoord op de vraag in hoeverre de Inspecteur is geslaagd te bewijzen dat belanghebbende in elk van de in geding zijnde jaren opzettelijk voor de heffing van vermogensbelasting relevante vermogens(bestanddelen) niet heeft verantwoord.

7.3. Het Hof merkt als in rechte vaststaand aan dat belanghebbende houder is geweest van rekeningen bij KBL. De Inspecteur is naar ’s Hofs oordeel evenzeer geslaagd in het bewijs dat aan die rekeningen deposito- of beleggingsrekeningen met tegoeden zijn verbonden. Het Hof houdt het ervoor dat rekeninghouders bij de KBL over dergelijke achterliggende rekeningen (met tegoeden) hebben beschikt.

7.4. Het Hof aanvaardt en gaat, gelet op de stand van het geding, mede uit van de gegevens op de (fotokopieën van de) microfiches en richt zich allereerst op de vraag of de Inspecteur voor elk van de in geding zijnde jaren is geslaagd in het van hem te verlangen bewijs.

7.5. Naast de door de Inspecteur - door het Hof als voldoende gewichtig beoordeeld - overgelegde bewijsmiddelen voor het in alle jaren door belanghebbende kunnen beschikken over een rekening bij KBL acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende vanaf het jaar 1990 heeft beschikt over ten minste twee rekeningen met een (aanzienlijk) saldo. Voorts, gelet op de door de Inspecteur ingebrachte, aannemelijk te achten, ervaringscijfers dat dergelijke rekeningen nadien gedurende de door de Inspecteur aangegeven jaren (tot en met 2000) worden aangehouden - een en ander als appeltje voor de dorst in de vorm van, zoals ook bij belanghebbende, een termijndeposito, zodat het (volledig) consumeren van de saldi ook niet aannemelijk is - acht het Hof de Inspecteur, te meer nu belanghebbende op dit punt in feite niets daartegenover stelt, geslaagd te bewijzen dat het telkens aan opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig vermogensbelasting is geheven. Naar het oordeel van het Hof is in dit verband van groot belang dat het Hof aannemelijk acht dat belanghebbende bewust heeft gekozen een bankrekening te openen in een land met een bankgeheim teneinde voor de heffing van belasting in Nederland tegoeden en inkomsten voor de Belastingdienst verborgen te houden. De nader door de Inspecteur verstrekte, in feite onweersproken gebleven, specifieke informatie op het terrein van de vermogensbelasting wijst naar ’s Hofs oordeel voldoende in die richting en maakt aannemelijk dat belanghebbende ook elk jaar het beboetbare feit heeft begaan. Mede gelet op de door de Inspecteur in diens reactie op het verwijzingsarrest omtrent de voor die jaren toepasselijke rentevrijstelling gegeven uiteenzetting, komt het Hof tot het oordeel, daarbij in aanmerking nemend de waarde voor de vermogensbelasting over de in geding zijnde jaren van de vermogensbestanddelen, dat de vermogens van belanghebbende op de in geding zijnde peildata de vrijstelling voor gehuwden telkens overstijgen.

7.6. Het vorenoverwogene leidt het Hof tot het oordeel dat de Inspecteur is geslaagd in het van hem te verlangen bewijs dat belanghebbende in elk van de in geding zijnde jaren het beboetbare feit heeft begaan. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat het de Inspecteur geslaagd acht voor elk van de jaren aannemelijk te maken dat belanghebbende uitgaande van de haar toegedichte vermogens de vrijstelling volledig heeft benut en aldus opzettelijk voor heffing van vermogensbelasting in aanmerking komende bestanddelen buiten het beeld van de fiscus heeft gehouden. Voor zover nodig voor de bewijsvoering in dit verband van de opzet bij belanghebbende verwijst het Hof ook naar de overwegingen die het Gerechtshof Amsterdam daaraan wijdt en beschouwt die hier als ingelast en herhaald.

7.7. Het voorgaande heeft - de verwijzingsopdracht in aanmerking nemend - tot gevolg dat alsdan aan het Hof ter beoordeling staat of de boeten voor elk betrokken jaar passend en ook geboden zijn.

7.8. Voor de hoogte van de uiteindelijk, dat wil zeggen naar de stand van het geding, voor elk van de jaren gepleegd beboetbaar feit op te leggen boete, een en ander ter beantwoording van de vraag of de boete telkens passend en ook geboden is, neemt het Hof als uitgangspunt dat bij de toepassing van de strafmaat de omvang van de verzwegen belasting in beginsel is te bepalen aan de hand van de bedragen die voor de heffing zijn vastgesteld, dat de belasting (mede) is bepaald aan de hand van gegevens die betrekking hebben op derden en niet op belanghebbende zelf en dat bij de schatting van de hoogte van de correcties een grote onzekerheidsmarge is aangehouden. Wanneer, zoals het Hof doet, de vaststelling en de motivering van de boete door het Gerechtshof Amsterdam worden aangehouden, te weten 80 percent van de per jaar nagevorderde belasting, komt het Hof tot de conclusie, met overneming van de overwegingen van het Gerechtshof Amsterdam, dat met een vermindering van de per jaar opgelegde boete tot dat percentage de boete voor elk jaar, mede gelet op het proportionaliteitsbeginsel en op het feit dat de verschuldigde belasting is bepaald aan de hand van de verzwaring van de bewijslast, passend is, gelet op de aard van het vergrijp, en ook is geboden uit een oogpunt van normhandhaving. Voor een verdere vermindering van de boeten, wegens undue delay of anderszins, dan al is overwogen door het Gerechtshof Amsterdam, te weten naar 64 percent, ziet het Hof geen reden.

7.9. Met hetgeen belanghebbende heeft gesteld en aan stukken heeft ingebracht heeft zij naar ’s Hofs oordeel, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, overigens geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die een nader onderzoek rechtvaardigen dan wel anderszins op grond waarvan anders, formeel of inhoudelijk, over het beroep moet worden geoordeeld.

7.10. Al het voorgaande leidt het Hof tot de conclusie dat beslist moet worden als hierna is vermeld.

Proceskosten en immateriële schade

8.1. Het Hof acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen in de na verwijzing gemaakte proceskosten.

8.2. Voor zover belanghebbende beoogt te verzoeken om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, moet het verzoek worden afgewezen, omdat de redelijke termijn sedert het verwijzingsarrest niet is overschreden. Wat betreft de procedure voorafgaande aan de gecasseerde uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam kan een zodanig verzoek niet eerst in deze fase van de procedure worden gedaan. Bovendien biedt de verwijzingsopdracht voor een beoordeling van het verzoek geen ruimte.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraken op bezwaar die zien op een verhoging of een boete;

- vernietigt de kwijtscheldingsbesluiten;

- vermindert de navorderingsaanslagen 1991 tot en met 1998 aldus, dat telkens de verhoging, na kwijtschelding, wordt vastgesteld op 64 percent van de door het Gerechtshof Amsterdam vastgestelde bedragen aan belasting; en

- wijzigt de boetebeschikkingen aldus, dat telkens de boete wordt vastgesteld op 64 percent van de in de navorderingsaanslagen 1999 en 2000 begrepen bedragen aan belasting, zoals deze door het Gerechtshof Amsterdam zijn vastgesteld.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 11 januari 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.