Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:CA1953

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-04-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
22-003153-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:BW9884, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

197 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-003153-12

Parketnummer: 09-061501-11

Datum uitspraak: 25 april 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 juni 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] (Suriname) op [dag] 1965,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 11 april 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 2 februari 2011 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl zij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard;

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de opgelegde straf. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest.

Beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft primair mede onder verwijzing naar de Terugkeerrichtlijn en het door het Hof van Justitie van de EU gewezen arrest Achughbabian bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte moet worden verklaard. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft de raadsman - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat het niet doorlopen van de terugkeerprocedure, als voorgeschreven in de Terugkeerrichtlijn, aan een strafrechtelijke vervolging wegens overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht in de weg staat. Nu het openbaar ministerie niet heeft aangetoond dat die terugkeerprocedure na de aanhouding van de verdachte op 2 februari 2011 wegens overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht is doorlopen, heeft het openbaar ministerie zijn recht op vervolging van de verdachte ter zake van de op 2 februari 2011 gepleegde overtreding van eerdergenoemd artikel verspeeld.

In aanvulling op zijn pleitnotities heeft de raadsman medegedeeld dat hij het in die pleitnotities genoemde arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 november 2012 alleen heeft genoemd vanwege de daarin aan de genoemde rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU verbonden conclusies. De in dat arrest aan de orde zijnde casus is niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak, zo heeft de raadsman desgevraagd beaamd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Eerst dient het hof te bezien of de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (verder: Terugkeerrichtlijn)1 van toepassing is op de onderhavige zaak waarbij de datum van tenlastelegging is gelegen na de uiterste datum van implementatie van de Terugkeerrichtlijn in de nationale wetgeving.

De Terugkeerrichtlijn stelt gemeenschappelijke normen en procedures vast die in de lidstaten van toepassing zijn om illegaal verblijvende onderdanen van derde landen van hun grondgebied te verwijderen.

Deze richtlijn is op 24 december 2008 bekend gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en op 13 januari 2009 in werking getreden gelet op artikel 22 van de Terugkeerrichtlijn. Volgens artikel 20 van de Terugkeerrichtlijn moest Nederland uiterlijk op 24 december 2010 de richtlijn hebben omgezet in het Nederlandse recht. De Nederlandse staat heeft pas op 22 december 2011 de Terugkeerrichtlijn in de nationale wetgeving geïmplementeerd welke wijziging op 31 december 2011 in werking is getreden.2

Nederland had derhalve op de datum van het ten laste gelegde feit, te weten 2 februari 2011, nog niet aan deze verplichting voldaan.

Na het verstrijken van de omzettingstermijn kan een burger zich tot de nationale rechter wenden met een beroep op rechtstreekse werking van een richtlijnbepaling. Een bepaling kan dan rechtstreekse werking hebben als deze onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is. Naar het oordeel van het hof is dit het geval behoudens een in de onderhavige zaak niet terzake doend onderdeel van de richtlijn.

Dit betekent dat de betreffende bepalingen na het verstrijken van de omzettingstermijn (24 december 2010) rechtstreekse werking in de Nederlandse rechtsorde en derhalve ook in de onderhavige zaak hebben gelijk ook door de verdediging en de advocaat-generaal is betoogd.

De Terugkeerrichtlijn is derhalve van toepassing op de onderhavige strafzaak.

Voorts dient te worden bezien of na de laatste aanhouding van de verdachte op verdenking van overtreding van het bepaalde in artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht op grond van de Terugkeerrichtlijn opnieuw de terugkeerprocedure had moeten worden doorlopen.

Het Hof van Justitie van de EU heeft zich in zijn arrest in de zaak Achughbabian3 van 6 december 2011 naar aanleiding van een vraag over de Terugkeerrichtlijn uitgesproken over de strekking van deze richtlijn.4 Het Hof van Justitie van de EU heeft toen geoordeeld dat de Terugkeerrichtlijn zich niet verzet tegen een regeling waarbij illegaal verblijf wordt tegengegaan met strafrechtelijke sancties voor zover deze toestaat dat een gevangenisstraf wordt opgelegd aan een onderdaan van een derde land op wie de bij die richtlijn ingestelde terugkeerprocedure is toegepast en die, zonder geldige reden om niet terug te keren, illegaal op dat grondgebied verblijft, aldus het Hof van Justitie.

Naar het oordeel van het hof dient het verweer van de raadsman te worden verworpen nu op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat zich na de aanhouding van de verdachte geen wijzigingen in de omstandigheden van de verdachte hebben voorgedaan en er derhalve geen nieuwe omstandigheden zijn die zouden hebben kunnen nopen tot het opnieuw doorlopen van bovengenoemde terugkeerprocedure op de wijze zoals door de raadsman is betoogd.

Het hof verwerpt het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte.

Ook overigens geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die op dit punt tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 2 februari 2011 te 's-Gravenhage als vreemdeling heeft verbleven, terwijl zij wist dat zij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 tot ongewenst vreemdeling was verklaard;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte een beroep op overmacht toekomt, zodat zij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdachte kon buiten haar schuld Nederland niet verlaten en heeft -tevergeefs- alles gedaan wat in haar macht lag om het land te verlaten.

Het hof overweegt als volgt.

Algemene overwegingen

Art. 61 Vreemdelingenwet 2000 verplicht de vreemdeling die niet rechtmatig verblijf heeft, Nederland uit eigen beweging te verlaten. Gelet op de parlementaire geschiedenis betekent dit tevens dat de vreemdeling die tot ongewenst vreemdeling is verklaard de rechtsplicht heeft het land te verlaten. Van die verplichting is slechts uitgezonderd:

- de vreemdeling van wie aannemelijk is geworden dat hij buiten zijn schuld niet in het bezit kan komen van reisdocumenten5;

- de vreemdeling van wie is gebleken dat hij zich redelijkerwijs bezien voldoende inspanningen heeft getroost om te voldoen aan zijn plicht het land te verlaten, doch daarin - al dan niet met ondersteuning van de Nederlandse overheid - niet is geslaagd. Daarbij dient ook betrokken te worden of van deze inspanningen redelijkerwijs bezien enig resultaat was te verwachten.6

Bij de beoordeling of voormelde uitzonderingssituatie zich voordoet, dienen naar het oordeel van het hof onder meer de volgende aspecten te worden betrokken:

a. Het enkele feit dat het de Nederlandse overheid niet gelukt is de verdachte uit te zetten, maakt op zichzelf nog niet dat voormelde uitzonderingsituatie aanwezig moet worden geacht. Het is immers de verdachte zelf die primair de rechtsplicht tot vertrek uit Nederland heeft.7

In dit licht kan worden verlangd dat de verdachte al hetgeen in zijn macht ligt verricht, zoals het inroepen van de hulp van familie en/of de International Organisation for Migration (verder: IOM) om uit eigen beweging uit te reizen. Indien het niet uitreizen louter het gevolg is van door de verdachte gesteld gebrek aan financiële middelen kan daaruit worden afgeleid dat niet alles door hem in het werk is gesteld om Nederland te kunnen verlaten.8

b. De verdachte zal niet alleen dienen te stellen maar waar dit redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd ook zoveel mogelijk feitelijk en met bewijsstukken dienen te onderbouwen9 dat hij getracht heeft een einde aan zijn strafbare verblijf te maken door alle medewerking te verlenen aan de Nederlandse, de autoriteiten van het land van herkomst en eventuele andere autoriteiten om hem de benodigde documenten te verschaffen, alsook dat hij ook zelf niet bij voorbaat inadequaat te achten pogingen tot vertrek heeft ondernomen.

c. De primaire verantwoordelijkheid voor verkrijging van in- en uitreisdocumenten, dan wel voor bewijsstukken inzake zijn identiteit, geboorteplaats- en land, en nationaliteit ligt bij de verdachte. In dat kader wordt - zoals hierboven overwogen - van de verdachte onder meer verwacht dat hij alle wegen bewandelt, inclusief het inschakelen van de IOM en/of familie in het herkomstland en/of het Rode Kruis, om dergelijke documenten te verkrijgen.10 De verdachte zal dergelijke pogingen ook zoveel mogelijk dienen te documenteren. Het voorgaande geldt te meer, indien de verdachte zich van aliassen heeft bediend en er derhalve reeds deswege gerede twijfel kan bestaan omtrent zijn identiteit en nationaliteit.

d. Van de verdachte kan de volledige medewerking aan presentaties bij ambassades, taaltesten, gegevensverstrekking en dergelijke worden verlangd.

e. Niet vereist is dat de verdachte min of meer langdurig in een ander land kan verblijven, of dat hij naar zijn eigen land kan terugkeren. Voldoende is dat niet onaannemelijk is, dat hij tot enig land (legale) toegang zal kunnen krijgen ongeacht de duur daarvan.

Bij de beoordeling of zich voormelde uitzonderings-situatie voordoet zal tevens dienen te worden betrokken of, en zo ja in hoeverre, zich in het strafdossier informatie van de zijde van de Nederlandse overheid of anderszins bevindt, dan wel uit het onderzoek ter terechtzitting informatie naar voren is gekomen omtrent de inspanningen van de verdachte om Nederland te verlaten en/of omtrent de opstelling van de autoriteiten van het land waarvan de verdachte stelt de nationaliteit te hebben (of waaruit hij zegt afkomstig te zijn) bij de facilitering van het vertrek van de verdachte, zowel in het individuele geval, als meer in algemene zin.

Overwegingen ten aanzien van de onderhavige zaak

Op grond van hetgeen hierna onder het hoofdstuk Strafmodaliteit is overwogen, is het hof van oordeel dat de verdachte niet alles in het werk heeft gesteld wat redelijkerwijs van haar gevergd kon worden om te voldoen aan haar verplichting uit eigen beweging Nederland te verlaten. Voorts is gelet op het daar overwogene evenmin aannemelijk geworden dat zij buiten haar schuld geen reisdocumenten heeft kunnen verkrijgen.

Het hof heeft er begrip voor dat de verdachte na haar ervaringen bij de kortstondige terugzending naar Nigeria, weerstand had tegen het meewerken aan nader onderzoek door de Nigeriaanse autoriteiten. Toch vormen die ervaringen naar het oordeel van het hof onvoldoende rechtvaardiging om vervolgens geheel af te zien van medewerking aan in Nederland georganiseerde gesprekken met de Nigeriaanse autoriteiten. Zulks te meer omdat de uitkomsten van de latere taalanalyse aangeven, dat de verdachte afkomstig is uit de Nigeriaanse spraak- en cultuurgemeenschap, en er derhalve gerede twijfel kan bestaan omtrent de juistheid van haar stelling dat zij uit Suriname respectievelijk de Nederlandse Antillen afkomstig zou zijn.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmodaliteit

Strekking van de Terugkeerrichtlijn

In antwoord op het verzoek om een prejudiciële beslissing aangaande de uitleg van de Terugkeerrichtlijn heeft het Hof van Justitie van de EU in zijn arrest in de zaak Achughbabian van 6 december 2011 onder meer het volgende geantwoord. De Terugkeerrichtlijn verzet zich niet tegen een regeling voor zover deze toestaat dat een gevangenisstraf wordt opgelegd aan een onderdaan van een derde land op wie de bij die richtlijn ingestelde terugkeerprocedure is toegepast en die, zonder geldige reden om niet terug te keren, illegaal op dat grondgebied verblijft.

Op grond van de volgende feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat in casu aan deze voorwaarden zoals door het Hof van Justitie van de EU uiteengezet, voldaan.

De verdachte is vanwege het begaan van strafbare feiten in 2005 ongewenst verklaard. In de daarop volgende jaren is de verdachte herhaalde keren zowel schriftelijk als mondeling door de Vreemdelingenpolitie aangezegd Nederland zelfstandig te verlaten.

De verdachte is daarnaast door de Dienst Terugkeer en Vertrek en de Vreemdelingenpolitie, in 2003 en 2011 zonder resultaat bij de diplomatieke vertegenwoordiging van Nigeria gepresenteerd of voorgedragen ter verkrijging van een reisdocument. In 2010 en 2011 is zij -eveneens zonder resultaat gepresenteerd- bij de diplomatieke vertegenwoordiging van Suriname.

Zij heeft meermalen, van 28 oktober 2009 tot 3 maart 2010 en van 18 juni 2010 tot 21 september 2010 in vreemdelingenbewaring doorgebracht.

Tenminste 15 maal is een procedure opgestart voor de aanvraag van een laissez-passer. In augustus 2003 is aan de verdachte door de ambassade van Nigeria een laissez-passer toegekend. Zij is in november 2003 verwijderd.

Na aankomst in Nigeria bleek zij volgens de Nigeriaanse

autoriteiten geen Nigeriaanse te zijn en is zij na 2 dagen teruggestuurd. Nadat de verdachte aanvankelijk haar medewerking weigerde te verlenen, heeft een taalanalyse echter uitgewezen dat de verdachte eenduidig te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap van Nigeria. Verdachte heeft desondanks geen aantoonbare inspanningen verricht om nadere gegevens te verstrekken aan de hand waarvan de Nigeriaanse autoriteiten wellicht een reisdocument zouden kunnen verstrekken, noch enige redelijke verklaring gegeven voor de uitkomsten van voormelde taalanalyse.

Het hof overweegt hierbij tevens, dat het bepaald niet op voorhand kan worden uitgesloten dat, indien de verdachte volledige medewerking verleent zij Nederland wel degelijk zal kunnen verlaten. In dit licht is van belang dat de verdachte op 4 april 2011, en derhalve kort na het begaan van het thans tenlastegelegde feit, gepresenteerd is aan een Taskforce bestaande uit een delegatie van Nigeriaanse immigratie-autoriteiten, welke speciaal voor zaken als die van verdachte naar Nederland waren gekomen. Door hen is ook een laissez-passer aanvraag van verdachte onderzocht. De verdachte wenste echter geen antwoord te geven op de vragen van de vertegenwoordiging en heeft bij die gelegenheid verklaard afkomstig te zijn uit Suriname. Vervolgens is door de Nigeriaanse delegatie aangegeven dat op basis van de huidige beschikbare informatie er onvoldoende aanknopingspunten zijn om de Nigeriaanse nationaliteit vast te stellen.

Ook zijn er inspanningen verricht teneinde te bezien of verdachte wellicht naar Suriname verwijderd zou kunnen worden, uit welk land verdachte zegt afkomstig te zijn.

Op 15 april 2010 is betrokkene bij de Surinaamse diplomatieke vertegenwoordiging gepresenteerd.

Op 14 oktober 2010 heeft het Surinaamse Consulaat te Amsterdam bericht dat de verdachte niet voorkomt in het Centraal Bureau voor Burgerzaken te Paramaribo. Derhalve kan de Surinaamse nationaliteit niet bevestigd worden.

Tegenover de Vreemdelingenpolitie en de Dienst Terugkeer & Vertrek heeft de verdachte er blijk van gegeven te berusten in haar situatie en passief te zijn in het verlenen van haar medewerking aan de terugkeer naar haar land van herkomst. Verdachte heeft geen aantoonbare inspanningen verricht om nadere gegevens te verstrekken omtrent haar geboorte dan wel haar verblijf in Suriname, aan de hand waarvan de Surinaamse autoriteiten wellicht een reisdocument zouden kunnen verstrekken

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte volhard in haar stelling dat zij is geboren in Suriname en de Surinaamse nationaliteit bezit, echter zonder deze stelling aannemelijk te maken. Ook heeft zij verklaard gedurende 18 jaren op Aruba te hebben verbleven, welke stelling echter eveneens in het geheel niet is onderbouwd en weinig aannemelijk moet worden geacht mede omdat verdachte de Papiamentoe-taal zo goed als niet beheerst.

Niet gebleken is dat de verdachte door tussenkomst van de Internationale Organisatie voor Migratie of anderszins pogingen heeft gedaan om Nederland te verlaten.

De verdachte heeft gelet op het vorenoverwogene, alle door de staat geëntameerde in de Terugkeerrichtlijn genoemde maatregelen ten spijt, illegaal op het grondgebied van Nederland verbleven, terwijl niet is gebleken of aannemelijk geworden dat de verdachte een geldige reden had om niet terug te keren.

Derhalve staat de Terugkeerrichtlijn er niet aan in de weg dat aan de verdachte ter zake van de bewezen verklaarde overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte een gevangenisstraf van na te noemen duur wordt opgelegd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft als vreemdeling in Nederland verbleven, terwijl zij wist dat zij tot ongewenste vreemdeling was verklaard, zoals in bewezenverklaring nader omschreven.

Aldus heeft de verdachte het vreemdelingenbeleid van de Nederlandse overheid doorkruist.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 mei 2012, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht en andersoortige misdrijven. Dat heeft haar er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een uit een oogpunt van generale en speciale preventie een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Gelet op de ernst van het feit, het risico op herhaling en de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie kan naar het oordeel niet worden volstaan met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf dan wel een lagere gevangenisstraf dan door de advocaat-generaal gevorderd, zoals door de raadsman meer subsidiair bepleit.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 63 en 197 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. A. Kuijer, mr. M.I. Veldt-Foglia en mr. T.J.P. van Os van den Abeelen, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 april 2013.

1 PB L 348, p. 98.

2 Wet van 15 december 2011 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie van de richtlijn nr. 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PbEU L 348/98), Stb. 2011/663; Besluit van 22 december 2011, houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de implementatie van voornoemde richtlijn, Stb. 2011, 664.

3 HVJEU, 6 december 2011, C-329/11, NJ 2012,108 m.nt. Mok.

4 PB L 348, p. 98.

5 HR 20 januari 2009, LJN: BF8848, NJ 2009, 235, r.o. 2.6 m.nt. N. Keijzer.

6 Zie HR 1 december 2009, LJN: BI5627, NJ 2010,101, r.o. 2.6.

7 Aldus ook HR 20 januari 2009, 07/10507; LJN: BF8848, NJ 2009, 235 m.nt. N. Keijzer.

8 Gerechtshof Den Haag 24 februari 2009, ng. Zie hiervoor HR 20 april 2010, LJN BL6769, waarbij dit arrest in cassatie in stand werd gelaten.

9 Zie ook de noot van N. Keijzer onder HR 20 januari 2009, NJ 2009, 235 en bijv. Hof Amsterdam (zp Arnhem), 17 augustus 2010, 21-001891-09, (n.g.).

10 Zie HR 28 oktober 2008, 00940/07, LJN: BE9611.