Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:CA1605

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-05-2013
Datum publicatie
31-05-2013
Zaaknummer
200.067.788.01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgang. Geen sprake van contra-indicaties. Ondanks onthouden van medewerking door de moeder legt het hof een omgangsregeling vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 8 mei 2013

Zaaknummer : 200.067.788.01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 08-6069

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.C.M. van Lieshout te Den Haag,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J.S. Dijkstra te Den Haag.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Voor het procesverloop in hoger beroep verwijst het hof naar zijn beschikkingen van 23 februari 2011 en 16 mei 2012. Bij die laatste beschikking zijn partijen verwezen naar Bureau Jeugdzorg Haaglanden, vestiging Den Haag Centrum/Scheveningen, voor het verkrijgen van een indicatie voor het onder begeleiding op gang brengen van de omgang tussen de vader en de minderjarige en is de behandeling van de zaak pro forma aangehouden tot 24 november 2012. Voorts is bepaald dat partijen het hof voor deze pro-formadatum berichten of een nadere mondelinge behandeling is gewenst of dat de zaak schriftelijk kan worden afgedaan.

Bij het hof is van de zijde van Bureau Jeugdzorg Haaglanden op 20 februari 2013 de eindrapportage van het omgangshuis ingekomen.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 30 november 2012 een brief van 29 november 2012;

- op 6 maart 2013 een brief van 5 maart 2013 met bijlage, welke op 12 maart 2013 nogmaals is ingekomen met de gecompleteerde bijlage.

De zaak is op 17 april 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de heer J. Ekkels namens de raad.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Het hof handhaaft al hetgeen het in zijn tussenbeschikkingen heeft overwogen en beslist. Ter beoordeling ligt voor de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige.

2. In het eindverslag van Stichting Jeugdformaat (het omgangshuis) is het volgende beschreven. Er is geen vooruitgang geboekt met de omgangsbegeleiding. De moeder belast de minderjarige met haar angsten en met het feit dat zij de vader niet kan vertrouwen. Hierdoor belemmert ze een ongestoorde omgang tussen de vader en de minderjarige. De vader heeft gedurende het traject laten zien in staat te zijn tot het goed vormgeven van de omgangscontacten met de minderjarige. Ook heeft de vader zich welwillend opgesteld naar de moeder toe. De ambulant hulpverlener is van mening dat er zelfstandige omgang moet kunnen plaatsvinden zonder de aanwezigheid van de moeder.

3. De moeder heeft in haar reactie op het eindverslag gemotiveerd laten weten het niet eens te zijn met de inhoud van het verslag. Zij stelt dat zij nog steeds ernstige zorgen heeft ten aanzien van de veiligheid van de minderjarige op het moment dat zij alleen met de vader zou zijn. De minderjarige geeft volgens haar te kennen dat zij niet alleen met de vader mee wil gaan. Voorts stelt de moeder zich bewust te zijn van het belang van het contact tussen de vader en de minderjarige, maar dan wel begeleid.

4. Namens de vader is ter zitting aangevoerd dat niet is gebleken van contra-indicaties die aan vaststelling van een onbegeleide omgangsregeling in de weg kunnen staan. De vader ziet de minderjarige één keer in de veertien dagen in het bijzijn van de moeder. Volgens de vader is gebleken dat de moeder tijdens de omgangscontacten zodanige spanningen creëert dat de minderjarige daar last van heeft. De vader betwist dat de minderjarige geen omgang met hem zou willen. De vader vreest dat de moeder haar angsten op de minderjarige doet overgaan.

5. Namens de raad is ter zitting aangevoerd dat het voor de minderjarige spanningen en onduidelijkheid oplevert wanneer de moeder bij de omgangscontacten met de vader aanwezig is. De omgang vindt nu reeds drie jaren plaats op deze wijze. De raad acht de tijd nu rijp om te beginnen met onbegeleide omgang die eens in de veertien dagen een middag plaatsvindt. De raad stelt voor na een half jaar de omgangscontacten te evalueren.

6. Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat zowel door de Stichting Jeugdformaat als door de raad geen contra-indicaties zijn gesignaleerd die aan onbegeleide omgang tussen de vader en de minderjarige in de weg staan. Het omgangshuis van de Stichting Jeugdformaat heeft geconcludeerd dat de vader heeft laten zien in staat te zijn tot het goed vormgeven van de contactmomenten met de minderjarige en dat hij en de minderjarige de omgang met elkaar als positief hebben ervaren. Gelet op de conclusie en het advies van het omgangshuis en hetgeen door de raad ter zitting naar voren is gebracht komt het hof tot het oordeel dat thans een onbegeleide omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige dient te worden vastgesteld. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking dat de spanningen die de door de moeder begeleide omgangscontacten met zich brengen een negatieve weerslag hebben op de minderjarige hetgeen een goede ontwikkeling van de band tussen de minderjarige en de vader in de weg zal gaan staan. Het hof neemt voorts in aanmerking dat de moeder ter zitting heeft toegezegd haar medewerking aan een onbegeleide omgangsregeling te zullen verlenen indien zulks door het hof wordt beslist. Het hof gaat er vanuit dat de moeder haar toezegging onvoorwaardelijk gestand zal doen, waarmede zij overigens ook handelt in overeenstemming met de verplichting de ontwikkeling van de band tussen vader en kind te bevorderen.

7. Gelet op het voorgaande zal het hof een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige vaststellen inhoudende dat de minderjarige tot 1 september 2013 eenmaal per veertien dagen op zaterdag van 10:00 uur tot 17:00 uur bij de vader zal verblijven en met ingang van voornoemde datum eenmaal per veertien dagen van zaterdag 10:00 uur tot zondag 19:00 uur. Het hof acht het van belang dat deze regeling daadwerkelijk zal worden nageleefd. Ten aanzien van het verzoek van de vader ten aanzien inzake een vakantieregeling overweegt het hof dat de ouders daartoe met elkaar in het najaar van 2013 in overleg dienen te treden, zodat in 2014 ook delen van vakanties door de minderjarige bij de vader zullen worden doorgebracht. Het hof acht de partijen in staat hierover te zijner tijd afspraken te kunnen maken.

8. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover die de omgangregeling betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt tussen de vader en de moeder een regeling vast inzake de uitoefening van het omgangsrecht, inhoudende dat de minderjarige bij de vader zal zijn:

- met ingang van heden tot 1 september 2013: eenmaal per veertien dagen op zaterdag van 10:00 uur tot 17:00 uur;

- met ingang van 1 september 2013: eenmaal per veertien dagen van zaterdag 10:00 uur tot zondag 19:00 uur.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af;

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Van Leuven en Van der Burght, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 mei 2013.