Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:CA1385

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-03-2013
Datum publicatie
30-05-2013
Zaaknummer
200.119.340.01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van gezag; cultuurverschillen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 27 maart 2013

Zaaknummer. : 200.119.340/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 12-5074

[verzoekers],

wonende te Gouda,

verzoekers in hoger beroep,

hierna te noemen: de ouders,

advocaat mr. J. de Haan te Utrecht,

tegen

de raad voor de kinderbescherming,

vestiging Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. de heer [A. ] en mevrouw [B.],

wonende op een geheim adres,

pleegouders van de na te noemen minderjarigen [minderjarige 4], (geboren [in 2009]) en [minderjarige 2], (geboren [in 2005]),

2. de heer [C.] en mevrouw [D.], wonende op een geheim adres,

pleegouders van de na te noemen minderjarige [minderjarige 3] (geboren [in 2007]),

3. de heer [E.] en mevrouw [F],

wonende op een geheim adres,

pleegouders van de na te noemen minderjarige [minderjarige 1] (geboren [in 2000]),

4. de Stichting Bureau Jeugdzorg,

kantoor houdende te Gouda,

hierna ook te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De ouders zijn op 21 december 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 25 september 2012 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de ouders:

- op 27 december 2012 nogmaals het verzoekschrift, met bijlagen.

De zaak is op 14 maart 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting zijn verschenen:

- de vader en de moeder, bijgestaan door mr. De Haan en door de heer L. D. Clo, tolk in de [X] taal,

- mevrouw N. van den Boogaard en mevrouw M. van Asperen namens de raad, en

- de heer J. Pappers en mevrouw M. Menzo namens Jeugdzorg.

De pleegouders van [minderjarige 4] en [minderjarige 2], als ook de pleegouders van [minderjarige 3] en de pleegouders van [minderjarige 1] zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] heeft geen gebruik gemaakt van de door het hof geboden gelegenheid om mondeling haar mening ten aanzien van de ontheffing van haar ouders van het gezag over haar kenbaar te maken.

Ter zitting is namens de ouders hun verzoek aangevuld, in die zin dat zij thans verzoeken – indien het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen – een andere instelling dan Jeugdzorg tot voogd over de minderjarigen te benoemen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking zijn – uitvoerbaar bij voorraad – de vader [naam] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en de moeder [naam] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarigen:

1. [minderjarige 1] geboren [in 2000] [geboorteplaats];

2. [minderjarige 2], geboren [in 2005], te [geboorteplaats];

3. [minderjarige 3], geboren [in 2007] te [geboorteplaats]; en

4. [minderjarige 4], geboren [in 2009] te [geboorteplaats] (hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen) en is tot voogdes over voormelde minderjarigen benoemd de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid Holland.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ontheffing van de ouders van het gezag over de minderjarigen voornoemd.

2. De ouders verzoeken het hof om bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad primair de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende:

primair: het verzoek van de raad tot ontheffing van ouders van het gezag over de minderjarigen af te wijzen;

subsidiair: het verzoek van de raad tot ontheffing van de ouders van het gezag aan te houden teneinde te bezien in hoeverre het tot een goede samenwerking tussen Jeugdzorg en ouders komt;

tertiair: een andere instantie dan Jeugdzorg aan te wijzen; en

te bepalen dat de proceskosten aan de zijde van de ouders voor rekening van verzoekster (het hof leest: de raad) komen; althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

3. De raad bestrijdt het beroep van de ouders.

4. Jeugdzorg bestrijdt het beroep van de ouders.

5. De ouders voeren het volgende aan. De rechtbank heeft onvoldoende gewicht toegekend aan hun voorgeschiedenis en het verloop van de hulpverlening. Daarmee is ten onrechte geconcludeerd dat er op korte termijn geen verandering in de geschiktheid van de ouders komt. De hulpverlening aan de ouders is zeer moeizaam op gang gekomen. Door Reset zijn in totaal 70 uren ingezet over de maanden april 2009 tot december 2009 en de ambulant begeleider van Stek heeft geobserveerd, geadviseerd en gesproken met buitenstaanders. Na de uithuisplaatsing van de jongste minderjarige is door Jeugdzorg niet verder (aantoonbaar) ingezet op hulpverlening aan de ouders. Inmiddels heeft Jeugdzorg op 9 november 2012 na een verzoek van de ouders aangegeven dat zij willen bezien of er met behulp van Videohometraining of een andere vorm van hulp ingezet kan worden op begeleiding van de ouders. Tot op de dag van het indienen van het verzoekschrift is dit nog niet van de grond gekomen. De ouders zijn van mening dat het, gelet op het verloop van de hulpverlening, niet vreemd is dat zij (nog) niet in staat zijn om zelf voor hun kinderen te zorgen. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de kinderen zijn gehecht en geworteld in de Nederlandse pleeggezinnen. De ouders doen hun best om de kinderen met de [naam cultuur]-cultuur kennis te laten maken door hen en de pleegouders uit te nodigen voor een [naam cultuur]-kerstviering, een [naam cultuur]-nieuwjaarsfeest en een [naam cultuur]-kerkdienst. Indien de kinderen meer eigen worden in hun eigen cultuur en kennis maken met [naam cultuur]-kinderen, zal er ook meer ruimte komen om de kinderen te laten terugkeren naar de ouders. De ouders leren nu beter Nederlands dan zij in de eerste periode in Nederland deden. De ouders betwisten dat zij niet in staat zijn gebleken voor hun jongste kind te zorgen. De jongste minderjarige had kort voor zijn ziekenhuisopname waterpokken en spruw gehad, waardoor hij in een slechtere conditie was. In die periode was de jeugdverpleegkundige van het consultatiebureau zeer betrokken bij het gezin en haar adviezen werden opgevolgd. Toen zij op vakantie ging, ging het mis en werd de minderjarige op advies van de jeugdarts opgenomen in het ziekenhuis vanwege een afbuigende groeicurve. De kinderarts van het ziekenhuis, die niet op de hoogte was van de positieve ontwikkelingen van de ouders, kwam tot een geheel andere conclusie dan het team van het consultatiebureau en meende dat de ouders niet in staat zijn om voor de minderjarige te zorgen. Tenslotte zijn de ouders van mening dat het beter is indien er een jaarlijkse toetsing van de uithuisplaatsing plaatsvindt, zodat jaarlijks door een onafhankelijke rechter zal worden getoetst welke stappen door Jeugdzorg zijn ondernomen om de ouders te begeleiden in het contact met hun kinderen. Ter zitting is namens de ouders verzocht – indien het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen – een andere instantie dan Jeugdzorg tot voogd over de minderjarigen te benoemen.

6. Namens de raad is ter zitting verklaard dat de situatie tot op heden ongewijzigd in stand is gebleven. Er zijn nog steeds ernstige zorgen over de opvoedingscapaciteiten en de leerbaarheid van de ouders. De raad handhaaft derhalve het verzoek tot ontheffing van de ouders van het gezag over de minderjarigen. De ouders tonen weliswaar veel betrokkenheid bij de minderjarigen maar zij kunnen hen niet bieden wat zij nodig hebben . De minderjarigen zijn reeds ingegroeid in de pleeggezinnen waar zij sinds enkele jaren verblijven en waaraan zij zich aan het hechten zijn. Ook voor de minderjarige [minderjarige 2], die sinds kort in hetzelfde pleeggezin zit als [minderjarige 4], geldt dat hij zich reeds aan het hechten is aan zijn nieuwe pleeggezin en aan zijn broertje. De minderjarigen hebben nu duidelijkheid ten aanzien van hun toekomstperspectief nodig, hetgeen volgens de raad in hun huidige pleeggezinnen ligt.

7. Namens Jeugdzorg is ter zitting verklaard dat het nu goed gaat met (de ontwikkeling van) de minderjarigen. In oktober 2012 is [minderjarige 2] geplaatst in het pleeggezin waar ook [minderjarige 4] verblijft en sindsdien gaat het beter met hem. Er is een Video Interactie Begeleiding voor de ouders aangevraagd en deze zal binnenkort van start gaan. Jeugdzorg is van mening dat de ouders in het belang van de minderjarigen de huidige situatie dienen te accepteren en dat vanuit die acceptatie gewerkt kan worden aan de rol die de ouders – en daarmee hun cultuur – in het leven van de minderjarigen kunnen gaan vervullen. Ten aanzien van het verzoek van de ouders een andere instelling dan Jeugdzorg tot voogd over de minderjarigen te benoemen, stelt Jeugdzorg dat zij reeds lange tijd met deze zaak bezig is, zodat het benoemen van een andere instelling tot voogd over de minderjarigen, hen tekort zou doen.

8. Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) een ouder van het gezag over één of meer van zijn kinderen kan worden ontheven, op de grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet. Een ontheffing kan niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet, tenzij zich één van de uitzonderingen van artikel 1:268 lid 2 van het BW voordoet. Nu de ouders niet instemmen met een ontheffing van het gezag, ligt ter toetsing aan het hof de vraag voor of er gegronde vrees bestaat dat, na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden, deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van de ouders om hun plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen van de minderjarigen af te wenden.

9. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting komt het hof tot het oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft overwogen en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. Het hof neemt voorts in aanmerking dat niet is bestreden dat de genomen beschermingsmaatregelen ten aanzien van de oudste minderjarige destijds noodzakelijk waren. De (diverse) hulpverlening die de ouders in samenhang daarmee geboden werd heeft door verschillende omstandigheden, waaronder de taalbarrière en de grote verschillen in de cultuur van de ouders en de Nederlandse cultuur, niet tot het gewenste resultaat, te weten het vergroten van de opvoedkundige vaardigheden van de ouders, geleid. Naar het oordeel van het hof zijn de ouders, door hun gebrek aan opvoedkundige vaardigheden, de grote cultuurverschillen, de communicatieproblemen en de vervreemding die ondertussen tussen hen en de minderjarigen is ontstaan, onmachtig en ongeschikt om hun plicht tot verzorging en opvoeding van deze minderjarigen te vervullen. Daarnaast zijn de minderjarigen nu gehecht en geworteld in hun pleeggezinnen. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien de ontheffing van de ouders van het gezag over de minderjarigen derhalve bekrachtigen.

10. Het hof gaat er evenwel vanuit dat Jeugdzorg ervoor zorg zal dragen dat nu gewerkt zal worden aan het behoud en de versterking van de band tussen de ouders en de minderjarigen en aan de kennismaking van de minderjarigen met de cultuur waaruit zij komen.

11. Ten aanzien van het verzoek van de ouders tot benoeming van een andere instelling als voogd over de minderjarigen, neemt het hof de overwegingen van de rechtbank dienaangaande over. Het hof gaat er derhalve, evenals de rechtbank, vanuit dat, indien met de ouders tot de conclusie wordt gekomen dat er geen draagvlak is, Jeugdzorg de voogdij over de minderjarigen mandateert aan het Leger des Heils.

12. Het hof beslist daarom als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van de Poll, Mink en Van Montfoort, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 maart 2013.