Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:CA1262

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-05-2013
Datum publicatie
29-05-2013
Zaaknummer
200.101.355-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:3531, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 1:441 BW: vraag of bewindvoerder aansprakelijk is voor het door hem gevoerde bewind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2013/226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.101.355/01

Rolnummer rechtbank : 345046 / HA ZA 09-3698

arrest van 28 mei 2013

inzake

STICHTING BEWINDVOERING NU VOOR LATER,

gevestigd te Rotterdam,

appellante,

hierna te noemen: Nu voor Later,

advocaat: mr. K. Teuben te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

vertegenwoordigd door [...] (bewindvoerder),

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. G.J.R. van der Kolk te Hilversum.

1. Het geding

Bij exploot van 29 december 2011 is Nu voor Later in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 5 oktober 2011. Bij memorie van grieven - met producties - heeft Nu voor Later drie grieven aangevoerd, die door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord - eveneens met producties - zijn bestreden. Partijen hebben elk een akte genomen. Vervolgens hebben zij de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

2. Beoordeling van het hoger beroep

2.1 De door de rechtbank in haar vonnis vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet bestreden. Ook het hof gaat van die feiten uit.

2.2 Het gaat in deze zaak om het volgende:

- De goederen die toebehoren aan [geïntimeerde] staan onder bewind.

- In de periode van 28 februari 2002 tot 1 maart 2007 was Nu voor Later de bewindvoerder.

- De opvolgende bewindvoerder, [de bewindvoerder] voornoemd, meent dat het bewind van Nu voor Later ondeugdelijk was.

2.3 De vorderingen van [geïntimeerde] (i) tot verklaring voor recht dat Nu voor Later jegens [geïntimeerde] toerekenbaar is tekort geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder, althans dat zij zich jegens [geïntimeerde] onzorgvuldig heeft gedragen, en (ii) veroordeling van Nu voor Later tot schadevergoeding, op te maken bij staat, zijn door de rechtbank in het genoemde vonnis toegewezen.

2.4 De derde grief noopt tot beantwoording van de vraag of Nu voor Later als bewindvoerder is tekort geschoten, althans onrechtmatig heeft gehandeld.

2.5 De verwijten die [geïntimeerde] aan Nu voor Later maakt, kunnen als volgt worden weergegeven:

1. Nu voor Later had de aan [geïntimeerde] door haar moeder geschonken vermogensbestanddelen - die op 3 januari 2005 een bedrag van € 1.460.319,60 vormden - niet mogen laten beheren door de [naam stichting] (verder: SAHS).

2. SAHS is in haar beheerstaak jegens [geïntimeerde] tekortgeschoten, waarvoor Nu voor Later als bewindvoerder, althans een van de vier bestuursleden van SAHS (mede) verantwoordelijk is. Dit tekortschieten bestaat uit het volgende:

a. aan de moeder van [geïntimeerde] zijn (onderhouds-)uitkeringen gedaan, zonder voorafgaande schriftelijke afspraken, zonder overleg met [geïntimeerde], zonder zekerheid van terugbetaling en zonder toestemming van de kantonrechter of de rechtbank; SAHS noch [geïntimeerde] hadden een juridische of morele verplichting om aan de moeder van [geïntimeerde] bijstand te verlenen, in elk geval niet in de omvang waarin dat is geschied;

b. een kavel bouwgrond is gekocht en verkocht; [geïntimeerde] is daarover niet geraadpleegd, toestemming van de kantonrechter daarvoor is niet gevraagd; het was een onnodige en niet goed voorbereide aankoop, die een verlies van € 12.010,10 heeft opgeleverd;

c. er zijn bedragen voor de moeder betaald, onder meer aan haar belastingadviseurs; het betreft buitensporig hoge declaraties van die belastingadviseurs;

d. de kosten van SAHS waren te hoog;

e. hierdoor is het vermogen met € 580.551,80 afgenomen;

3. Nu voor Later had in elk geval toen haar bleek dat het beheer door SAHS in strijd met de belangen van [geïntimeerde] was, dat beheer moeten beëindigen.

2.6 Het hof oordeelt hierover als volgt.

2.7 De schenking van materieel de moeder van [geïntimeerde] (formeel de Stichting Particulier Fonds Bosduin, gevestigd te Curaçao) was - op advies van haar belastingadviseurs - aldus vorm gegeven dat het bedrag van de schenking (voorvloeiend uit termijnbeleggingen aangehouden bij de KBC Bank te Essen, België) in elk geval feitelijk terecht diende te komen bij de SAHS. De statuten van die stichting bepalen onder meer dat de stichting als doel had het in stand houden en beheren van in wezen hetgeen geschonken was en het in natura verstrekken van voorzieningen, zoals woongenot. Blijkens een brief van de belastingadviseur van de moeder van 20 februari 2003 was het destijds de bedoeling dat het bedrag van de schenking grotendeels zou worden aangewend voor de aankoop van een bouwkavel te Zeist en de bouw van een van een woning daarop, waarvan de totale kosten werden geschat op € 1.000.000,-. De bedoeling was dat [geïntimeerde] woongenot van die te bouwen woning zou hebben.

Verder werden bij de statuten als eerste bestuursleden benoemd, twee personen verbonden aan het belastingadvieskantoor van de moeder, Nu voor Later en [X].

Van de bedoeling om de schenking onder te brengen bij SAHS en de hiervoor genoemde inhoud van de statuten van die stichting (destijds nog in conceptvorm) was de kantonrechter bij brief van 19 oktober 2004 van de belastingadviseur van de moeder op de hoogte gesteld. De kantonrechter wist daar derhalve van toen deze bij beschikking van 21 oktober 2004 ex artikel 1:441 BW aan Nu voor Later een machtiging verleende om de onderhavige schenking te aanvaarden.

2.8 Op grond van hetgeen hiervoor (onder 2.7) is overwogen mocht Nu voor Later er onder meer van uitgaan dat het de bedoeling van de moeder van [geïntimeerde] was dat het uit de schenking voortvloeiende bedrag door SAHS beheerd zou worden en de kantonrechter daar geen bezwaar tegen had. Bij het ontbreken van argumenten die desondanks tot een andere conclusie voeren, is het onder 2.5 sub 1 weergegeven verwijt dat Nu voor Later het uit de schenking voortvloeiende bedrag niet door SAHS had mogen laten beheren, ongegrond.

2.9 De onder 2.5 sub 2 weergegeven argumenten zijn eveneens ongegrond. Daartoe wordt - de aldaar weergegeven indeling volgende - meer het bijzonder overwogen als volgt.

ad a

2.10 De gelden die SAHS beheerde hadden als bron hetgeen de moeder van [geïntimeerde] materieel aan haar dochter had geschonken. Vast staat dat de moeder van [geïntimeerde] na de schenking in problemen is geraakt en zelf geldelijke middelen behoefde. In een dergelijke situatie kan in beginsel niet geoordeeld worden dat [geïntimeerde], als zij in staat zou zijn geweest ten volle haar vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, haar moeder niet financieel zou hebben geholpen met een deel van de middelen die zij materieel van haar moeder geschonken had gekregen. Concrete argumenten op grond waarvan uitzondering op dit uitgangspunt gemaakt moet worden, zijn gesteld noch gebleken. Een bewindvoerder heeft niet slechts als taak om voor optimaal rendement van onder bewind gesteld vermogen zorg te dragen, hij mag zich ook laten leiden door hetgeen naar in redelijkheid mag worden aangenomen de rechthebbende (in dit geval [geïntimeerde]) zou hebben gedaan indien deze in staat zou zijn geweest ten volle haar vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen.

[geïntimeerde] heeft onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat de hoogte van de aan de moeder verstrekte bedragen (zie productie 3 bij de inleidende dagvaarding) onredelijk hoog was. Daarbij is van belang dat de moeder kennelijk aan een hoge levensstandaard was gewend en vanwege (geestelijke) gebreken van de zorg van anderen afhankelijk was geworden.

Achteraf gezien kan wel gezegd worden dat de gelden op betere zakelijke voorwaarden aan de moeder verstrekt hadden kunnen worden (eerdere schriftelijke vastlegging; het niet uitstellen van het verkrijgen van zekerheden), maar dat gebrek aan zorgvuldigheid is, de familieband tussen [geïntimeerde] en haar moeder mede in aanmerking nemende, niet zo ernstig dat Nu voor Later daarvoor schadeplichtig is geworden. Daarbij speelt mede een rol dat de aanzienlijke overwaarde van de woning van de moeder, op welk vermogensbestanddeel SAHS zich onder normale omstandigheden had kunnen verhalen, als gevolg van misbruik door een derde verloren is gegaan.

Van handelen in strijd met artikel 1:441, lid 2, BW is geen sprake, aangezien in die bepaling het in leen verstrekken van gelden niet is aangemerkt als een handeling waarvoor de toestemming van de rechthebbende of een machtiging van de kantonrechter is vereist. Bovendien zijn de gelden niet door [geïntimeerde] doch door SAHS aan de moeder zijn verstrekt.

ad b

2.11 Zoals onder 2.7 werd overwogen was het in elk geval ten tijde van de schenking de - ook voor de kantonrechter kenbare - bedoeling dat door SAHS met het materieel van de moeder afkomstig geld woonruimte zou worden gecreëerd waarvan [geïntimeerde] (mede) het genot zou krijgen.

De gewraakte koop van de grond moet in dat kader worden gezien. Dat het bouwplan - door het niet kunnen verkrijgen van een vergunning - niet gerealiseerd kon worden, houdt niet in dat die aankoop van onzorgvuldig handelen getuigt. Het transactieverlies is relatief beperkt gebleven.

Ook in dit verband is artikel 1:441, lid 2, BW niet geschonden. Aankoop van grond is immers geen handeling waarvoor toestemming van de rechthebbende of machtiging van de kantonrechter is vereist. Voor de verkoop van de grond is - hoewel dat als een beschikkingsdaad als bedoeld in artikel 1:441, lid 2, sub a. BW kwalificeert - strikt genomen ook geen toestemming of machtiging vereist, omdat het onderhavige perceel niet tot het vermogen van [geïntimeerde] doch van SAHS heeft behoord. Voor een analoge toepassing van die bepaling die tot schadeplichtigheid van Nu voor Later zou leiden - waartoe de omstandigheid dat de gelden van SAHS materieel voor [geïntimeerde] bestemd waren zou kunnen nopen -, is in dit geval evenmin reden, omdat uit hetgeen [geïntimeerde] heeft aangevoerd niet volgt dat tegen de verkoop van het perceel, toen bleek dat er niet op gebouwd kon worden, steekhoudende aan haar belang gerelateerde bezwaren bestonden.

ad c

2.12 De enkele omstandigheid dat betalingen ten gunste van de moeder zijn gedaan, houdt, blijkens hetgeen onder 2.10 werd overwogen niet in dat Nu voor Later het door [geïntimeerde] gemaakte verwijt kan worden gemaakt. Gelet op de samenstelling van het bestuur van SAHS - waarvan mag worden aangenomen dat die onder de algehele instemming van de moeder met de vorm waarin de schenking was gegoten viel - kan Nu voor Later er, als een van de leden van het bestuur, geen van belang zijnd verwijt van worden gemaakt, dat - zoals gesteld doch niet vast staat - de desbetreffende declaratie(s) buitensporig hoog waren. Voor Nu voor Later behoefde dat ook geen reden te vormen om aan het beheer door SAHS van de in elk geval materieel aan [geïntimeerde] geschonken gelden een einde te maken, althans proberen te maken.

ad d

2.13 [geïntimeerde] heeft dit verwijt onvoldoende onderbouwd. Ook hier geldt overigens dat de stichting, inclusief de samenstelling van haar (eerste) bestuur, deel uitmaakte van de vorm waarin de moeder de schenking had gegoten.

2.14 Nu de hiervoor besproken argumenten van [geïntimeerde] falen, is ook het onder 2.5 sub 3 weergegeven argument ongegrond.

2.15 De conclusie is dat uit hetgeen is gesteld of gebleken niet volgt dat Nu voor Later als bewindvoerder is tekort geschoten of onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld. De vordering van [geïntimeerde] ontbeert derhalve een deugdelijke grondslag.

2.16 Bij bespreking van de overige grieven heeft Nu voor Later geen belang.

2.17 De vordering van [geïntimeerde] zal worden afgewezen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in de beide instanties. De gevorderde rente over de proceskosten zal - als niet bestreden - worden toegewezen.

2.18 Het hof passeert elk bewijsaanbod als niet ter zake doende, althans onvoldoende gespecificeerd.

3. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

wijst de vordering van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in de beide instantie, welke kosten tot op heden aan de zijde van Nu voor Later worden bepaald op € 3.494,81, gespecificeerd als volgt:

262,00 griffierecht eerste instantie

1.582,00 salaris advocaat, eerste instantie

90,81 dagvaarding, hoger beroep

666,00 griffierecht, hoger beroep

894,00 salaris, tarief II, 1 punt

3.494,81

bepaalt dat [geïntimeerde] over het genoemde bedrag aan proceskosten wettelijke rente verschuldigd is indien dat bedrag niet binnen 14 dagen na heden wordt voldaan, in dat geval met ingang van 14 dagen na heden tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de veroordeling in de proceskosten betreft.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H.W. de Planque, A.A. Rijperman en R. van der Vlist, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2013 in aanwezigheid van de griffier.