Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:CA1141

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
27-05-2013
Zaaknummer
200.099.411-01 en 200.102.087.01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vraag waar minderjarige na echtscheiding haar hoofdverblijf dient te hebben: bij de moeder in Nederland of bij de vader in het buitenland. Ouderschapsonderzoek; bijzondere curator; inschatting van rechtbank en hof wie van de ouders de meeste waarborgen biedt voor gelijkwaardig ouderschap geeft uiteindelijk de doorslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 23 januari 2013

Zaaknummer : 200.099.411/01 en 200.102.087/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 10-7047

In de zaak met zaaknummer 200.099.411/01:

[de vader],

wonende te [woonplaats in buitenland],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. S.L.A. Verburgt te Den Haag,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. S.A. Ray te Rotterdam.

Als belanghebbende is aangemerkt:

mr. I.J. Pieters,

in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over de nader te noemen minderjarige,

kantoorhoudende te Leiden,

hierna te noemen: de bijzondere curator.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

In de zaak met zaaknummer 200.102.087/01:

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. S.A. Ray te Rotterdam,

tegen

[de vader],

wonende te [woonplaats in buitenland],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. S.L.A. Verburgt te Den Haag.

Als belanghebbende is aangemerkt:

mr. I.J. Pieters,

in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over de nader te noemen minderjarige,

kantoorhoudende te Leiden,

hierna te noemen: de bijzondere curator.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof verwijst voor de verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 11 april 2012 waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Bij die beschikking is een ouderschapsonderzoek gelast, waarbij tot deskundige is benoemd de heer drs. D. Pront.

De verdere behandeling van beide zaken is pro forma aangehouden tot 28 juli 2012. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

Op 16 oktober 2012 is bij het hof het deskundigenbericht van 12 oktober 2012 met bijlage ingekomen.

Van de zijde van de vader is op 26 november 2012 een faxbericht van diezelfde datum ingekomen.

De mondelinge behandeling van de zaak is op 5 december 2012 voortgezet.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat en mevrouw J.H. Reule als tolk in de Engelse taal;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de bijzondere curator.

De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting pleitnotities overgelegd. Het aan de pleitnotities aangehechte e-mailbericht van de moeder wordt, nu dit in strijd met de goede procesorde niet eerder in het geding is gebracht en nu dit niet snel en makkelijk te doorgronden is, buiten beschouwing gelaten.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

In de zaak met zaaknummer 200.102.087/01:

1.

In geschil zijn thans nog:

- de regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, meer specifiek de beslissing bij welke ouder de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum in] 2005 te[geboorteplaats] (hierna: de minderjarige) haar hoofdverblijfplaats heeft;

- de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: de kinderalimentatie).

2.

De deskundige rapporteert dat de ouders door de gesprekken in het kader van het ouderschapsonderzoek weer met elkaar hebben leren communiceren op een constructieve, respectvolle en ruimschoots adequate wijze, maar dat een en ander (nog) niet heeft geleid tot overeenstemming met betrekking tot de geschilpunten. De deskundige rapporteert voorts dat beide ouders overkomen als betrokken, warm en vanuit pedagogisch perspectief adequaat wat de geboden zorg betreft, hetgeen de ouders onderschrijven, maar dat zij beiden hun zorgen hebben die de reden zijn waarom zij niet akkoord kunnen gaan met de hoofdverblijfplaats van de minderjarige in elkaars gezin. De deskundige is van mening dat bij de besluitvorming met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de minderjarige niet alleen het perspectief van de ouders een rol dient te spelen, maar vooral het perspectief van de minderjarige, waarbij tevens mee dient te worden genomen dat er, uitgaande van het verhaal van de minderjarige, sprake is van een bijzondere door haar ervaren band met haar oudere broer van moederszijde. De deskundige is voorts van mening dat het gegeven dat de ouders elkaar, met betrekking tot de beeldvorming en het gevoelen bij de minderjarige (ten opzichte) van de andere ouder, kennelijk niet vertrouwen, voor de minderjarige onveiligheid kan betekenen en vanuit haar belang bezien belastend kan zijn. De deskundige concludeert dat de minderjarige een zeer jong meisje is, dat verwikkeld is en mogelijk klem zit in de strijd tussen haar ouders, die reeds jaren duurt en mogelijkerwijs verhardt. Volgens de deskundige is de vraag gerechtvaardigd of en zo ja in welke mate de ontwikkeling van de minderjarige bedreigd wordt gezien de omstandigheden dat de ouders niet in staat zijn hun basale rol van ouders ter hand te nemen door samen als ouders te besluiten waar hun dochter gaat wonen en daarom noodzakelijkerwijs de verantwoordelijkheid in handen leggen van derden en tevens niet in staat waren of bereid waren datgene te doen wat in het belang van de minderjarige was, namelijk samen als ouders een eenduidig en gezamenlijk plan opstellen en uitdragen over de zorg en de opvoeding van de minderjarige. Een en ander kan betekenen dat er meer tijd nodig zal zijn om te onderzoeken wat de behoeften van de minderjarige zijn en waar de mogelijk noodzakelijke hulp voor de minderjarige, in directe dan wel indirecte vorm, uit moet bestaan. Van belang dient hierbij te zijn dat de ouders, dan wel de individuele ouder, werkelijk open staat/staan voor de mogelijke zorg en/of ondersteuning die hij/zij nodig heeft/hebben en dat deze ouder(-s) bereid zal/zullen zijn die zorg te accepteren vanuit het werkelijke belang van de minderjarige.

3.

De bijzondere curator heeft ter zitting te kennen gegeven dat zijn visie niet is gewijzigd ten opzichte van zijn visie tijdens de mondelinge behandeling van de zaak op 2 februari 2012. Voorts heeft hij te kennen gegeven dat uit het gesprek tussen de deskundige en de minderjarige hetzelfde is voortgekomen als uit het gesprek dat hijzelf met de minderjarige heeft gevoerd. Naar zijn mening is de minderjarige beter gebaat bij verblijf bij de moeder hier te lande. Wel dient er naar zijn mening een goede contactregeling met de vader te worden opgezet en nageleefd.

Spiegelbeeldregeling

4.

Het hof overweegt als volgt. Ter zitting is gebleken dat de ouders, tijdens dan wel naar aanleiding van het door het hof gelaste ouderschapsonderzoek, nog niet tot overeenstemming waren gekomen omtrent een regeling inzake de verzorging en opvoeding van de minderjarige en een contactregeling tussen de niet-verzorgende ouder en de minderjarige, zowel in het geval dat de minderjarige de hoofdverblijfplaats bij de moeder zou hebben als wanneer dit bij de vader zou zijn (een zogenoemde spiegelbeeldregeling). Op verzoek van het hof hebben de ouders de bereidheid getoond direct met elkaar in onderhandeling te gaan omtrent een dergelijke regeling, waartoe het hof (mede ingegeven door het aanvankelijk niet verschijnen van een tolk) de mondelinge behandeling van de zaak voor enkele uren heeft geschorst.

5.

Nadat de mondelinge behandeling van de zaak werd hervat bleken de ouders in verregaande mate overeenstemming te hebben bereikt en wel als volgt:

  • -

    het uitgangspunt is dat de ouder waar de minderjarige niet verblijft de contactmomenten via het computerprogramma Skype (hierna: de Skype-contacten) initieert op zaterdag, zondag, dinsdag en donderdag en wel op de volgende tijdstippen:

  • -

    indien de minderjarige in Nederland verblijft: doordeweeks om 15:30 uur Nederlandse tijd en in het weekend om 16:30 uur Nederlandse tijd;

  • -

    indien de minderjarige in [woonplaats in buitenland] verblijft: doordeweeks om 7:30 uur [woonplaats in buitenland] tijd, op zaterdag om 10:30 uur [woonplaats in buitenland] tijd en op zondag om 18:00 uur Nederlandse tijd;

  • -

    voorts zal de ouder bij wie de minderjarige zich op dat moment bevindt, niet aanwezig zijn tijdens de Skype-contacten, zodat de minderjarige vrij kan praten;

  • -

    indien de niet-verzorgende ouder in het land van de verzorgende ouder is, is contact met de minderjarige mogelijk, met dien verstande dat de niet-verzorgende ouder tenminste vijf dagen van te voren laat weten wanneer hij/zij in het land is en contact met de minderjarige wenst te hebben;

  • -

    de verzorgende ouder doet belangrijke schoolinformatie ten aanzien van de minderjarige in kopie aan de niet-verzorgende ouder toekomen alsmede de contactgegevens van de school. Voorts zal worden bezien of het mogelijk is dat de niet-verzorgende ouder via het computerprogramma Skype de tienminutengesprekken op school kan volgen;

  • -

    het voorgaande geldt eveneens voor andersoortige informatie, bijvoorbeeld medische informatie.

6.

De ouders hebben geen overeenstemming bereikt omtrent de navolgende zaken:

  • -

    de hoofdverblijfplaats;

  • -

    de vraag welke ouder de kosten dient te dragen indien hulpverlening voor de minderjarige noodzakelijk is;

  • -

    de vakantieregeling, die in een internationale zaak als de onderhavige, neer komt op de eigenlijke contactregeling; wel hebben de ouders ieder een duidelijk voorstel gedaan, welke voorstellen voor de verdere beoordeling dienend zijn;

  • -

    het reserveren van de termen “papa” en “mama” voor de ouders, conform hetgeen in het kinderconvenant staat.

Zij hebben het hof uitdrukkelijk verzocht op deze punten een beslissing te geven met inachtneming van de uitkomst van het geschil inzake de hoofdverblijfplaats van de minderjarige.

Hoofdverblijfplaats minderjarige

7.

Het hof overweegt ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige als volgt. De rechtbank heeft zeer uitvoerig gemotiveerd op welke gronden zij het hoofdverblijf van de minderjarige bij de vader heeft bepaald. Samengevat komt de argumentatie van de rechtbank erop neer dat de vader, iets meer dan de moeder, bij zijn handelen het belang van de minderjarige voor ogen heeft, met name ook in het contact van de minderjarige met de andere ouder. De opstelling van de moeder, zo concludeert de rechtbank, is in dit opzicht richting de vader bepaald minder faciliterend geweest. Daarnaast acht de rechtbank de financiële positie van de moeder kwetsbaarder dan die van de vader.

8.

De deskundige acht beide ouders zeer wel in staat de minderjarige te verzorgen en op te voeden. Hij merkt op dat met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de minderjarige vooral vanuit het perspectief van de minderjarige dient te worden beoordeeld, waarbij hij erop wijst dat door haar een bijzondere band met haar oudere broer van moederszijde wordt ervaren. Voorts concludeert de deskundige dat de minderjarige is verwikkeld en mogelijk klem zit in de strijd tussen de ouders die reeds jaren duurt.

9.

Het hof ziet in hetgeen de rechtbank ten aanzien van de rollen van de vader en de moeder heeft geconcludeerd een bevestiging van de ontwikkelingen vanaf het moment dat de rechtbank haar beschikking heeft gegeven. Zo wijst het hof op de omstandigheid dat de moeder – onvoldoende weersproken – ook na het afgeven van de beschikking van de rechtbank weinig faciliterend is geweest ten aanzien van het contact tussen de vader en de minderjarige op de momenten dat de vader in het kader van deze procedure in Nederland is geweest.

10.

Hoezeer het hof ook ziet dat er in hetgeen de deskundige en de bijzondere curator hebben opgemerkt redenen kunnen zijn gelegen die ertoe kunnen leiden dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de moeder wordt bepaald, sluit het hof zich toch aan bij de overwegingen van de rechtbank. Uiteindelijk acht het hof het het meest in het belang van de minderjarige en vervolgens ook in het belang van haar ouders dat de minderjarige verzekerd zal zijn van een niet door disfunctionele emoties geblokkeerde, althans te veel afgeschermde, toegang tot de ouder bij wie zij niet de hoofdverblijfplaats zal hebben. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de vader meer dan de moeder in staat zal zijn zich hier faciliterend op te stellen in het belang van de minderjarige en ook de moeder. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van het daarin bepaalde omtrent de hoofdverblijfplaats van de minderjarige derhalve bekrachtigen.

Contactregeling

11.

Nu de ouders ten aanzien van de contactregeling deels overeenstemming hebben bereikt, getuige de spiegelbeeldregeling die zij daartoe hebben opgesteld, zal het hof deze regeling vastleggen in deze beschikking.

12.

Ten aanzien van het contact tussen de minderjarige en de ouders tijdens de schoolvakanties van de minderjarige overweegt het hof als volgt. Het hof acht de door de moeder voorgestelde regeling het meest in het belang van de minderjarige en zal deze vakantieregeling vastleggen in deze beschikking.

Deze regeling houdt in dat de minderjarige:

  • -

    de zomervakantie overwegend bij de niet-verzorgende ouder zal verblijven en de laatste week van de zomervakantie bij de verzorgende ouder zal verblijven;

  • -

    de kerstvakantie bij de niet-verzorgende ouder zal verblijven;

  • -

    tijd zal doorbrengen met de niet-verzorgende ouder tijdens een van de andere schoolvakanties, in het land van de verzorgende ouder.

13.

Ten aanzien van het geschilpunt kosten van bijzondere hulp, zo als bijvoorbeeld kosten, verbonden aan de begeleiding van de minderjarige bij het verwerken van de scheiding van haar ouders, overweegt het hof dat in beginsel de vader die kosten voor zijn rekening zal dienen te nemen, als de op dit moment meest draagkrachtige ouder. Op voorhand valt echter niet te bepalen dat dit in alle voorkomende gevallen het uitgangspunt behoort te zijn. Ten aanzien van het gebruik van de termen ‘papa’ en ‘mama’ acht het hof het het meest in de lijn te liggen van de wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding, zo als in werking getreden per 1 maart 2009, dat deze verbonden blijven aan de vader en de moeder en dat een echtscheiding daarin geen verandering behoort te brengen. Het hof zal hieromtrent geen beslissing geven: het acht de ouders in staat hier zelf hun weg te vinden.

Kinderalimentatie

14

Gelet op het voorgaande behoeft de door de moeder verzochte kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige geen bespreking meer. Ter zitting zijn partijen overeengekomen gekomen dat de vader alle reiskosten voor de minderjarige voor zijn rekening neemt en geen aanspraak maakt op door de moeder aan hem te betalen kinderalimentatie. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking ten aanzien van het daarin bepaalde omtrent de reiskosten van de minderjarige zal bekrachtigen.

In de zaak met zaaknummer 200.099.411/01:

15.

Gelet op het in de zaak met zaaknummer 200.102.087.01 overwogene behoeft het door de vader in onderhavige zaak verzochte geen bespreking meer.

16.

Het hof beslist als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

In de zaken met zaaknummer 200.102.087/01 en 200.099.411/01:

bekrachtigt de bestreden beschikking ten aanzien van het daarin bepaalde omtrent de hoofdverblijfplaats van de minderjarige[minderjarige], geboren op [geboortedatum in] 2005 te [geboorteplaats];

bepaalt een contactregeling tussen de moeder en de minderjarige [minderjarige], geboren op[geboortedatum in] 2005 te [geboorteplaats], inhoudende dat:

  • -

    het uitgangspunt is dat de ouder bij wie de minderjarige niet verblijft de contactmomenten via het computerprogramma Skype (hierna: de Skype-contacten) initieert op zaterdag, zondag, dinsdag en donderdag en wel op de volgende tijdstippen:

  • -

    indien de minderjarige in Nederland verblijft: doordeweeks om 15:30 uur Nederlandse tijd en in het weekend om 16:30 uur Nederlandse tijd;

  • -

    indien de minderjarige in [woonplaats in buitenland] verblijft: doordeweeks om 7:30 uur [woonplaats in buitenland] tijd, op zaterdag om 10:30 uur [woonplaats in buitenland] tijd en op zondag om 18:00 uur Nederlandse tijd;

  • -

    de ouder bij wie de minderjarige op dat moment verblijft niet aanwezig zal zijn tijdens de Skype-contacten;

  • -

    indien de niet-verzorgende ouder in het land van de verzorgende ouder is, contact met de minderjarige mogelijk is, met dien verstande dat de niet-verzorgende ouder tenminste vijf dagen van te voren laat weten wanneer hij/zij in het land is en contact met de minderjarige wenst te hebben;

  • -

    de verzorgende ouder belangrijke schoolinformatie ten aanzien van de minderjarige in kopie aan de niet-verzorgende ouder doet toekomen, alsmede de contactgegevens van de school. Voorts zal worden bezien of het mogelijk is dat de niet-verzorgende ouder via het computerprogramma Skype de tienminutengesprekken op school kan volgen;

  • -

    het voorgaande eveneens geldt voor andersoortige informatie, bijvoorbeeld medische informatie;

  • -

    de minderjarige de zomervakantie bij de niet-verzorgende ouder zal verblijven met dien verstande dat zij de laatste week van de zomervakantie bij de verzorgende ouder zal verblijven;

  • -

    de minderjarige de kerstvakantie bij de niet-verzorgende ouder zal verblijven;

  • -

    de minderjarige tijd zal doorbrengen met de niet-verzorgende ouder tijdens een van de andere schoolvakanties, in het land van de verzorgende ouder;

bekrachtigt de bestreden beschikking ten aanzien van het daarin bepaalde omtrent de reiskosten die gepaard gaan met het verblijf van de minderjarige bij de moeder tijdens de vakanties die zij, conform hetgeen in deze beschikking is bepaald, in Nederland zal doorbrengen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Lückers en Linsen Penning-de Vries, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 januari 2013.