Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:CA1134

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
27-05-2013
Zaaknummer
200.085.447.01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 10 april 2013

Zaaknummer : 200.085.447/01

Rekestnummers rechtbank : FA RK 09-8869 en FA RK 09-8870

[verzoekster],

wonende op een geheim adres in [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep, tevens verweerster in incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat voorheen mr. K.H. May te Dordrecht, thans mr. S. Kuijs te Alkmaar,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep, tevens verzoeker in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat voorheen mr. A. Harent te Dordrecht, thans mr. R.A.A.H van Leur te Dordrecht.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming,

regio Zuid-Holland Zuid en Zeeland,

locatie Dordrecht,

hierna te noemen: de raad.

VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof heeft op 14 maart 2012 een tussenbeschikking gewezen, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Bij die beschikking zijn partijen verwezen naar Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, vestiging Zuid-Holland Zuid, voor het verkrijgen van een indicatie voor het onder begeleiding op gang brengen van omgangscontacten tussen de man en de minderjarige. Voorts is bepaald dat partijen na het verkrijgen van een indicatie naar het omgangshuis te Zuid-Holland, vestiging Zuid-Holland Zuid, Kromhout 120, 3311 RH Dordrecht gaan voor begeleide omgangscontacten en is bepaald dat de moeder de minderjarige tijdig voorafgaand aan ieder omgangscontact zal brengen naar het omgangshuis en haar daar aan het einde van elk contact weer zal ophalen. Daarnaast is de moeder veroordeeld tot betaling aan de man van een dwangsom van € 250,- per keer dat de moeder in gebreke blijft mee te werken aan begeleide omgang tussen de man en de minderjarige, tot een maximum van € 10.000,-. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De zaak is pro forma aangehouden tot 30 juni 2012.

Op 15 januari 2013 is aan het hof rapport en advies uitgebracht door Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland.

Voorts zijn bij het hof de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 4 maart 2013 een faxbericht, ingekomen op 5 maart 2013 als brief met bijlagen;

- op 12 maart 2013 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage.

De mondelinge behandeling van de zaak is op 14 maart 2013 voortgezet.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw T. Philippart namens de raad.

Zowel de advocaat van de moeder als de advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

VERDERE BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is thans nog de vaststelling van een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige.

2. Het omgangshuis in Dordrecht heeft te kennen gegeven dat de begeleide omgang voortijdig is beëindigd op 5 december 2012. Voorwaarde voor de omgangsbegeleiding is dat, als de minderjarige met de moeder afreist naar Dordrecht, er ook daadwerkelijk contactmomenten tussen de minderjarige en de man plaatsvinden. Van de acht geplande bezoeken heeft de minderjarige twee keer de man daadwerkelijk ontmoet en twee keer is zij gekomen tot aan de voordeur van het omgangshuis waarbij geen contactmoment met de man heeft plaatsgevonden.

3. Namens de moeder is ter zitting naar voren gebracht dat zij er alles aan heeft gedaan om het traject bij het omgangshuis te laten slagen maar dat dit zodanige gedragsproblemen bij de minderjarige veroorzaakte dat het traject niet voltooid heeft kunnen worden. De moeder heeft voorgesteld de omgangsbegeleiding met een jaar uit te stellen zodat de minderjarige de tijd krijgt om wat te groeien en zich wat verder te ontwikkelen. De moeder stelt voor dat de man in de tussenliggende periode de minderjarige af en toe een kaartje stuurt via het kantoor van haar advocaat. De moeder verzoekt de zaak derhalve aan te houden.

4. Namens de man is ter zitting naar voren gebracht dat hij ernstige zorgen heeft ten aanzien van de minderjarige. Het verslag van het omgangshuis geeft een beeld van een moeder die weigert medewerking te verlenen aan omgang en daarvoor de minderjarige als middel inzet. Daarnaast lijkt het erop dat de moeder de minderjarige weinig veiligheid biedt en te weinig stimuleert waardoor ze nog erg jong en kwetsbaar overkomt. De moeder wijt de ontwikkelingsachterstanden aan de twee kwartiertjes die de minderjarige met de man heeft doorgebracht, maar de man maakt zich zorgen over de leefwijze van de moeder met de minderjarige met een beperkte sociale structuur, tezamen met het feit dat zij weinig inzicht lijkt te hebben in de gevolgen van haar eigen gedrag. Hij verzoekt derhalve een voorlopige ondertoezichtstelling uit te spreken om de raad in de gelegenheid te stellen te onderzoeken of de belangen en/of de gezondheid van de minderjarige worden bedreigd. Een gezinsvoogd kan ook beoordelen op welke wijze omgang met de man kan worden vorm gegeven. De man verzoekt de pleitnota als schriftelijk verzoek te beschouwen.

5. De raad heeft ter zitting te kennen gegeven dat het op dit moment moeilijk te beoordelen is of er gronden zijn voor een voorlopige ondertoezichtstelling. Het raadsrapport is verouderd en de situatie is veranderd sinds het opmaken van het rapport. De raadsmedewerker heeft te kennen gegeven zich zorgen te maken over hoe de minderjarige overkomt, maar de reactie van de minderjarige op de bezoeken aan de man is thans moeilijk te beoordelen. Een aanvullend raadsonderzoek is op zich, gegeven de huidige situatie, geen verkeerd idee, aldus de raadsmedewerker.

6. Het hof overweegt als volgt.

Verzoek man voorlopige ondertoezichtstelling

7. Het hof is van oordeel dat het verzoek van de man om de minderjarige voorlopig onder toezicht te stellen een nieuw verzoek, voor het eerst in hoger beroep gedaan, betreft. Het hof zal de man op grond van artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering derhalve niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek.

Omgangsregeling

8. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat partijen reeds tweemaal zijn verwezen naar een omgangshuis teneinde begeleide omgangscontacten tussen de man en de minderjarige te bewerkstelligen. De begeleide omgang is beide keren niet tot stand gekomen dan wel is het traject niet voltooid. In zijn tussenbeschikking van 31 augustus 2011 heeft het hof reeds overwogen dat niet gebleken is van contra-indicaties, waardoor omgang tussen de man en de minderjarige niet mogelijk zou zijn. Het hof blijft, evenals in zijn tussenbeschikking van 14 maart 2012, bij dit standpunt. Het hof is van oordeel dat het contact tussen de man en de minderjarige tot stand dient te komen. Gelet op het voorgaande zal het hof nu een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige vaststellen. Omdat de begeleide omgang onvoldoende is benut zal het hof de omgangsregeling met ingang van 1 september 2013 vaststellen zodat de minderjarige op de omgang kan worden voorbereid. Bovendien komt het hof op die wijze enigszins tegemoet aan de wens van de moeder de minderjarige de kans te geven zich iets verder te ontwikkelen. Het ligt naar het oordeel van het hof op de weg van de moeder om zo spoedig mogelijk en voortvarend met deze voorbereiding te beginnen. Het staat haar vrij die, indien zij dit wenselijk acht, met behulp van een omgangshuis te bewerkstelligen, waarbij het hof opmerkt dat zij in dat geval rekening dient te houden met eventuele wachttijden bij de omgangshuizen. Het aanvangen van de omgangsregeling met ingang van 1 september 2013 zal evenwel niet van deze eventueel door de moeder te zetten stappen afhangen. Het hof zal een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige vaststellen waarbij de minderjarige met ingang van 1 september 2013 eenmaal in de veertien dagen op zaterdag van 10:00 uur tot 14:00 uur bij de man zal verblijven. Aangezien de moeder haar adres niet bekend wenst te maken, zal het hof bepalen dat zij de minderjarige bij de man brengt en weer ophaalt.

9. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek de minderjarige [naam minderjarige], geboren [in 2009] te [geboorteplaats], voorlopig onder toezicht te stellen;

bepaalt dat voornoemde minderjarige met ingang van 1 september 2013 eenmaal per veertien dagen op zaterdag van 10:00 uur tot 14:00 uur bij de man zal verblijven, waarbij de moeder haar bij de man brengt en weer ophaalt;

verklaart deze beschikking voor wat betreft de omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van de Poll, Mink en Van Montfoort, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2013.