Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:CA1131

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
27-05-2013
Zaaknummer
200.114.095-01 en 200.114.096.01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:262, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling minderjarigen; hoofdverblijf; kinderalimentatie; partneralimentatie en verdeling van gemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Sector Civiel recht

Uitspraak : 10 april 2013

Zaaknummers : 200.114.095/01 en 200.114.096/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 12-7646

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.C. de Bakker te Zwijndrecht,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. C.N.M. Schep te Oud-Beijerland.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 28 september 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 4 juli 2012 van de rechtbank Dordrecht.

De moeder heeft op 12 november 2012 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

Op 19 december 2012 heeft het hof een beschikking gegeven voor wat betreft de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de bestreden beschikking. Bij die beschikking is de werking van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring geschorst ten aanzien van de in de bestreden beschikking bepaalde, door de vader aan de moeder te betalen, bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van na te noemen minderjarigen.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 24 oktober 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage, op 25 oktober 2012 ingekomen als brief met bijlage;

- op 27 februari 2013 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen, op 28 februari 2013 ingekomen als brief met bijlagen;

van de zijde van de moeder:

- op 22 februari 2013 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 8 maart 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

Ter zitting heeft de moeder haar verzoek verminderd, in die zin dat zij thans een totaalbedrag van € 663,- per maand, zijnde het bedrag van de totale kosten van de minderjarigen per maand, aan kinderalimentatie verzoekt.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is, voor zover thans van belang:

- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;

- bepaald dat de na te noemen minderjarigen hun gewone verblijfplaats zullen hebben bij de moeder;

- de toedeling van de zorg- en opvoedingstaken aldus vastgesteld dat de na te noemen minderjarigen bij de vader zullen zijn op maandag en woensdag van 8:00 uur tot 19:00 uur en gedurende een weekend per veertien dagen, alsmede gedurende de helft van de vakanties;

- bepaald dat de vader € 400,- per maand per kind dient te betalen aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de na te noemen minderjarigen met ingang van 4 juli 2012, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, te vermeerderen met iedere uitkering die op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van de minderjarigen kan of zal worden verleend;

- partijen bevolen over te gaan tot verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap ten overstaan van een notaris; voor het geval partijen het binnen veertien dagen na inschrijving van de beschikking tot echtscheiding over de keuze van een notaris niet eens zouden zijn, is mr. J. van der Veen, notaris te Dordrecht of diens waarnemer of opvolger, tot notaris benoemd; wanneer de vader niet zou meewerken aan de verdeling, is bepaald dat mr. P.C. van Houten, advocaat te Dordrecht, als zijn vertegenwoordiger zal optreden, en wanneer de moeder niet zou meewerken aan de verdeling is bepaald dat mr. M.A Bos, advocaat te Dordrecht, als haar vertegenwoordiger zal optreden;

- het meer of anders verzochte afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

De echtscheidingsbeschikking is op een datum begin november 2012 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zo hebben beide partijen ter zitting verklaard.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn:

- de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen [minderjarige 1], geboren [in 2005] te [geboorteplaats] en [minderjarige 2], geboren [in 2008] te [geboorteplaats] (hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen);

- de toedeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling);

- de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage ten behoeve van de verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) van de minderjarigen voornoemd, dan wel deze door de moeder aan de vader te betalen bijdrage;

- de door de vader verzochte door de moeder te betalen uitkering tot levensonderhoud; en

- de verdeling van de huwelijksgemeenschap.

2. De vader verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van de rechtbank te vernietigen en, opnieuw beschikkende de verzoeken van de moeder af te wijzen en:

- te bepalen dat de minderjarigen hun gewone verblijfplaats na de echtscheiding bij hem zullen hebben;

- te bepalen dat de moeder elke vrijdag het recht op contact heeft met de minderjarigen, alsmede één weekend in de veertien dagen;

- te bepalen dat de moeder een bedrag van € 663,- (het hof begrijpt: per maand) zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, bij vooruitbetaling per maand aan de vader te voldoen en te vermeerderen met het bedrag van iedere uitkering die haar op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van de minderjarigen kan of zal worden verleend;

- te bepalen dat de moeder een bedrag van € 705,59 per maand zal voldoen aan partneralimentatie, bij vooruitbetaling per maand aan de vader te voldoen;

- de verdeling van de huwelijksgemeenschap conform het verzoek van de vader vast te stellen.

3. De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt thans de bestreden beschikking ten aanzien van de daarin bepaalde hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de verdeling van de huwelijksgemeenschap te bekrachtigen, en de bestreden beschikking ten aanzien van de daarin bepaalde door de vader aan haar te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de door de vader aan haar te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen op in totaal € 663,- per maand vast te stellen. Voorts verzoekt zij de vader in zijn zelfstandige verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt zij de bestreden beschikking onder 3.3 aan te vullen als volgt: “waarbij de ouder alwaar de kinderen laatstelijk verbleven de kinderen naar de andere ouder brengt” en voor wat de vakantieregeling: “dat de vakantie begint op maandag en eindigt op vrijdag, zodat een vakantie aanvangt en eindigt met het weekend volgens de reguliere verdeling van de zorg en opvoedingstaken”.

4. Het hof overweegt als volgt.

Hoofdverblijfplaats minderjarigen en zorgregeling

5. De vader voert het volgende aan. De rechtbank is bij de beoordeling van de zaak van onjuiste dan wel onvolledige gegevens uitgegaan. De vader maakt zich ernstige zorgen over het welzijn en de opvoeding van de minderjarigen. De zorgregeling verloopt in de praktijk niet goed omdat de moeder weinig inschikkelijk is en omdat zij haar eigen belang boven dat van de minderjarigen stelt. De moeder laat de zorg voor de minderjarigen met grote regelmaat aan vrienden, kennissen en familieleden over, terwijl het volgens de vader op zijn weg ligt de zorg voor de minderjarigen op zich te nemen indien de moeder daar geen tijd voor heeft. Mede door de problemen die de vader tijdens het huwelijk met de moeder heeft ervaren, heeft hij geen vertrouwen in de opvoeding van de minderjarigen door haar. De vader was belast met de dagelijkse zorg voor de minderjarigen, waardoor zij meer aan hem zijn gehecht dan aan de moeder.

6. De moeder betwist de stellingen van de vader ten aanzien van het verloop van de zorgregeling en haar zorg voor de minderjarigen. De moeder betwist dat de vader meer tijd heeft om voor de minderjarigen te zorgen. Daarbij merkt de moeder op dat zij thans een vaste aanstelling heeft bij haar werkgever met een werkweek van vijf dagen per week, rekening houdend met de schooltijden van de minderjarigen.

7. De overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in acht nemend, is het hof van oordeel dat er onvoldoende gronden aanwezig zijn om de door de rechtbank bepaalde hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de zorgregeling te wijzigen. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking dat uit de objectieve verklaringen van de school van de oudste minderjarige niet blijkt dat er zorgen zijn met betrekking tot de minderjarigen bij de moeder thuis. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de moeder waar nodig zelfstandig hulp inschakelt voor de minderjarigen. Ten slotte neemt het hof in aanmerking dat de minderjarigen in de huidige situatie ook veel tijd bij de vader doorbrengen en dat de moeder het contact tussen de vader en de minderjarigen stimuleert. Het hof acht het in het belang van een evenwichtige ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk dat deze situatie, waarin de minderjarigen met beide ouders veelvuldig contact hebben, wordt voortgezet. Teneinde het geschil tussen partijen omtrent het halen en brengen van de kinderen van de ene ouder naar de andere te beslechten zal het hof het verzoek van de moeder daartoe, dat het hof niet onredelijk voorkomt, toewijzen. De vader heeft overigens geen bezwaren aangevoerd tegen dit verzoek van de moeder. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de daarin bepaalde hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en de daarin bepaalde zorgregeling derhalve bekrachtigen, met dien verstande dat de beschikking onder 3.3 zal worden aangevuld als door de moeder verzocht.

Kinderalimentatie

8. De vader stelt onvoldoende draagkracht te hebben om de hem opgelegde kinderalimentatie te voldoen. Vanaf 2 november 2012 ontvangt hij een bijstandsuitkering. Hij heeft hoge woonlasten omdat hij in het belang van de minderjarigen een woning met een ruime tuin in een kindvriendelijke buurt heeft betrokken in een tijd waarin hij niet in aanmerking kwam voor een woning in de sociale huursector. Ter zitting heeft de vader betoogd dat hij momenteel hard op zoek is naar een woning in de sociale huursector. Desgevraagd heeft de vader verklaard zijn huidige woning te kunnen huren dankzij medewerking en begrip van de verhuurder en de huurlasten van zijn huidige woning te kunnen voldoen met hulp van zijn ouders. De vader betwist samen te wonen met zijn huidige partner. Per maand betaalt hij € 128,-- aan premie ziektekosten. De kosten voor de huidige zorgregeling zijn € 285,-, aangezien de vader 43% van de tijd voor de minderjarigen zorgt. De aflossing van de huwelijkse schulden die bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap voor zijn rekening komen bedraagt € 500,- per maand. Ter zitting heeft de vader aangevoerd dat de moeder haar verdiencapaciteit meer kan benutten door haar arbeidsuren uit te breiden zodat ze weer evenveel werkt als zij in 2011 deed.

9. De moeder betwist de stelling van de vader dat hij geen betaald werk verricht. De vader treedt met diverse bands in het land op en geeft workshops voor het bedrijf [naam bedrijf]. Daarnaast presenteert de vader zich op de website LinkedIn onder meer als freelance muzikant. De vader heeft volgens de moeder wel degelijk inkomsten en verdiencapaciteit, die hij kennelijk niet aanwendt om kinderalimentatie te betalen. De moeder betwist de stellingen van de vader ten aanzien van zijn draagkracht. De vader legt geen bewijzen over dat hij een bijstandsuitkering ontvangt. Zijn woonlasten zijn onredelijk hoog, reden waarom de rechtbank hier reeds een correctie op heeft toegepast. Daarnaast woont de vader samen met zijn vriendin in de woning, zodat de woonlasten kunnen worden gedeeld. Met betrekking tot de kosten van de zorgregeling merkt de moeder op dat de rechtbank in de voorlopige voorzieningen reeds rekening heeft gehouden met de zorgdagen van de vader. De vader legt geen bewijs over van de schulden waarop hij heeft afgelost, althans waarop hij aflost. Ter zitting heeft de moeder verklaard dat zij minder is gaan werken om de kosten van de kinderopvang en de buitenschoolse opvang te verminderen.

10. Het hof stelt voorop dat het de beslissing van de moeder om minder te gaan werken om de kosten van de kinderopvang en de buitenschoolse opvang te verminderen in de huidige omstandigheden niet ongerechtvaardigd acht. Het hof zal de stelling van de vader daaromtrent derhalve passeren.

11. Het hof is voorts van oordeel dat de vader onvoldoende heeft onderbouwd dat hij geen draagkracht heeft dan wel onvoldoende verdiencapaciteit heeft om een bedrag aan kinderalimentatie te voldoen. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat de vader onvoldoende inzage heeft verschaft in zijn huidige financiële positie. Zo stelt de vader enerzijds zijn huidige woning - waarvan de huurprijs het bedrag van de door hem ontvangen uitkering overtreft - te kunnen betalen dankzij de hulp van zijn ouders, maar laat hij anderzijds een potentiële inkomstenbron als muzikant, hoe klein deze ook volgens zijn stelling zou zijn, liggen. Het enkele feit dat aan hem een bijstandsuitkering is toegekend maakt het voorgaande niet anders. Het hof gaat er derhalve van uit dat de vader ten minste in staat moet worden geacht de helft van de kosten van de minderjarigen voor zijn rekening te kunnen nemen, die op € 165,- per maand per kind kan worden gesteld, nu de totale behoefte van de minderjarigen van € 663,- per maand niet (langer) in geschil is.

Partneralimentatie

12. De vader verzoekt vaststelling van een door de moeder aan hem te betalen partneralimentatie. De behoefte van de vader bedraagt € 1.374,- per maand, zijnde 60% van het netto gezinsinkomen van € 2.953,- per maand en rekening houdend met de kosten van de kinderen van € 663,- per maand. De vader heeft met ingang van 1 november 2012 een bijstandsinkomen van € 668,41 per maand, zodat hij behoefte heeft aan een bedrag van € 705,59 aan partneralimentatie. De moeder heeft voldoende draagkracht om deze alimentatie te voldoen.

13. De moeder betwist dat de vader behoeftig is. Hij heeft een inkomen en is in staat om in zijn levensonderhoud te voorzien. Daarnaast woont hij samen met een partner met wie hij gaat trouwen, zodat hij op grond van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek geen behoefte heeft aan partneralimentatie. Ten slotte stelt de moeder, met overlegging van haar financiële stukken, geen draagkracht te hebben om enig bedrag aan partneralimentatie te voldoen.

14. Het hof verwijst naar het hiervoor onder 11. overwogene. Nu de vader onvoldoende inzage heeft verschaft in zijn financiële positie en onvoldoende heeft onderbouwd dat hij geen, dan wel een beperkte verdiencapaciteit heeft, zal het hof zijn verzoek ten aanzien van partneralimentatie afwijzen. Hetgeen voor het overige hieromtrent over en weer naar voren is gebracht behoeft derhalve geen bespreking meer.

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap

15. De vader stelt voor dat de verdeling van de huwelijksgemeenschap in rechte wordt vastgesteld als volgt, waarbij als peildatum heeft te gelden 6 april 2012, zijnde de datum waarop het verzoekschrift door de moeder is ingediend. De aflossing van de huwelijkse schulden komt naar rato van het netto inkomen per maand voor rekening van partijen. De huwelijkse schulden bestaan uit:

- de hypothecaire geldlening met betrekking tot de voormalige echtelijke woning;

- de gemeenschappelijke belastingschuld, waaronder een terugbetaling wegens teveel ontvangen kinderopvangtoeslag;

- de schuld aan de kinderopvang;

- de schuld aan de mediator;

- de schuld aan de Visa.

Indien een der partijen reeds meer heeft afgelost op een schuld dan waartoe hij gehouden is, dient zulks tussen partijen te worden verrekend. Partijen houden ieder hun eigen bankrekening. De saldi van deze rekeningen dienen niet met elkaar te worden verrekend. De vader wenst de kinderwagen “Boogaboo” met toebehoren en de kinderfietsjes toebedeeld te krijgen. De overige inboedel en overige roerende zaken zijn reeds door partijen verdeeld. Partijen houden datgene dat zij nu reeds onder zich hebben, inhoudende dat de daarbij behorende lasten aan die partij zullen worden toebedeeld. In het kader van deze verdeling hebben partijen niets te verrekenen.

16. De moeder erkent de door de vader genoemde peildatum. De moeder betwist de door de vader voorgestelde verdeling van de huwelijksgemeenschap. Zij heeft geen overzicht van de bezittingen en de schulden. Voorts betwist zij dat op de schulden naar rato van het netto inkomen dient te worden afgelost. Ook betwist de moeder dat de saldi van de bankrekeningen niet moeten worden verdeeld. De moeder betwist de door de vader voorgestelde verdeling van de inboedel. De vader heeft eenzijdig inboedelgoederen uit de voormalige echtelijke woning gehaald. Daarnaast bezat hij op 6 april 2012 een aanzienlijke waarde aan muziekinstrumenten en -apparaten welke hij tot op heden buiten het zicht van de moeder heeft gehouden. De moeder behoudt zich het recht voor op grond van artikel 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek te stellen dat de vader zijn aandeel in deze goederen heeft verbeurd vanwege het opzettelijk verzwijgen en verborgen houden van tot de gemeenschap behorende goederen. De moeder stelt dat de verdeling van de huwelijksgemeenschap via de notaris dient te worden afgehandeld.

17. Het hof is van oordeel dat het, bij gebreke van een boedelbeschrijving zoals door de wet voorgeschreven, niet kan overgaan tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Het hof zal de bestreden beschikking ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap derhalve bekrachtigen.

18. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zo¬ver aan het oordeel van het hof onderwor¬pen ten aanzien van de daarin bepaalde zorgregeling ten aanzien van de minderjarigen [minderjarige 1], geboren [in 2005] te [geboorteplaats] en [minderjarige 2], geboren [in 2008] te [geboorteplaats] (hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen), met dien verstande dat de beschikking onder 3.3 als volgt zal worden aangevuld: “waarbij de ouder alwaar de kinderen laatstelijk verbleven de kinderen naar de andere ouder brengt” en voor wat de vakantieregeling betreft: “dat de vakantie begint op maandag en eindigt op vrijdag, zodat een vakantie aanvangt en eindigt met het weekend volgens de reguliere verdeling van de zorg en opvoedingstaken”.

vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de daarin bepaalde door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen voornoemd, en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van 4 juli 2012 op € 165,- per maand per kind, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Stille en Mulder, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2013.