Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:CA0875

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
24-05-2013
Zaaknummer
200.119.487/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Griffierecht tijdig betaald, nu niet met zekerheid kon worden vastgesteld of de handmatige correctie van de datumstempel juist is. Een paraaf van de medewerker die de handmatige correctie heeft doorgevoerd ontbreekt, zodat verificatie onmogelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/289
Prg. 2013/219
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 10 april 2013

Zaaknummer : 200.119.487/01

Rekestnummer rechtbank : F2 RK 10-364

1. [verzoekster I],

en

2. [verzoekster II],

beiden wonende te [woonplaats],

verzoeksters in hoger beroep,

hierna te noemen: verzoeksters,

advocaat mr. A.K.J. Plaisier te Rotterdam,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: verweerster,

advocaat mr. J. Nieuwstraten te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Verzoeksters zijn op 4 januari 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 8 oktober 2012 van de rechtbank Rotterdam.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van verzoeksters:

- op 11 februari 2013 een brief van 8 februari 2013 met bijlage;

- op 27 februari 2013 een brief van 26 februari 2013 met bijlage.

Op 28 februari 2013 is de ontvankelijkheid van het verzoek in hoger beroep, door mr. Husson als raadsheer-commissaris, mondeling behandeld.

Ter zitting was aanwezig de advocaat van verweerster. Verzoeksters zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Na de zitting zijn, volgens afspraak ter zitting, de volgende stukken bij het hof ingekomen:

- van de zijde van verweerster op 5 maart 2013 een brief van 4 maart 2013 met bijlage.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is vastgesteld dat [de man], geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats], en overleden op [datum] 2005 te [plaats], de vader is van [verweerster], geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] uit [de moeder]. Voorts is de griffier gelast afschrift van de beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [geboorteplaats verzoekster] op voet van het bepaalde in artikel 1:20e, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek.

DE ONTVANKELIJKEID VAN HET HOGER BEROEP

1. Op grond van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) zijn verzoeksters griffierecht verschuldigd vanaf de indiening van het verzoekschrift en dienen zij ervoor zorg te dragen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht war de behandeling plaatsvindt dan wel aldaar ter griffie is gestort. Het hof heeft vastgesteld dat de betaling van het griffierecht op 1 februari 2013 is ontvangen.

2. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 282a, tweede lid, in samenhang met artikel 362 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) verklaart de rechter de verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek indien het verschuldigde griffierecht niet tijdig is voldaan. De rechter kan deze bepaling op basis van artikel 282a, vierde lid Rv (hierna: de hardheidsclausule) buiten toepassing laten, indien hij van oordeel is dat de toepassing van die bepalingen gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

3. Verzoeksters stellen dat zij hun beroepschrift op 3 januari 2013 per aangetekende post hebben verzonden, dus dat het niet eerder dan op 4 januari 2013 kan zijn ingekomen bij het hof. Verzoeksters stellen derhalve dat de termijn van vier weken, conform Hoge Raad 29 april 2011, LJN BQ3006, begint te lopen op 5 januari 2013, hetgeen betekent dat de termijn expireert op 1 februari 2013. Verzoeksters concluderen op grond van het voorgaande dat zij tijdig betaald hebben.

Voorts stellen verzoeksters dat, indien zij inderdaad een dag te laat betaald zouden hebben, het sanctioneren van de overschrijding van de termijn met een dag bij afweging van de betrokken belangen getuigt van een excessief formalisme.

4. Het hof overweegt als volgt. Op het beroepschrift is een stempel geplaatst met daarop “ingekomen 3 januari 2012”. Dit stempel bevat een kennelijke fout en wijkt af van het stempel op de aanbiedingsbrief, waarop staat vermeld “ingekomen 4 januari 2013”, welk stempel handmatig is gewijzigd in “ingekomen 3 januari 2013”. In strijd met de interne richtlijnen van het hof is deze handmatige correctie niet voorzien van een paraaf van de medewerker die de correctie heeft aangebracht. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het hoger beroep op 3 januari 2013 is ingesteld. Daarenboven heeft de advocaat van verzoeksters bij brief van 26 februari 2013 een kopie van het verzendbewijs van het beroepschrift overgelegd, waaruit blijkt dat de stukken inderdaad op 3 januari 2013 aan PostNL ter verzending zijn aangeboden. Het hof zal verzoeksters dan ook volgen in hun stelling dat het hoger beroep niet eerder dan op 4 januari 2013 is ingesteld.

5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het griffierecht op grond van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) uiterlijk 1 februari 2013 op de bankrekening van het hof diende te zijn bijgeschreven. De betaling van het griffierecht is op die datum, derhalve binnen de termijn, ontvangen. Dit leidt tot de conclusie dat verzoeksters in hun hoger beroep kunnen worden ontvangen.

6. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart verzoeksters ontvankelijk in hun hoger beroep;

bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een door het hof nader te bepalen datum.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Lückers en Kamminga, bijgestaan door Hogendoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2013.