Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:CA0588

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-05-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
22-004851-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:BX9042, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:2775, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Doodslag;

Overwegingen m.b.t. toerekenen van de dood aan de verdachte en noodweer(-exces);

Gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-004851-12

Parketnummer: 09-711788-11

Datum uitspraak: 22 mei 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 3 oktober 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren op [geboortedag] 1982 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 8 mei 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het impliciet subsidiair ten laste gelegde (doodslag) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest.

Ten aanzien van de in beslag genomen telefoon is de teruggave aan de verdachte gelast.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 december 2011 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer kogels afgevuurd naar en/of in de richting van en/of in de nabijheid van [slachtoffer], tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 december 2011 te 's-Gravenhage opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen een kogel afgevuurd naar [slachtoffer], tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep - op gronden zoals nader weergegeven in de door hem overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities - bepleit dat de verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, nu - zakelijk weergegeven - de verdachte geen opzet had op de dood van het slachtoffer [naam slachtoffer].

Het hof overweegt dienaangaande als volgt en gaat daarbij op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van het navolgende uit:

- De verdachte bevond zich in de nacht van 23 op 24 december 2011 in café [naam café] te Den Haag. Aldaar ontstond rond 02.30 uur een schermutseling tussen de verdachte en het latere slachtoffer [naam slachtoffer];

- De verdachte en [slachtoffer] werden vervolgens uit elkaar gehaald door - onder andere - [bezoeker A];

- Daarna ontstond een stukje verderop in het café een tweede schermutseling, nu tussen [slachtoffer] en [bezoeker A]. De verdachte ging ook op dit gevecht af en hij en [slachtoffer] duwden elkaar;

- Tijdens dit duwen heeft de verdachte een vuurwapen gepakt waarna een schot is gelost met dat wapen;

- [Slachtoffer] is in elkaar gezakt en op 24 december 2011 ter plaatse overleden;

- Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] door de arts en patholoog-anatoom A. Maes bleek een inschotverwonding links zijwaarts aan de borst te zijn, met een schampschot aan de binnenzijde van de linkerbovenarm, waarschijnlijk gelijktijdig opgelopen. Er was een schotkanaal dwars door de borst, van links naar rechts, met perforatie van de beide longen, het hart en de lever, naar een kogel in de borstspieren rechts zijwaarts. Er was veel bloed verloren in de borstholtes.

- [Slachtoffer] is overleden als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend perforerend geweld op het lichaam;

- Uit onderzoek van het vest en shirt dat [slachtoffer] droeg is het volgende gebleken: de locaties van een tweetal in de kleding aangetroffen beschadigingen, te weten één in het vest (beschadiging 5 in de voorzijde van de linkermouw) en één in het shirt (beschadiging 1 in de voorzijde van de linkermouw), komen met elkaar overeen. De bevindingen van het onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer de schootsafstand gelijk is aan 0 centimeter (opgezet schot), dan wanneer de schootsafstand groter is dan 0 centimeter.

Door te handelen als in het vorenstaande omschreven is de dood van [slachtoffer] naar het oordeel van het hof redelijkerwijs toe te rekenen aan de verdachte.

De geweldsinwerking die bij de sectie is geconstateerd en die de dood van [slachtoffer] kan verklaren, is naar het oordeel van het hof door de feitelijke handelingen van de verdachte ontstaan.

Deze handelingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zijnde zo zeer gericht op de dood van [slachtoffer] dat het niet anders kan zijn dan dat het opzet van de verdachte op de dood van [slachtoffer] gericht is geweest, waaraan niet kan afdoen hetgeen door de raadsman in dit verband naar voren is gebracht.

Het verweer wordt verworpen.

In dit verband overweegt het hof dat een opgezet schot met als gevolg een inschotverwonding links zijwaarts aan de borst, een schampschot aan de binnenzijde van de linkerbovenarm, een schotkanaal dwars door de borst, van links naar rechts, met perforatie van de beide longen, het hart en de lever, naar een kogel in de borstspieren rechts zijwaarts zoals door A. Maes voornoemd bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] is waargenomen, zich niet laat verklaren door de handelingen die de verdachte naar eigen zeggen heeft verricht en die zakelijk weergegeven er op neerkomen dat de verdachte [slachtoffer] heeft geduwd, daarbij op enig moment (vanuit [slachtoffer] gezien: rechtsvoor) in de broeksband van [slachtoffer] een vuurwapen voelde, welk vuurwapen bij het vastpakken door de verdachte plotseling zou zijn afgegaan.

Strafbaarheid van het feit dan wel van de verdachte

Voor zover de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep een beroep heeft gedaan op noodweer dan wel noodweerexces, overweegt het hof als volgt.

Gelet op de door het hof vastgestelde en hiervoor weergegeven feiten is het hof van oordeel dat de verdachte zich eigener beweging gemengd heeft in een schermutseling tussen [slachtoffer] en [bezoeker A]. Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat zich op dat moment een situatie voordeed waarin van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval sprake was waartegen noodzakelijke verdediging geboden was. Dat er sprake is geweest van de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging als onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door een aanranding, is naar het oordeel van het hof naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep evenmin aannemelijk geworden.

Beide verweren worden derhalve verworpen.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft op 24 december 2011 opzettelijk [slachtoffer] om het leven gebracht en zich aldus schuldig gemaakt aan doodslag. Daarmee heeft de verdachte het slachtoffer van zijn hoogste bezit, het leven, beroofd. Aan de moeder, ex-partner, zoon en overige familie en vrienden van het slachtoffer heeft hij voorts een onomkeerbaar verlies en groot leed toegebracht, zoals gebleken is uit de ter terechtzitting in hoger beroep door de moeder en de ex-partner van het slachtoffer voorgelezen slachtofferverklaringen. Ook heeft het gebeurde op de omstanders in het kleine café diepe indruk gemaakt, zo blijkt uit het dossier. Een feit als dit draagt tevens een voor de rechtsorde in zijn algemeenheid zeer schokkend karakter en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Het hof is - alles overwegende, mede vanuit een oogpunt van vergelding - van oordeel dat als reactie op het bewezen verklaarde een gevangenisstraf van aanzienlijke duur als na te melden een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

Ten aanzien van de onder de verdachte in beslag genomen telefoon zal het hof, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet, de teruggave aan de verdachte gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit rechtens geldt dan wel gold.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de onder hem in beslag genomen, nog niet teruggegeven telefoon.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries, mr. M.J.J. van den Honert en mr. A. Kuijer, in bijzijn van de griffier mr. S.N. Keuning.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 mei 2013.