Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ9770

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
14-05-2013
Zaaknummer
200.114.823/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 9 januari 2013

Zaaknummer : 200.114.823/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 12-2012

1. [verzoekster],

hierna te noemen: de moeder, en

2. [verzoeker],

hierna te noemen: de vader van (de hierna te noemen minderjarige) [minderjarige 3],

beiden wonende te [woonplaats],

verzoekers in hoger beroep,

advocaat mr. A.T. Tilburg te Spijkenisse,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de Stichting Bureau Jeugdzorg te Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg,

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader en de moeder zijn op 10 oktober 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 29 augustus 2012 van de rechtbank Rotterdam.

Jeugdzorg heeft op 29 november 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de ouders:

- op 20 november 2012 een brief van 19 november 2012 met bijlage;

- op 30 november 2012 een brief van 28 november 2012 met bijlage;

- op 30 november 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlage.

De zaak is op 5 december 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder en de vader van [minderjarige 3], bijgestaan door hun advocaat;

- mevrouw E. Donkervoort namens de raad;

- mevrouw I. van Golen namens Jeugdzorg;

- de pleegmoeder van [minderjarige 3] [naam pleegmoeder], vergezeld van pleegzorgbegeleidster mevrouw [naam pleegzorgbegeleidster].

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang, de moeder ontheven van het ouderlijk gezag over de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige 1],

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige 2],

- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige 3] en hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen. Voorts is Jeugdzorg benoemd tot voogdes over de minderjarigen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De moeder oefende alleen het gezag uit. De vader is de biologische ouder van [minderjarige 3], hij staat niet in een familierechtelijke betrekking tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast.

De minderjarigen staan sinds 6 april 2010 onder toezicht en zijn sinds 19 april 2010 uit huis geplaatst.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ontheffing van de moeder van het gezag over de minderjarigen.

2. De ouders, dat wil zeggen: de moeder ten aanzien van alle minderjarigen en de vader, uitsluitend ten aanzien van [minderjarige 3], verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad tot ontheffing af te wijzen.

3. De moeder, en ten aanzien van [minderjarige 3] ook de vader, voeren het volgende aan. De rechtbank heeft onvoldoende gewicht toegekend aan de verbeterde situatie zoals blijkt uit de Families First rapportage betreffende het jongste kind van de vader en de moeder, [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum] 2012. Volgens dit rapport is er sprake van een kentering. Volgens de vader en de moeder staat in onvoldoende mate vast dat van thuisplaatsing nimmer meer sprake kan zijn. Dit geldt in versterkte mate voor [minderjarige 3] die ten opzichte van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in veel mindere mate een ontwikkelingsachterstand heeft op cognitief en sociaal emotioneel gebied. Dat de moeder ongeschikt of onmachtig is om haar plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarigen te vervullen kan op dit moment nog niet in voldoende mate vaststaan..Ter zitting bij het hof heeft de advocaat van de moeder, desgevraagd, verklaard dat de ouders er naar streven om het gezin weer compleet te maken, maar dat er een verschil is tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] enerzijds en [minderjarige 3] anderzijds. De problemen doen zich met name voor bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2], zij behoeven bijzondere aandacht. Dat geldt volgens de ouders in mindere mate voor [minderjarige 3]. De moeder ziet in dat [minderjarige 3] niet onmiddellijk kan terugkeren in het gezin. De rechtbank heeft besloten dat terugkeer van [minderjarige 3] niet meer mogelijk is, maar heeft dat onvoldoende gemotiveerd beslist. Er is te vroeg gezegd dat terugkeer niet meer mogelijk is. Er is geen aandacht geschonken aan de bevindingen van Family First in het gezin.

4. Jeugdzorg verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep, strekkende tot vernietiging van de beschikking, af te wijzen.

Jeugdzorg stelt in de toelichting ter zitting bij het hof dat de moeder pedagogisch onmachtig is. Ten tijde van de bezoekmomenten stelt zij zich passief en niet uitnodigend op naar de minderjarigen. Verder is het zorgelijk dat zij er weer voor heeft gekozen om te gaan samenwonen met de vader van [minderjarige 3], terwijl duidelijk is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bang zijn voor hem.

De minderjarigen zien de ouders met enige regelmaat. Indien de ontheffing wordt bekrachtigd, zal Jeugdzorg zich inzetten om ook dan omgang te laten plaatsvinden. Jeugdzorg ziet geen wezenlijk verschil tussen de ontheffing ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de ontheffing ten aanzien van [minderjarige 3], nu de moeder pedagogisch onmachtig is.

5. Ter zitting bij het hof heeft de raad gesteld dat de ontheffing in het belang van de minderjarigen is. Het perspectief voor hen ligt niet bij de ouders. Sinds 2010 hebben de minderjarigen op verschillende crisisplekken gezeten en in pleeggezinnen. Vooral [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn beschadigd, zij hebben specifieke zorg nodig die de moeder niet kan bieden. De minderjarigen krijgen nu consequente en veilige zorg.

De ouders zijn weinig leerbaar gebleken en het is zorgelijk dat zij de bij de minderjarigen bestaande problematiek ontkennen. Ook zorgelijk is dat [minderjarige 3] bij de plaatsing bij de pleegmoeder geen enkele emotie liet zien. Zij at niet goed en zij huilde niet. Nu is er een veilige hechting van [minderjarige 3] bij de pleegmoeder op gang gekomen. Het is van belang dat dit zo blijft.

Het is belangrijk dat het perspectief voor de minderjarigen helder wordt. Daarnaast is het van belang dat de minderjarigen omgang met de ouders zullen houden.

6. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:266 Burgerlijk Wetboek (BW) kan een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen worden ontheven, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet. Krachtens artikel 1:268, eerste lid, BW kan een ontheffing niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet. Ingevolge het tweede lid, aanhef en sub a van dat wetsartikel, voor zover thans van belang, leidt deze regel uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan één jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel – door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen – onvoldoende is om de dreiging in artikel 1:254, eerste lid, BW af te wenden.

7. Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep komt het hof tot het oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals deze heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. Het hof overweegt daartoe voorts dat uit het dossier en de informatie die de raad en Jeugdzorg tijdens de zitting in hoger beroep hebben gegeven, is gebleken dat de moeder de minderjarigen niet kan bieden wat zij nodig hebben. Er is sprake van een ondertoezichtstelling en een machtiging uithuisplaatsing van inmiddels ruim twee jaar.

Vaststaat dat [minderjarige 3] na de uithuisplaatsing geen emoties vertoonde en dat zij ernstige verschijnselen, wijzende op een (ontstaande) hechtingsstoornis had. Met [minderjarige 3] gaat het inmiddels goed. Zij zit op haar plek binnen het pleeggezin en er is sprake van het ontstaan van een veilige hechting tussen de minderjarige en de pleegmoeder. Het hof acht het van wezenlijk belang dat [minderjarige 3] de hechtingsontwikkeling in een goede en veilige omgeving kan voortzetten. Dit betekent dat het opvoedingsperspectief voorlopig niet bij de moeder en de vader ligt.

De moeder erkent de problemen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en heeft ter zitting bij het hof verklaard dat zij beide minderjarigen niet op korte termijn bij haar ziet terugkeren.

[minderjarige 2] en [minderjarige 1] vertonen een ontwikkelingsachterstand op het cognitieve en sociaal emotionele gebied en hebben specifieke hulp nodig. Het hof is van oordeel dat, gezien hun persoonlijke problematiek en de onmacht van de moeder om hiermee om te gaan, het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet bij de moeder ligt, zeker niet nu zij weer samenwoont met [verzoeker] (de vader van [minderjarige 3]) en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bang zijn voor hem.

De moeder is tot op heden niet in staat gebleken om in voldoende mate aan de minderjarigen een gestructureerd, veilig en pedagogisch verantwoord leefklimaat te bieden. Uit het door de moeder overgelegde rapport van [datum] 2012 van Families First blijkt weliswaar dat een aantal door Family First gestelde doelen (deels) zijn behaald, maar vaststaat dat dit gestelde doelen zijn ten aanzien van de jongste zoon van de moeder, [minderjarige 4]. Het hof is van oordeel dat uit dit rapport niet blijkt dat de moeder ook in staat is om voor [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te zorgen. Daarnaast is uit dit rapport gebleken dat de moeder aansturing en ondersteuning nodig blijft houden als het over praktische zaken gaat en dat wordt aangeraden dat de moeder hulp zoekt voor haar eigen problematiek bij een GGZ instelling.

8. Het hof constateert dat de moeder onvoldoende in staat is (geweest) invulling te geven aan een verantwoorde vorm van opvoeding van de minderjarigen. Zij ziet onvoldoende in hoe haar eigen handelen een belemmerende factor is geweest voor een evenwichtige groei van de minderjarigen. Aan een terugplaatsing bij de moeder wordt niet meer gewerkt en de onzekerheid over het opvoedingsperspectief blijft voortduren zolang de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing jaarlijks dienen te worden verlengd. Naar het oordeel van het hof is het in het belang van de (ontwikkeling van de) minderjarigen dat voor hen duidelijk is dat zij verder zullen opgroeien in een gezinshuis dan wel een pleeggezin.

Onder de gegeven omstandigheden acht het hof de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onvoldoende om de ernstige bedreiging van de minderjarigen af te wenden.

9. Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat aan alle wettelijke vereisten voor een ontheffing van de moeder van het gezag over de minderjarige is voldaan. De bestreden beschikking zal derhalve worden bekrachtigd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Lückers en Linsen-Penning de Vries, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 januari 2013.