Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ9678

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
14-05-2013
Zaaknummer
200.117.564/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitvoerbaar bij voorraadverklaring. Opschorting van een zorg- en opvoedingsregeling: onvoldoende grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 9 januari 2013

Zaaknummer : 200.117.564/01

Rekestnummer rechtbank : F2 RK 11-1432

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. I. Alderlieste te Rotterdam,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. M.J. Verdult te Rotterdam.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 29 november 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 24 oktober 2012 van de rechtbank Rotterdam, bekend bij het hof onder zaaknummer 200.117.577/01. Bij dat beroep heeft de moeder tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van die beschikking ingediend, ingeschreven bij dit hof onder zaaknummer 200.117.564/01.

De vader heeft op 17 december 2012 een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 20 december 2012 mondeling behandeld, maar uitsluitend voor wat betreft het verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw R. Westerkamp namens de raad voor de kinderbescherming.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Het hof verwijst naar de tussenbeschikking van 6 december 2011 en de bestreden beschikking.

Bij tussenbeschikking van 6 december 2011 is een voorlopige omgangsregeling vastgesteld en is de raad verzocht om onderzoek of andere bemoeienis met betrekking tot de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht en het ouderlijk gezag over de na te noemen minderjarigen.

Bij de bestreden beschikking is de vader samen met de moeder belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] (hierna ook te noemen: [minderjarige 1]), en

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] (hierna ook te noemen: [minderjarige 2]), hierna gezamenlijk: de minderjarigen,

en is, voor zover thans van belang, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gewijzigd en voorlopig vastgesteld als volgt:

- de vader zal de minderjarigen met ingang van 10 november 2012 gedurende twee maanden eens per twee weken bij zich hebben op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur;

- aansluitend zal de vader de minderjarigen gedurende twee maanden eens per twee weken bij zich hebben van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur;

- aansluitend zal de vader de minderjarigen gedurende twee maanden eens per twee weken bij zich hebben van vrijdag 16.00 uur tot maandag 8.00 uur.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De behandeling van de zaak is ten aanzien van de definitieve toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken aangehouden.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE WERKING VAN

UITVOERBAARVERKLARING BIJ VOORRAAD VAN DE BESTREDEN

BESCHIKKING

1. In geschil is thans de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking.

2. De moeder verzoekt het hof te bevelen dat de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking zal worden geschorst.

3. De vader verweert zich daartegen en verzoekt het hof te bepalen dat de vrouw niet-ontvankelijk is, danwel haar verzoek af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit geding.

4. De moeder voert – kort weergegeven – het volgende aan. In mei 2011 heeft [minderjarige 1] aan haar moeder en oma signalen gegeven op grond waarvan een verdenking is ontstaan dat de vader [minderjarige 1] seksueel heeft misbruikt. Op 3 augustus 2011 heeft de moeder aangifte gedaan tegen de vader van seksueel misbruik. De strafzaak is inmiddels geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Eind juli 2011 is de relatie van de ouders beëindigd. De moeder is aanvankelijk van mening dat de vader geen contact mag hebben met de minderjarigen. De rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 6 december 2011 een voorlopige omgangsregeling vastgesteld. De moeder heeft geweigerd hieraan mee te werken. De vader heeft bij kort geding om nakoming van de voorlopige regeling verzocht. Partijen zijn tot overeenstemming gekomen over een door de moeder begeleide omgang tussen de vader en de minderjarigen van twee uur per week. Vervolgens heeft er omgang plaatsgevonden bij het Rotterdams Omgangshuis. Ook heeft een onderzoek van de raad voor de kinderbescherming plaatsgevonden. Dit alles heeft geleid tot een zorgregeling zoals bepaald in de bestreden beschikking. De moeder is van mening dat zij de minderjarigen moet beschermen en dat zij daartoe niet in staat is als de minderjarigen zonder toezicht bij de vader verblijven. De moeder is daarnaast ook fel gekant tegen het overnachten van de minderjarigen bij de vader. De moeder stelt voor om een andere zorgregeling vast te stellen waarbij iemand uit de familiekring van de moeder aanwezig kan zijn. De moeder wil de mogelijkheid hebben om de minderjarigen met de inzet van een orthopedagoog weerbaarder te maken.

Ter zitting is namens de moeder naar voren gebracht dat de belangen van de moeder en de minderjarigen aan de ene kant en de belangen van de vader aan de andere kant moeten worden gewogen. Het kan niet zo zijn dat dan de belangen van de vader voorgaan.

5. De vader verweert zich daartegen – kort weergegeven – als volgt. De moeder voert in haar beroepschrift geen enkele grond aan voor haar verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking, noch wordt haar verzoek op enige wijze onderbouwd. Een belangenafweging ter zake dient plaats te vinden ter beoordeling van het schorsingsverzoek en deze belangenafweging dient ertoe te leiden dat het verzoek moet worden afgewezen. De onterechte beschuldigingen aan het adres van de vader vormen geen rechtens te respecteren belang tot toewijzing van haar verzoek. Zonder een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing is het niet mogelijk om de minderjarigen te blijven zien.

Ter zitting heeft de advocaat van de vader – onder meer – naar voren gebracht dat de minderjarigen ook belang hebben bij contact met hun vader.

6. Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft verkregen in beginsel bevoegd is deze te executeren, ook indien tegen de beschikking hoger beroep is ingesteld. Bij de beoordeling van de vraag of, in afwijking van voornoemd uitgangspunt, de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking dient te worden geschorst, dienen de navolgende maatstaven te worden aangelegd (vgl. Hoge Raad 30 mei 2008, LJN: BC 5012):

(i) de verzoeker moet belang hebben bij de door hem verlangde schorsing van de tenuitvoerlegging;

(ii) bij de in het licht van de omstandigheden van het geval te verrichten afweging van de belangen van partijen moet worden nagegaan of het belang van de degene die schorsing verzoekt bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de door hem verkregen veroordeling direct ten uitvoer te leggen, en

(iii) bij deze belangenafweging dient de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven.

Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing, geldt ook dat in beginsel moet worden uitgegaan van de beslissing van de vorige rechter en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen omtrent de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Dit kan anders zijn indien de bestreden beschikking, waarvan de verzoeker beroep heeft ingesteld, klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag dan wel indien na de bestreden beslissing feiten of omstandigheden zijn voorgevallen of aan het licht gekomen, die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

7. Voor de afweging van de belangen van partijen stelt het hof voorop dat de vader bij de in eerste aanleg verkregen uitvoerbaarverklaring bij voorraad belang heeft. De uitvoerbaarheid bij voorraad heeft in het algemeen tot doel de gerechtigde niet langer te laten wachten op hetgeen hem of haar - althans voorshands na een volledig en afgesloten onderzoek in eerste aanleg - toekomt. Het belang van de moeder is kennelijk daarin gelegen dat de zorgregeling ten aanzien van de minderjarigen wordt geschorst totdat in hoger beroep inhoudelijk is beslist.

8. In de onderhavige zaak heeft de moeder naar het oordeel van het hof geen concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat haar belang bij de door haar verzochte schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking groter is dan het belang van de vader bij handhaving van de tenuitvoerlegging. Het hof heeft daarbij eveneens de belangen van de minderjarigen in het oog gehouden. Naar het oordeel van het hof is het in het belang van de minderjarigen om ook een band met hun vader op te bouwen.

Verder is niet gebleken dat de bestreden beschikking klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag. Nu de moeder voorts onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van na de bestreden beslissing opgekomen feiten of omstandigheden die rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken, zal het hof het verzoek van de moeder tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking afwijzen.

9. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in deze schorsingsprocedure compenseren.

10. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE WERKING VAN DE UITVOERBAARVERKLARING BIJ VOORRAAD

Het hof:

wijst het verzoek van de moeder tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de tussen partijen gegeven beschikking van 24 oktober 2012 van de rechtbank Rotterdam af;

bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van het hoger beroep zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum, waarvoor partijen nog een afzonderlijke oproep zullen ontvangen;

compenseert de proceskosten in de schorsingsprocedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Husson en Punselie, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 januari 2013.