Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ9644

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
07-05-2013
Zaaknummer
200.119.533-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing. Overweging ten overvloede van het hof over de afwezigheid van de William Schrikker Stichting bij de mondelinge behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 10 april 2013

Zaaknummer : 200.119.533/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 12-3325

[De moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A.J.M. Vélu te Rotterdam,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Diemen,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de WSS.

Als degene wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van belang kan zijn, is aangemerkt:

[de grootmoeder],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de grootmoeder (moederszijde).

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 3 januari 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 11 december 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam, hierna: de bestreden beschikking.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 31 januari 2013 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De raad heeft bij brief van 6 februari 2013 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

De zaak is op 20 maart 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de grootmoeder.

De WSS is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Ter zitting is door de griffier nog nagegaan of de WSS de oproep had ontvangen. Daarop is geen eenduidig antwoord verkregen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de ondertoezichtstelling van de minderjarige [naam minderjarige], geboren [in] 2006 te [geboorteplaats], (verder: de minderjarige) verlengd tot 15 december 2013. Voorts is met ingang van 15 december 2012 machtiging verleend tot plaatsing van de minderjarige in een vorm van pleegzorg tot 15 december 2013. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de uithuisplaatsing van de minderjarige voor de periode van 15 december 2012 tot 15 december 2013 in een vorm van pleegzorg.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige betreft.

3. De moeder verzet zich tegen de uithuisplaatsing van de minderjarige in een vorm van pleegzorg en voert daartoe het volgende aan. De moeder kan zich niet verenigen met de motivering van de kinderrechter, die heeft overwogen dat er ernstige zorgen blijken te zijn over de (achterstand in de) ontwikkeling van de minderjarige, dat de school zich zorgen maakt over het niveau waarop de minderjarige functioneert en over de dagelijkse verzorging van de minderjarige, en dat er met moeder geen veilige opvoedingsomgeving voor de minderjarige te creëren valt. De moeder acht zich zeer wel in staat om goed voor de minderjarige te zorgen. Bovendien kan de grootmoeder altijd een helpende hand bieden en de grootmoeder houdt de moeder altijd goed in de gaten. De moeder staat open voor hulpverlening en kan de minderjarige een goede en duidelijke structuur bieden, waardoor de minderjarige het beste af is door bij haar thuis te wonen.

Ter zitting van het hof heeft de moeder nog meegedeeld dat zij sinds de uithuisplaatsing van de minderjarige slechts twee keer gedurende een uur contact met de minderjarige heeft gehad, zulks in het bijzijn van de pleegouders. Voorts heeft de moeder meegedeeld dat zij niet wil meewerken aan plaatsing in een moeder-kind project. Zowel de moeder als de grootmoeder hebben meegedeeld dat de minderjarige niet kan meekomen op school en zij vinden dat de minderjarige gebaat is bij speciaal onderwijs.

4. Het hof stelt voorop dat een machtiging tot uithuisplaatsing slechts kan worden verleend indien de gronden daarvoor, zoals vermeld in artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, bestaan. Het hof zal derhalve onderzoeken of de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van haar geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de uithuisplaatsing van de minderjarige in het belang van haar verzorging en opvoeding noodzakelijk is. Het hof verenigt zich in zoverre met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. Hoewel voor het hof vaststaat dat de moeder en de grootmoeder zeer betrokken zijn op de minderjarige en de moeder (met ondersteuning van de grootmoeder) het liefst weer zelf voor de minderjarige wil zorgen, is uit het dossier en het verhandelde ter zitting gebleken dat de moeder de minderjarige niet kan bieden wat zij nodig heeft en dat de moeder onvoldoende inzicht heeft in haar mogelijkheden om voor de minderjarige te zorgen. De moeder is onvoldoende leerbaar en bagatelliseert de problematiek van de minderjarige. Uit de overgelegde stukken komt naar voren dat de moeder wantrouwend is tegenover de hulpverlening en dat zij de noodzaak van de hulpverlening niet inziet. Volgens de moeder zijn alle problemen opgelost indien de minderjarige naar het speciaal onderwijs gaat, aangezien de minderjarige niet mee kan komen op haar huidige school. De moeder miskent hiermee echter dat de minderjarige een normale intelligentie heeft en dat haar IQ te hoog is voor speciaal onderwijs.

In eerste aanleg heeft de moeder haar medewerking aan plaatsing in een moeder-kind project geweigerd en ook in hoger beroep heeft zij zich niet bereid getoond om aan een dergelijk project mee te willen werken.

Het hof acht de mededelingen van de moeder ter zitting van het hof, dat de gezinsvoogd kennelijk geen contact met de moeder opneemt en dat er sinds de uithuisplaatsing van de minderjarige slechts twee keer gedurende een uur contact is geweest tussen de moeder en de minderjarige, zorgelijk. Van de WSS mag worden verwacht dat zij haar taak als gezinsvoogdij-instelling naar behoren vervult en dat in casu voortvarendheid wordt betracht bij het totstandbrengen van contact met de moeder en bij de totstandbrenging van contacten tussen de moeder en de minderjarige. Voorts dient de WSS op korte termijn te bezien in hoeverre uitbreiding van de contacten mogelijk is. Indien de WSS niets ziet in een uitbreiding van de contacten mag een deugdelijke onderbouwing van de zijde van de WSS worden verwacht.

6. Gezien het vorenstaande is het hof van oordeel dat de noodzaak tot uithuisplaatsing van de minderjarige (thans nog) aanwezig is. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve bekrachtigen.

7. Ten overvloede wenst het hof nog het volgende op te merken. Vaststaat dat de WSS in hoger beroep geen verweerschrift heeft ingediend, noch ter terechtzitting van het hof is verschenen. Het hof acht dit, in zaken als de onderhavige, waarin het belang van een ouder of ouders en minderjarige(n) groot is, zeer onzorgvuldig. Voorafgaand aan de zitting heeft het hof vergeefs geprobeerd te achterhalen of er iemand namens de WSS ter zitting zou verschijnen. Het algemene telefoonnummer dat op het inleidend verzoekschrift staat vermeld, bleek gewijzigd te zijn. Van een medewerkster van de WSS heeft de griffier vervolgens het rechtstreekse nummer van de gezinsvoogd, mevrouw [naam gezinsvoogd], gekregen. Zij bleek volgens de door haar ingesproken boodschap vanwege cursus op de zittingsdag en de dag erna afwezig te zijn. Haar vervangster, mevrouw [naam vervangster], was wel telefonisch bereikbaar en heeft ook namens de WSS excuus aangeboden voor het feit dat er niemand ter zitting aanwezig was. Zij kon echter niet achterhalen of er iemand anders namens de WSS ter zitting zou verschijnen. Volgens mevrouw [naam vervangster] zou alleen de teamleidster, mevrouw [naam teamleidster], daarover mededeling kunnen doen. Ook mevrouw [naam teamleidster] bleek op geen enkele wijze bereikbaar. Het hof acht deze gang van zaken onzorgvuldig.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Lückers, van Nievelt en Linsen-Penning de Vries, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2013.