Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ9621

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
07-05-2013
Zaaknummer
200.114.542-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

gezag en zorgregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 10 april 2013

Zaaknummer : 200.114.542/01

Rekestnummer rechtbank : F2 RK 11-715

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. V.S. Waterval te Spijkenisse,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. V. Vos te Rotterdam.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 5 oktober 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 5 juli 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

De vader heeft op 19 november 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 28 november 2012 een brief van 27 november 2012 met bijlage;

- op 14 december 2012 een brief van 13 december 2012 met bijlage;

- op 11 januari 2013 een brief van 10 januari 2013 met bijlage;

- op 25 februari 2013 een faxbericht met bijlage.

De raad heeft bij brief van 21 december 2012 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

De zaak is op 7 maart 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de tussenbeschikkingen van 20 oktober 2011 en 30 januari 2012 en de bestreden beschikking.

Bij de tussenbeschikking van 20 oktober 2011 is een voorlopige omgangsregeling vastgesteld tussen de vader en de minderjarigen:

- [naam], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats], en

- [naam], geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats].

Iedere verdere beslissing is aangehouden.

Bij de tussenbeschikking van 30 januari 2012 is, voor zover thans van belang, de voorlopige omgangsregeling gewijzigd en bepaald dat de vader de minderjarigen voorlopig een dag per veertien dagen gedurende minimaal drie uur bij zich mag hebben, in onderling overleg tussen partijen nader vast te stellen.

Bij de bestreden beschikking zijn partijen gezamenlijk met het ouderlijk gezag over de minderjarigen belast en is bepaald dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aldus zal zijn dat de vader de minderjarigen iedere maand drie keer vier aaneengesloten dagen op zijn roostervrije dagen bij zich mag hebben, waarbij partijen de begin- en eindtijd in onderling overleg nader zullen bepalen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn het gezag ten aanzien van de minderjarigen en de toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: de zorgregeling).

2. De moeder verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en zoals zij dit verzoek heeft toegelicht ter zitting, de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de belasting van partijen met het gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarigen en de vaststelling van de zorg- en opvoedingstaken en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de vader met betrekking tot het gezag af te wijzen en een minder frequente zorgregeling vast te stellen, kosten rechtens.

3. De vader verweert zich daartegen en verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het hoger beroep van de moeder af te wijzen.

Gezag

4. De moeder voert het volgende aan. De vader heeft zich in het verleden nooit met de minderjarigen bemoeid. Er is geen sprake van communicatie tussen de ouders. Partijen kunnen het niet eens worden over de kleine dingen, laat staan over belangrijke zaken. De minderjarigen zullen klem en verloren raken tussen de ouders.

5. De vader stelt dat de communicatie weliswaar niet vlekkeloos verloopt, maar dat partijen toch in staat zijn afspraken te maken. Bovendien twisten partijen niet over het aanvragen van paspoorten, medische behandeling of schoolkeuze.

6. Het hof overweegt als volgt.

Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van hun kinderen tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor de kinderen en hun veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren kan dat betekenen dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor de kinderen en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, ten minste in staat zijn hun kinderen buiten die strijd te houden. Indien bovengenoemde omstandigheden aanwezig zijn, zal er geen onaanvaardbaar risico zijn dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders. Andere redenen kunnen evenwel een wijziging van het gezag noodzakelijk maken.

7. Het hof oordeelt tegen die achtergrond als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken dan wel naar voren gekomen op grond waarvan het hof tot een ander oordeel komt dan de rechtbank inzake het ouderlijk gezag ten aanzien van de minderjarigen. Het hof verenigt zich met de door de rechtbank in de bestreden beschikking gebezigde gronden en neemt deze over. Dat de vader zich in het verleden niet met de minderjarigen zou hebben bemoeid zoals de moeder stelt, acht het hof onvoldoende om het verzoek van de vader af te wijzen. Hoewel gebleken is dat de communicatie niet optimaal verloopt en sprake is van verwijten over en weer, worden door de moeder geen voorvallen genoemd waarbij zij door de vader wordt belemmerd in het nemen van gezagsbeslissingen. Bovendien blijken de ouders in staat om afspraken te maken over de zorgregeling.

8. Gelet op het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de gezagbeslissing bekrachtigen.

Zorgregeling

9. De moeder is van mening dat de vastgestelde zorgregeling te veel is voor de minderjarigen. Volgens haar is het niet zo dat de vader de minderjarigen niet goed verzorgt, maar een andere omgeving brengt onrust met zich mee. Bovendien is de regeling onoverzichtelijk en daardoor ook onrustig.

10. De vader stelt dat de moeder haar stelling dat de zorgregeling onrustig is voor de minderjarigen niet heeft onderbouwd. Een wijziging ervan zou juist onrustig zijn. Zijn rooster is aan het begin van het jaar bekend en ligt voor het hele jaar vast.

11. Het hof ziet in de stellingen van partijen geen aanleiding om de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling te wijzigen. Niet gebleken is dat deze niet goed verloopt of anderszins in strijd is met de belangen van de minderjarigen. Dat het niet goed gaat met de minderjarigen op school zoals de moeder ter zitting heeft verklaard, heeft zij op geen enkele wijze onderbouwd en is gemotiveerd weersproken door de vader. Partijen geven uitvoering aan de zorgregeling en vast staat dat de vader de minderjarigen goed verzorgt. Dat de wisseling tussen huizen onrust meebrengt en de minderjarigen na een overdracht weer even moeten wennen aan de situatie bij de andere ouder is normaal, maar inherent aan het uiteengaan van ouders. Wel is het in het belang van de minderjarigen dat partijen zich zullen inspannen om te komen tot een verbetering van hun verstandhouding.

12. Ter zitting is gebleken dat partijen twisten over het tijdstip van overdracht en dat dit voor onenigheid zorgt. Gebleken is dat de moeder de buitenschoolse opvang wegens de kosten daarvan heeft moeten opzeggen en dat de vader de minderjarigen nu uit school moet ophalen. In verband met zijn nachtdiensten heeft de vader daardoor minder tijd om bij te slapen dan in het geval dat de overdracht om 18.00 uur is. Aangezien partijen niet in staat zijn gebleken om hier in onderling overleg uit te komen, zal het hof de tijdstippen vaststellen. Het hof is van oordeel dat (de wijze van) het ophalen van de minderjarigen op de (school)dagen dat zij naar de vader toegaan de verantwoordelijkheid is van de vader. Het hof zal de zorgregeling dan ook aldus vaststellen dat deze op schooldagen aanvangt wanneer de minderjarigen uit school komen en op andere dagen vanaf 18.00 uur. De zorgregeling eindigt op de laatste dag om 18.00 uur. De vader zal de minderjarigen halen en brengen.

Voor de duidelijkheid zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de zorgregeling vernietigen en de zorgregeling, zoals door het hof wordt vastgesteld in het dictum opnemen.

Proceskosten

13. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en, opnieuw beschikkende;

bepaalt ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dat de man de minderjarigen bij zich mag hebben iedere maand drie keer vier aaneengesloten dagen op zijn roostervrije dagen, waarbij de vader de minderjarigen zal halen en brengen;

indien de eerste dag op een schooldag valt vangt dit contact aan wanneer de minderjarigen uit school komen;

indien de eerste dag niet op een schooldag valt vangt het contact aan om 18.00 uur;

de laatste dag van het contact eindigt telkens om 18.00 uur;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van de Poll, Van Dijk en Willems, bijgestaan door mr. Van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2013.