Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ9617

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
07-05-2013
Zaaknummer
200.116.994-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgang; ontzeggingsgrond aanwezig gelet op bijzonder heftige strijd die de ouders over en weer blijven voeren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 10 april 2013

Zaaknummer : 200.116.994/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-2574

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. I.G.M. van Gorkum te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. D. van der Wilt te Den Haag.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 19 november 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van

18 september 2012 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De moeder heeft op 3 januari 2013 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 5 december 2012 een brief van 4 december 2012 met bijlagen;

- op 14 december 2012 een brief van 13 december 2012 met bijlagen;

- op 4 maart 2013 een brief van 1 maart 2013 met bijlagen.

De zaak is op 7 maart 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw M. van der Bom en mevrouw E.K.M. Bakker namens de raad.

De advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de tussenbeschikkingen van 19 oktober 2011 en 17 juli 2012 en de bestreden beschikking.

Bij de tussenbeschikking van 19 oktober 2011 is bepaald dat de moeder de vader, met ingang van 19 oktober 2011, driemaal per jaar, te weten met Kerstmis, Pasen en de zomervakantie, schriftelijk informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van de minderjarige [naam], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige), en daarbij zal voegen een kopie van het laatste schoolrapport en een goed gelijkende recente kleurenfoto van de minderjarige. Voorts is bepaald dat de moeder de vader zal raadplegen - zo nodig door tussenkomst van derden - over te nemen beslissingen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon van de minderjarige. De beschikking is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Daarnaast is de raad verzocht een onderzoek te verrichten naar de vraag of het belang van de minderjarige zich verzet tegen een omgangsregeling en zo nee, welke omgangsregeling in het belang van de minderjarige is. De raad is daarbij verzocht tijdens het onderzoek te proberen proefcontacten tussen de minderjarige en de vader op gang te brengen, zodat de minderjarige zich zelf een beeld van de vader kan vormen. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgangsregeling en de proceskosten is aangehouden.

Bij de tussenbeschikking van 17 juli 2012 is bepaald dat de moeder de in de tussenbeschikking van 19 oktober 2011 genoemde informatie voortaan per e-mail aan de vader zal verschaffen en zijn partijen verwezen naar Bureau Jeugdzorg te Den Haag voor het verkrijgen van een indicatie voor het onder begeleiding op gang brengen van de omgang tussen de vader en de minderjarige. De beschikking is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgangsregeling en de proceskosten is aangehouden.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de vader tot bepaling van een omgangsregeling afgewezen en is bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De advocaat van de moeder heeft het hof verzocht de van de zijde van de vader op 4 maart 2013 bij het hof ingekomen brief gedateerd 1 maart 2013 buiten beschouwing te laten, aangezien deze niet tijdig is ingediend. Het hof zal het stuk wel bij de beoordeling betrekken, nu dat kort en eenvoudig te doorgronden is.

2. In geschil zijn de vaststelling van een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige en de proceskosten.

3. De vader verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat een (het hof leest:) omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige wordt vastgesteld op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of deel daarvan, kosten rechtens.

4. De moeder verweert zich daartegen en verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, primair het verzoek van de vader niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair het verzoek van de vader af te wijzen en de vader te veroordelen in de kosten van deze procedure conform de lijn in de jurisprudentie.

Omgangsregeling

5. De vader voert het volgende aan. Door een eindbeschikking te wijzen en een contactregeling af te wijzen is geen recht gedaan aan het advies van de raad en aan de belangen van de minderjarige en de vader. Het beginsel van hoor en wederhoor is niet toegepast. De rechtbank heeft in feite de moeder beloond voor haar niet meewerken aan enige vorm van contact tussen de vader en de minderjarige. Het is in het belang van de minderjarige dat zij zich een positief beeld kan vormen van haar vader, nu de moeder daar niet toe in staat is. Hiertoe moet alles op alles worden ingezet. Te denken valt aan het opleggen van een dwangsom of een uitbreiding van het onderzoek door de raad naar de wenselijkheid van een ondertoezichtstelling.

6. De moeder verweert zich daartegen als volgt. De vader heeft vanaf 2004/2005 nauwelijks omgang met de minderjarige gehad en sinds zijn detentie in 2008 helemaal niet meer. Hij heeft nooit getracht om zelf het contact met de minderjarige te herstellen, maar is in april 2010 een juridische procedure gestart. Het is hem niet om de omgang te doen, maar om toezicht op de opvoedingssituatie. Hiertoe doet hij ook meldingen bij het AMK. In 2010 is hij onverwachts op de school van de minderjarige verschenen, waar de minderjarige erg van is geschrokken, omdat zij niet wist wie hij was. Vervolgens heeft hij zijn stiefkinderen op dezelfde school geplaatst. Tot op de dag van vandaag begeeft de vader zich voor de woning van de moeder of komt toeterend langsgereden. De minderjarige wordt bijna twaalf en zij weet dat zij dan zelf mee mag beslissen hoe aan een eventuele omgangsregeling vorm wordt gegeven. Nu is er sprake van een stabiele en rustige gezinssituatie voor de minderjarige en het is in haar belang om deze te handhaven.

7. De raad handhaaft zijn standpunt dat de ouders er goed aan zouden doen om het traject “Ouderschap blijft” te volgen. Het is in het belang van de minderjarige dat zij zich een eigen mening kan vormen over de vader, maar zij moet hier wel in gesteund worden door de moeder.

8. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden tot haar oordeel is gekomen; het hof neemt deze over. Ook in hoger beroep is gebleken dat de relatie tussen partijen nog altijd ernstig verstoord is en zelfs - in de woorden van de advocaat van de vader - steeds meer vergiftigd raakt. Partijen blijven elkaar over en weer verwijten maken, zien hun eigen aandeel in de problemen niet in en zijn niet in staat hun ex-partnerproblematiek ondergeschikt te maken aan het belang van de minderjarige. Daarbij wordt het AMK herhaaldelijk ingeschakeld en schromen partijen niet familieleden bij het gevecht te betrekken. Het hof acht de wijze waarop partijen (en hun nieuwe partners) met elkaar omgaan zeer schadelijk voor de minderjarige. Naar het oordeel van het hof is de vader zich kennelijk niet bewust van de gevolgen van zijn handelen voor de minderjarige. De moeder mist de draagkracht en mogelijkheden om de minderjarige ruimte te geven om in contact te treden met haar vader en een eigen beeld over de vader te kunnen vormen. Een gedwongen omgangsregeling zou daarom de huidige relatief stabiele situatie aan het wankelen brengen en is strijdig met zwaarwegende belangen van de minderjarige.

9. Het voorgaande brengt mee dat het belang van de minderjarige zich tegen vaststelling van een omgangsregeling verzet. Nu de moeder alleen het gezag over de minderjarige heeft, kan het hof op grond van het bepaalde in artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek een omgangsregeling vaststellen, dan wel aan de vader het recht op omgang ontzeggen. Nu in deze zaak wordt voldaan aan (een van) de voorwaarden voor ontzegging van de omgang, zal het hof de bestreden beschikking wat betreft de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling vernietigen en de vader de omgang met de minderjarige ontzeggen. Het hof acht het niet noodzakelijk de minderjarige, die nog geen twaalf jaren oud is, in de gelegenheid te stellen haar mening kenbaar te maken.

Proceskosten

10. De moeder verzoekt het hof om de vader te veroordelen in de kosten van deze procedure, omdat het onacceptabel is dat de vader de moeder zonder enige grondslag in rechte betrekt.

11. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren. Het hof is van oordeel dat de hoger beroepsprocedure niet nodeloos is ingesteld.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling is afgewezen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

ontzegt de vader het recht op omgang met de minderjarige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijk, Van de Poll en Willems, bijgestaan door mr. Van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2013.