Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ9614

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
07-05-2013
Zaaknummer
200.116.012-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie en draagkracht; grens van 90 % van toepasselijke bijstandsnorm wordt bereikt; gevolg: geen draagkracht; terugbetaling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 10 april 2013

Zaaknummer : 200.116.012/01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 12-818

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. K. Lammers-Roselaar te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.G. Pherai te Den Haag,

en

[geïntimeerde],

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de jongmeerderjarige,

advocaat mr. J.G. Pherai te Den Haag.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 1 november 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 17 september 2012 van de rechtbank Rotterdam.

De vrouw en de jongmeerderjarige hebben op 27 december 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 8 november 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 21 januari 2013 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de vrouw:

- op 4 februari 2013 een faxbericht met bijlagen.

De zaak is op 14 februari 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw en de jongminderjarige, bijgestaan door hun advocaat.

De advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd. De bijgevoegde productie van de zijde van de man is teruggegeven.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is afgewezen het verzoek van de man, tot wijziging van de door de rechtbank Rotterdam bij beschikking van 14 december 2006 bepaalde door hem aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 150,- per maand per kind.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van [naam], geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige), en de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de jongmeerderjarige voornoemd.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de vastgestelde onderhoudsbijdragen met ingang van 1 mei 2012 alsnog op nihil te stellen.

3. De vrouw en de jongmeerderjarige bestrijden zijn beroep en verzoeken het hof de grieven van de man af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Voor zover het hof beslist dat de alimentatie op nihil dient te worden gesteld, verzoeken de vrouw en de jongmeerderjarige om te bepalen dat, voor zover de man over de periode vanaf 1 mei 2012 meer heeft betaald en/of op hem is verhaald, de bijdrage tot datum beschikking wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald.

4. De man stelt dat de rechtbank wel heel kort door de bocht is gegaan door te oordelen dat de inkomensvermindering van de man aan diens eigen schuld was te wijten en dat het verzoek tot wijziging van de onderhoudsbijdragen daarom afgewezen dient te worden. Het is inderdaad aan de schuld van de man te wijten dat hij ontslagen is, maar nu komt de onderhoudsverplichting ten laste van zijn nieuwe partner, terwijl deze niet gehouden is om bij te dragen in de kosten van de minderjarige en jongmeerderjarige. Ook heeft de rechtbank geen rekening gehouden met het matigingsverzoek van de man. Daarnaast heeft de rechtbank zich niet uitgelaten over het gebrek aan behoefte van de vrouw en de jongmeerderjarige.

5. De vrouw en de jongmeerderjarige stellen dat aangezien de man verwijtbaar werkloos is geworden, dit voor zijn risico komt. De man heeft bovendien € 16.000,- van de spaarrekening opgenomen, terwijl dat geld bedoeld was voor de studie van de kinderen. Ten aanzien van de behoefte verwijzen zij naar de in eerste aanleg overgelegde financiële gegevens.

Wijziging van omstandigheden

6. Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man sinds mei 2012 geen inkomen meer heeft, omdat hij op 12 april 2012 door eigen toedoen op staande voet is ontslagen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek, op grond waarvan een herbeoordeling van de wettelijke maatstaven gerechtvaardigd is.

Bijdrage jongmeerderjarige en kinderalimentatie

Draagkracht van de man

7. Met betrekking tot de draagkracht van de man overweegt het hof als volgt.

Als gevolg van de verwijtbaarheid van het ontslag komt de man niet in aanmerking voor een uitkering in het kader van de Werkloosheidswet. Evenmin ontvangt de man een uitkering op grond van de Wet Werk en bijstand, omdat hij samenwoont met een partner die eigen inkomsten heeft. Zijn partner voorziet in de kosten van levensonderhoud van de man.

De man heeft ter zitting verklaard zich in te spannen om werk te vinden door ook onder zijn niveau te solliciteren, maar tevergeefs. Het hof is van oordeel dat, gelet op de gedragingen van de man die hebben geleid tot het ontslag, het vinden van een nieuwe baan uiterst moeilijk zal zijn en dat derhalve sprake is van onherstelbaar inkomensverlies. Voorts is het hof van oordeel dat de man zich, gezien zijn onderhoudsverplichtingen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot het verlies van inkomsten hebben geleid.

8. Op grond van het voorgaande geldt als uitgangspunt dat moet worden uitgegaan van het (fictieve) inkomen dat de man zou hebben gehad indien het inkomensverlies zich niet zou hebben voorgedaan. Dit beginsel mag evenwel niet leiden tot het resultaat dat de man, als gevolg van een fictief berekende draagkracht, bij voldoening aan zijn onderhoudsplicht jegens zijn kinderen, feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn eigen bestaan te voorzien, en in geen geval tot het resultaat dat zijn totale inkomen zakt beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm. Nu de man geen inkomen heeft, heeft hij geen draagkracht om enige onderhoudsbijdrage te kunnen voldoen. Bovendien is er geen perspectief dat daarin op korte termijn verandering zal komen mede gezien de wijze waarop een einde is gekomen aan zijn dienstverband.

9. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de man geen onderhoudsbijdragen toelaat, zodat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd. Hetgeen partijen voorts nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking, nu dit niet tot een ander oordeel zal leiden.

Ingangsdatum

10. De vrouw stelt onvoldoende middelen te hebben om eventueel teveel ontvangen onderhoudsbijdragen aan de man terug te moeten betalen. Het geld is opgegaan aan de kosten van de jongmeerderjarige en minderjarige.

11. De man stelt dat de vrouw vanaf april 2012 op de hoogte was van het inkomensverlies van de man en het wijzigingsverzoek dientengevolge, zodat zij hiermee rekening had moeten houden. De vrouw heeft echter het LBIO ingeschakeld die bedragen via een deurwaarder is gaan incasseren. Ten einde raad heeft de partner van de man een lening afgesloten om de kinderalimentatie te kunnen voldoen.

12. Het hof overweegt als volgt. Bij brief van 24 april 2012 heeft de advocaat van de man de vrouw laten weten dat de man als gevolg van zijn ontslag niet langer over draagkracht beschikt om de vastgestelde onderhoudsbijdragen ten behoeve van de kinderen te kunnen voldoen. Het hof is derhalve van oordeel dat de vrouw vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een mogelijke wijziging en eventuele terugbetalingsverplichting en zal met ingang van 1 mei 2012 de bijdrage op nihil bepalen. Gelet op het consumptieve karakter van de onderhoudsbijdrage acht het hof het redelijk om de terugbetalingsverplichting van de vrouw te beperken tot € 1.000,- en zal aldus beslissen. Daarbij is het hof van oordeel, dat de aan de jongmeerderjarige betaalde en op de man verhaalde bijdrage is geconsumeerd en niet behoeft te worden terugbetaald.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 14 december 2006 van de rechtbank Rotterdam - de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie en bijdrage jongmeerderjarige met ingang van 1 mei 2012 op nihil;

veroordeelt de vrouw aan de man te betalen ter zake te veel ontvangen onderhoudsbijdragen een bedrag van € 1.000,-;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Husson en Kleykamp-van der Ben, bijgestaan door mr. van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2013.