Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ9613

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
07-05-2013
Zaaknummer
200.118.695-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gesloten plaatsing minderjarige. Continuering van de plaatsing gelet op de vooruitgang die bij de minderjarige zichtbaar is, hetgeen tot risico van afbreuk en terugval leidt bij beëindiging van de plaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 10 april 2013

Zaaknummer : 200.118.695/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 12-3345

[De minderjarige],

geboren [in] 1996 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], thans feitelijk verblijvende te [verblijfplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de minderjarige,

advocaat mr. G. van der Steen te Den Haag,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg te Den Haag,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [De vader],

hierna te noemen: de vader, en

2. [de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

beiden wonende te [woonplaats], gemeente [naam gemeente],

hierna ook gezamenlijk te noemen: de ouders.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De minderjarige is op 17 december 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 30 november 2012 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage.

Jeugdzorg heeft op 11 maart 2013 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de minderjarige:

- op 8 maart 2013 een brief van diezelfde datum met bijlage.

De raad heeft bij brief van 18 februari 2013 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

De zaak is op 20 maart 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de minderjarige, bijgestaan door haar advocaat en door een begeleidster, mevrouw [naam begeleidster];

- mevrouw [naam] en de heer [naam] namens Jeugdzorg;

- de ouders, bijgestaan door de heer [naam tolk], tolk in de Iraaks-Arabische taal.

Op verzoek van de minderjarige is zij eerst buiten aanwezigheid van de ouders gehoord, waarna de ouders en de tolk op een later tijdstip zijn toegelaten tot de zitting. De voorzitter heeft kort en zakelijk weergegeven wat tijdens hun afwezigheid is behandeld.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is Jeugdzorg gemachtigd de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg zoals bedoeld in artikel 29b, eerste lid, van de Wet op de Jeugdzorg, van 30 november 2012 tot 30 mei 2013, zulks ter effectuering van het indicatiebesluit van 29 november 2012.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de machtiging de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg zoals bedoeld in artikel 29b, eerste lid, van de Wet op de Jeugdzorg, van 30 november 2012 tot 30 mei 2013.

2. De minderjarige verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het inleidend verzoek van Jeugdzorg geheel dan wel gedeeltelijk af te wijzen.

3. Jeugdzorg verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep, strekkende tot vernietiging van de bestreden beschikking, af te wijzen.

4. De minderjarige verzet zich tegen de uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg en voert daartoe het volgende aan. De stellingen dat de minderjarige geen vrienden zou hebben en dat niet duidelijk is waar zij heeft verbleven, zijn achterhaald en niet conform de waarheid. De periode van twee weken waarop Jeugdzorg doelt (zijnde een periode dat de minderjarige van huis was weggelopen) heeft de minderjarige deels doorgebracht bij een Irakese jonge vrouw, genaamd [naam vrouw], en deels bij haar goede vriend [naam vriend] en zijn familie. De minderjarige erkent dat Jeugdzorg niet wist van haar verblijf bij [naam vriend] maar ten tijde van de zitting in eerste aanleg wist Jeugdzorg dat wel. De minderjarige heeft alle gegevens van de familie van [naam vriend] aan de gezinsvoogd gegeven, met het verzoek contact met hen op te nemen. De minderjarige wil graag in het gezin van [naam vriend] wonen en dat gezin staat ook open voor een verblijf van de minderjarige bij hen.

De minderjarige erkent dat zij niet naar huis wil maar ontkent dat zij geen contact meer wil met haar ouders, zoals de kinderrechter heeft overwogen. De minderjarige lijkt opgesloten te zitten tussen twee culturen waardoor zij niet aan de verwachtingen van haar ouders kan en wil voldoen. De minderjarige heeft begrip voor het feit dat zij gezien haar leeftijd hulp nodig heeft om toe te werken naar haar volwassenheid (hulp die haar ouders haar niet kunnen bieden), maar meent dat zij die hulp bij een gesloten plaatsing niet krijgt.

De andere door Jeugdzorg geuite zorgen zijn niet juist. Zo is de veronderstelling dat de minderjarige op zoek zou zijn naar een man met wie zij zich kon verloven en op die wijze van huis zou kunnen gaan niet juist. Er heeft zich eenmaal een situatie voorgedaan waarbij sprake is geweest van een verzoek tot verloving maar de minderjarige stelt dat zij die relatie heeft verbroken en dat de persoon in kwestie vervolgens lastig is gaan doen.

De minderjarige erkent dat zij zich enkele keren aan de zorg van haar ouders heeft onttrokken om na te denken wat zij verder wil in dit leven. De minderjarige meent dat zij al behoorlijk zelfstandig is maar erkent dat zij nog de nodige hulp kan gebruiken. Ze geeft duidelijk aan niet meer naar huis te willen en gezien haar leeftijd (17 jaar) is dat ook niet meer wenselijk.

De minderjarige heeft zelf de mogelijkheden van een pleeggezin (familie [naam vriend]) en een kamertrainingscentrum voorgesteld. Zij heeft de consequenties van weglopen inmiddels ondervonden. Zij ervaart haar huidige plaatsing als een gevangenisstraf. Tot haar volwassenheid zal zij stilstaan in haar ontwikkeling. De minderjarige meent dat een gesloten plaatsing zo kort mogelijk moet zijn en dat in haar geval praktisch gehandeld moet worden, in die zin dat onderzocht moet worden of plaatsing bij meergenoemde familie mogelijk is dan wel de optie van een kamertrainingscentrum. Informatie over haar is bekend bij de psychologe [naam psychologe] van [naam instelling] en kan aldaar worden ingewonnen. De minderjarige komt haar afspraken altijd na en onttrekt zich niet aan iedere hulp. De minderjarige stelt dat minder zwaarwegende maatregelen voorhanden zijn en dat de machtiging tot gesloten plaatsing voor een te lange duur is afgegeven.

5. Ter zitting van het hof heeft de minderjarige meegedeeld dat het beter met haar gaat. Op de dag van de zitting heeft ze voor het eerst sinds haar gesloten plaatsing onbegeleid verlof gekregen. Het is de bedoeling dat ze binnen enkele dagen wordt overgeplaatst naar een besloten groep, zodat ze wat meer vrijheid krijgt. Via het behalen van persoonlijke ontwikkelingsprofielen (omgang met vrijheden en verlof, zorg voor haar eigen gezondheid, eigen keuzes maken en omgang met haar ouders) kan zij toewerken naar verdere vervolgstappen, te weten plaatsing op de intensieve groep [naam] van Jeugdformaat en van daaruit plaatsing op een kamertrainingscentrum. De minderjarige heeft aangegeven gemotiveerd te zijn om deze stappen te nemen maar ziet liever een korter traject zodat ze sneller uit [naam instelling] weg kan.

6. Jeugdzorg stelt dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig werd bedreigd. De minderjarige onttrok zich aan hulpverlening, wilde niet meer thuis wonen en ging daardoor met vreemden mee, waardoor ze in zeer zorgelijke situaties terecht is gekomen. Plaatsing in het gezin van [naam vriend] is geen optie, nu dat gezin alle contacten heeft verbroken. Aangezien thuisplaatsing geen optie is en het de minderjarige aan een steunend netwerk ontbreekt, meent Jeugdzorg dat een gesloten plaatsing nodig is. Bekeken is wat de problematiek en het perspectief van de minderjarige zijn. Uit een intelligentieonderzoek is naar voren gekomen dat de minderjarige een sterk disharmonisch profiel heeft, hetgeen naar de mening van Jeugdzorg grotendeels haar gedrag verklaart. Er is een traject uitgezet waarbij de minderjarige de stap kan maken naar een groep met meer vrijheden en waarin ze gaat werken aan de door haar gestelde profielen. Bovendien is de minderjarige op 11 februari 2013 aangemeld bij de intensieve groep [naam] van Jeugdformaat en van daaruit kan de minderjarige de stap nemen naar een kamertrainingscentrum, gericht op jongeren van haar niveau, waar ze langer de tijd krijgt om te oefenen in zelfstandigheid.

Ter zitting heeft Jeugdzorg erkend dat de minderjarige zich goed ontwikkelt maar volgens Jeugdzorg is de minderjarige nog wel kwetsbaar en heeft zij onvoldoende vaardigheden om zichzelf te redden. Bij de ouders bestaat geen draagvlak voor de uithuisplaatsing van de minderjarige. Volgens de ouders kan de minderjarige pas uit huis zodra zij gehuwd is. Jeugdzorg heeft begrip voor het feit dat de minderjarige het traject te lang vindt maar meent dat de minderjarige haalbare stappen moet kunnen maken die niet teveel van haar vragen. Jeugdzorg kan zich vinden in de beslissing van de rechtbank en de gronden waarop deze berust.

7. Namens de ouders heeft de vader ter zitting gesteld het eens te zijn met het traject dat Jeugdzorg voor ogen heeft. De vader is echter van mening dat de minderjarige dat traject in de thuissituatie kan volgen en hij stelt dat hij en de moeder alles zullen verschaffen wat de minderjarige nodig heeft. De vader stelt wel als voorwaarde dat de minderjarige haar school continueert en feitelijk volgt, en dat ze naast haar school een bijbaantje neemt.

8. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 29b lid 3 van de Wet op de jeugdzorg wordt een machtiging tot opneming van een minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, ongeacht zijn instemming daarmee, slechts verleend indien de minderjarige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal ontrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

9. Uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de minderjarige sinds haar verblijf in [de huidige instelling] een positieve ontwikkeling doormaakt en er verandering in haar gedrag zichtbaar is. De minderjarige heeft ter zitting in hoger beroep beaamd dat het thans goed met haar gaat. De minderjarige ontvangt een specifieke behandeling, afgestemd op haar problematiek en is gebaat bij haar verblijf in de gesloten instelling. Het hof gaat er van uit dat de minderjarige, zoals ter zitting is aangekondigd, inmiddels in een besloten groep binnen [de huidige instelling] is geplaatst en dat zij van daaruit al wat meer vrijheden geniet. Gezien de uitgesproken mening van de minderjarige is een terugplaatsing bij haar ouders uitgesloten terwijl een vernietiging van de bestreden beschikking met zich zou brengen dat de minderjarige feitelijk terug moet naar haar ouders. Aangezien de positieve ontwikkeling van de minderjarige nog van redelijk korte duur is, acht het hof het gevaar dat zij terugvalt in haar oude problematiek, met alle gevolgen van dien, vooralsnog niet voldoende afgewend. Bovendien acht het hof de stelling van Jeugdzorg, dat de minderjarige thans nog niet voldoende weerbaar is, aannemelijk. Het Perspectiefplan van [naam instelling], te weten een behandeling van de minderjarige in drie fasen gedurende een periode van circa zes maanden, komt het hof op dit moment voor als een noodzakelijk traject voor de minderjarige om een goede minimaal noodzakelijke ontwikkeling naar volwassenheid te realiseren. Aangezien de minderjarige zelf heeft aangegeven gemotiveerd te zijn om naar vervolgstappen toe te werken, gaat het hof er van uit dat zij ook alle medewerking zal verlenen en zich zodoende positief blijft ontwikkelen.

10. Gelet op het vorenoverwogene is er naar het oordeel van het hof thans nog altijd sprake van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen aan de zijde van de minderjarige die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf in gesloten jeugdzorg noodzakelijk zijn om te voorkomen dat zij zich aan de benodigde zorg zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in gesloten jeugdzorg is dan ook terecht verleend. Het vorenstaande brengt met zich dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Lückers en Linsen-Penning de Vries, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2013.