Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ9606

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
07-05-2013
Zaaknummer
200.114.789-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(geen) gezamenlijk gezag; omgang; informatieregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 17 april 2013

Zaaknummer : 200.114.789/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 12-674

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. H.A. Schipper te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.E.H. van Katwijk te Haarlem.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 9 oktober 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 10 juli 2012 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vader heeft op 23 november 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 2 januari 2013 een brief van diezelfde datum met bijlage;

- op 25 februari 2013 een brief van 22 februari 2013 met bijlagen;

van de zijde van de vader:

- op 4 maart 2013 een brief van diezelfde datum met bijlage.

De zaak is op 7 maart 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en drs. M.G.A. Bink, tolk in de taal Engels;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

De advocaten hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is bepaald dat met ingang van 10 juli 2012 aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarige [naam], geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige), en dat de minderjarige bij de vader zal zijn:

- eenmaal per twee weken een weekend van vrijdagmiddag 17.00 uur, waarbij de vader de minderjarige zal ophalen bij het [locatie], tot zondagmiddag 17.00 uur;

- de helft van de vakanties en feestdagen, overeenkomstig de regeling zoals neergelegd in de aan de bestreden beschikking gehechte productie, met dien verstande dat ten aanzien van de zomervakantie geldt dat de vader de minderjarige bij zich zal hebben één losse week en - op een ander moment in de vakantie - twee achtereenvolgende weken.

Voorts is bepaald dat de moeder met ingang van 10 juli 2012 de vader:

- één keer per maand op de hoogte stelt van het wel en wee van de minderjarige;

- op de hoogte stelt van gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige, alsmede raadpleegt over daaromtrent te nemen beslissingen;

- raadpleegt over de ontwikkelingen van de minderjarige op school, alsmede op het gebied van haar taalvorderingen en dergelijke.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn het gezag ten aanzien van de minderjarige, de toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: de zorgregeling) en de informatie- en consultatieregeling.

2. De moeder verzoekt het hof, voor zover de wet het toelaat uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

- het verzoek van de vader om te worden belast met het gezamenlijk gezag af te wijzen;

- te bepalen dat de minderjarige omgang zal hebben met de vader gedurende één keer per vier weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij de vader haar zal halen en brengen;

- te bepalen dat de minderjarige 25% van de feestdagen en vakantiedagen bij de vader zal doorbrengen, te verdelen in onderling overleg, waarbij de minderjarige op doordeweekse feestdagen uiterlijk om 17.00 uur zal zijn teruggebracht bij de moeder;

- af te wijzen hetgeen de vader meer of anders heeft verzocht,

kosten rechtens.

3. De vader verweert zich daartegen en verzoekt het hof het verzoek van de moeder, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden van de bestreden beschikking, af te wijzen als zijnde niet-ontvankelijk, ongegrond en/of onbewezen, althans een zodanige beschikking te wijzen als het hof in goede justitie juist acht.

Gezag

4. De moeder voert het volgende aan. Vanwege de traumatische gebeurtenissen in het verleden wenst de moeder de invloed van de vader in haar huidige gezinsleven zo beperkt mogelijk te houden. De moeder heeft verklaard dat de vader, toen hij van de zwangerschap van de moeder vernam, haar abortus voorstelde, en toen bleek dat dit niet meer kon, hij haar heeft verzocht terug te gaan naar [land] en uit huis heeft gezet. De situatie is atypisch in die zin dat de minderjarige nooit een gezinsleven heeft gehad met de vader; zij beschouwt de huidige partner van de moeder, die haar van baby af aan heeft opgevoed en verzorgd, als haar vader. De vader stelt zich niet terughoudend op en de moeder voorziet veel problemen in de uitoefening van het gezamenlijk gezag. Zo heeft de vader de school verzocht zijn contacten met school voor de moeder geheim te houden en wilde hij de minderjarige zonder overleg met de moeder van school halen voor zijn 50ste verjaardag. Ook zijn bij de uitvoering van de zorgregeling al veel problemen gerezen. Ter zake het gezag ligt er een door beide partijen ondertekende overeenkomst die na vele mediationbijeenkomsten en met hulp van beide advocaten tot stand is gekomen. Partijen zijn daarbij overeengekomen dat de moeder het van rechtswege eenhoofdige gezag zou behouden. De rechtbank heeft deze overeenkomst volledig genegeerd.

5. De vader betwist uitdrukkelijk dat de rechtbank hem ten onrechte (mede) met het ouderlijk gezag heeft belast. Het wettelijk uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag. Dat de communicatie tussen partijen verbetering behoeft, betekent niet dat dit aan het gezamenlijk uitoefenen van het ouderlijk gezag in de weg staat. Dat er communicatie mogelijk is, is bovendien gebleken. Partijen zijn een ouderschapsplan overeengekomen, maar het is de moeder die zich hier niet aan houdt. Bij eenhoofdig gezag bestaat het risico dat de moeder besluit te verhuizen, eventueel naar [land]. Het is in het belang van de minderjarige dat de vader niet buitenspel wordt gezet en een rol van betekenis in haar leven kan spelen. De vader verwijst naar de uitspraak van het hof ’s-Gravenhage van 21 december 2011 (zaaknummer 200.048.088).

6. Het hof is van oordeel dat het inleidend verzoek van de vader om mede met het ouderlijk gezag te worden belast alsnog dient te worden afgewezen. Het hof overweegt daartoe als volgt.

7. Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren kan dat betekenen dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, ten minste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof genoegzaam gebleken dat de verhouding tussen de ouders dermate is verstoord dat dit een gezamenlijke gezagsuitoefening op voormelde wijze in de weg staat. Gebleken is dat het einde van de relatie ten tijde van de zwangerschap in ieder geval voor de moeder traumatisch was en dat de minderjarige nimmer met de vader in gezinsverband heeft gewoond. De minderjarige, thans net 7 jaar oud, groeit op in het gezin van de moeder, haar echtgenoot en hun kinderen.

8. Voorts acht het hof het volgende van belang.

De moeder is vanaf het begin met het eenhoofdig gezag over de minderjarige belast. Na indiening van het inleidend verzoek van de vader hebben partijen door middel van mediation getracht de gebeurtenissen uit het gezamenlijk verleden af te sluiten en zijn zij onder professionele begeleiding tot overeenstemming gekomen over de inhoud van een ouderschapsplan. Daarbij zijn partijen in artikel 1.1 overeengekomen dat de moeder met het eenhoofdig gezag over de minderjarige belast blijft. Het hof acht het niet in het belang van de minderjarige om thans de vader mede met het gezag te belasten. Zoals ook in de beschikking van dit hof van 21 december 2011 is overwogen, acht het hof de moeizame communicatie tussen partijen op zich onvoldoende grond voor een beëindiging van het gezamenlijk gezag, dan wel voor een afwijzing van het verzoek daartoe. In tegenstelling tot de situatie in de aangehaalde uitspraak, betreft het in het onderhavige geval echter een veel jonger kind, dat bovendien nooit met de vader heeft samengewoond. Daarbij komt dat het hof van oordeel is dat gebleken is dat de vader niet van plan is om zich terughoudend op te stellen en de moeder als hoofdopvoeder te respecteren. Zo blijkt uit de stellingen van de vader dat hij de wens heeft dat de minderjarige evenveel deel uitmaakt van zijn gezin als dat van de moeder, terwijl zij bij de moeder is opgegroeid en hij op 190 kilometer afstand woont. Daarnaast blijkt er al onenigheid te zijn over tennislessen van de minderjarige, de achternaam en de contacten met de school, terwijl partijen bij het ondertekenen van het ouderschapsplan in december 2010 over dit soort zaken overeenstemming hadden bereikt. Gelet op deze feiten en omstandigheden acht het hof de gezamenlijke uitoefening van het gezag in strijd met het belang van de minderjarige. Ten slotte overweegt het hof dat gebleken is dat de moeder in Nederland is geworteld en geen plannen heeft om te verhuizen naar [land], dan wel elders. Zij is gehuwd met een Nederlandse man met wie zij nog drie kinderen heeft gekregen en hun leven speelt zich af in [woonplaats].

Omgangsregeling

9. De moeder stelt oog te hebben voor het belang van de minderjarige bij contact met haar biologische vader en wil dit ook zeker niet in de weg staan. Het moet echter wel haalbaar en in het belang van de minderjarige zijn. De vader blijkt zijn belangen voorop te stellen door omgang gedurende de week te willen, terwijl hij op 190 kilometer afstand woont. Door een weekendregeling van eens in de vier weken is de minderjarige in staat om een band op te bouwen met de familie van de vader en heeft zij voldoende tijd voor haar sociale leven en activiteiten in [woonplaats] bij de moeder.

10. De vader is van mening dat het in het belang van de minderjarige is dat zij een plek krijgt in beide gezinnen, en niet zoals de moeder stelt in het “basisgezin” van de moeder. Dat de minderjarige belang heeft bij frequenter contact met de vader blijkt uit het feit dat zij na ieder bezoek aangeeft graag (langer) bij haar vader te willen zijn.

11. Het hof is van oordeel dat niet gebleken is dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die een wijziging van de regeling in het tussen partijen overeengekomen ouderschapsplan noodzakelijk maakt. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting dat de moeder zich terdege bewust is van het belang van het contact van de minderjarige met de vader en dat zij zich hiervoor inzet. Gelet op de afstand tussen de woonplaatsen van de ouders acht het hof de regeling zoals partijen deze in artikel 3.1 van het ouderschapsplan zijn overeengekomen van een weekend in de drie weken in het belang van de minderjarige. Het hof ziet ook geen aanleiding om het overeengekomen tijdstip van vrijdag 15.00 uur te wijzigen. Aldus wordt de vader in staat gesteld de minderjarige uit school op te halen en files te vermijden. Voorts is het hof van oordeel dat de vakantieregeling zoals partijen deze zijn overeengekomen in het ouderschapsplan eveneens gehandhaafd moet worden.

Informatie- en consultatieregeling

12. De moeder is van mening dat de rechtbank ten onrechte een informatie- en consultatieregeling heeft vastgelegd. Zij voldoet aan haar wettelijke verplichtingen ter zake, waardoor de vader geen belang heeft bij toewijzing van het verzochte.

13. De vader bestrijdt de stellingen van de moeder en stelt dat er wel degelijk een noodzaak is voor het vaststellen van een informatieregeling.

14. Het hof ziet geen aanleiding om een andere informatieregeling vast te stellen dan zoals door partijen in het door hen op 16 december 2010 ondertekende ouderschapsplan is overeengekomen.

Proceskosten

15. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren.

16. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst af het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over de minderjarige te belasten;

bepaalt een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige zoals door partijen overeengekomen in artikel 3.1 en in bijlage 1 van het door hen op 16 december 2010 ondertekende ouderschapsplan;

wijst het inleidende verzoek van de vader tot het vaststellen van een informatie- en consultatieregeling alsnog af;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van de Poll, Van Dijk en Willems, bijgestaan door mr. Van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 april 2013.