Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ9587

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
07-05-2013
Zaaknummer
200.119.408/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing. Noodzaak tot uithuisplaatsing is inmiddels gelegen in kindfactoren: een veilige hechting bij de pleegouders bij wie zij inmiddels al enige jaren woont.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 10 april 2013

Zaaknummer : 200.119.408/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 12-2314

[appellant],

wonende te [woonplaats], gemeente [A],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat voorheen mr. M.A. Oosterveen te Rotterdam, thans geen advocaat,

tegen

de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Diemen,

namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam te Rotterdam (verder: Jeugdzorg),

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de WSS.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. Flexus Jeugdplein te Rotterdam,

hierna te noemen: Flexus Jeugdplein.

2. De heer en mevrouw [B],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de pleegouders.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 27 december 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 12 oktober 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

De WSS heeft op 26 februari 2013 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 7 februari 2013 een brief van 5 februari 2013 met bijlagen.

De raad heeft bij brief van 15 februari 2013 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

De zaak is op 20 maart 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de moeder;

- mevrouw M. Hameetmann en mevrouw S. Daalhof namens de WSS;

- mevrouw T. Bardéga namens Flexus Jeugdplein;

- de pleegouders.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking zijn – uitvoerbaar bij voorraad en voor zover thans van belang – de ondertoezichtstelling en de duur van de machtiging tot plaatsing van de hierna te noemen minderjarige in een vorm van pleegzorg verlengd tot 10 september 2013.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

Onder meer staat het volgende vast:

- de hierna te noemen minderjarige is geboren uit de moeder;

- de moeder heeft van rechtswege alleen het gezag over de minderjarige;

- de minderjarige is sinds 16 juni 2010 (voor haar geboorte) onder toezicht gesteld en sinds haar geboorte uit huis geplaatst.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarige [kind X], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] (hierna verder: de minderjarige) tot 10 september 2013.

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, zodat de verlengde ondertoezichtstelling en/of verlengde uithuisplaatsing van de minderjarige zullen worden beëindigd met onmiddellijke ingang, althans met ingang van een datum door het hof te bepalen, althans de verlenging te bepalen voor een periode korter dan een jaar.

3. De WSS verweert zich daartegen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

4. Het hof ziet aanleiding om de grieven van de moeder, en daarmee de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing, gezamenlijk te behandelen.

5. De moeder stelt zich op het standpunt dat de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing ten onrechte zijn verlengd, omdat er geen sprake is van een bedreigde situatie. De moeder meent dat zij zelf goed in staat is om de minderjarige te verzorgen en op te voeden; dat er geen reden is om aan te nemen dat de minderjarige bij haar gevaar zou lopen; dat zij haar andere kinderen ook vanaf de geboorte heeft opgevoed en dat zij is opgeleid als begeleidster in de kinderopvang. De moeder stelt dat het contact en de samenwerking met de hulpverlening niet goed verlopen, maar dat dit niet alleen aan haar ligt: de instellingen werken volgens standaardprocedures en kunnen niet buiten de kaders denken. Daarnaast spelen culturele verschillen een rol. Nadat onderzoek door het Ambulatorium heeft plaatsgevonden en uit dat rapport volgde dat gewerkt moest worden aan terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder, hebben Jeugdzorg en de WSS daaraan niet meegewerkt. Het plan dat zij hadden opgesteld om de band tussen de moeder en de minderjarige te verbeteren, was gedoemd om te mislukken. De voorstellen van de moeder werden van de hand gewezen. De moeder heeft wel degelijk aan haar eigen problematiek gewerkt, maar kan daarin niet verder, omdat deze zaak nog geen definitief gevolg heeft. Overigens heeft de WSS niets gedaan om de moeder te begeleiden naar hulp.

6. De WSS stelt zich op het standpunt dat de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing terecht zijn verlengd. De moeder heeft zeven kinderen die allemaal bekend zijn bij de raad en die bij familie (op Curaçao) ondergebracht zijn of die uit huis geplaatst zijn. Volgens het rapport van het Ambulatorium zou terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder mogelijk zijn, mits aan bepaalde voorwaarden zou zijn voldaan. Aan die voorwaarden voldoet de moeder niet. Daarbij komt dat de bezoekmomenten tussen de moeder en de minderjarige niet goed verlopen. De minderjarige voelt zich onveilig bij de moeder. Voorts is de communicatie tussen de moeder en de gezinsvoogd slecht en verloopt de samenwerking moeizaam. De moeder accepteert geen aanwijzingen, onttrekt zich aan de hulpverlening en is onvoorspelbaar in haar gedrag.

7. Het hof overweegt als volgt. Een ondertoezichtstelling zoals bedoeld in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan slechts worden verleend indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Een machtiging tot uithuisplaatsing zoals bedoeld in artikel 1:261, eerste, lid BW, kan slechts worden verleend indien dat noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Het hof dient derhalve te onderzoeken of sprake is van een zodanige situatie.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en beslist zoals deze heeft gedaan. Het hof neemt de gronden over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep is niet gebleken van feiten of omstandigheden die kunnen leiden tot een andersluidend oordeel.

Uit het rapport van het Ambulatorium volgt dat een terugplaatsing van de minderjarige naar de moeder mogelijk zou zijn, mits aan bepaalde voorwaarden zou zijn voldaan. Nu de minderjarige nimmer met de moeder in gezinsverband heeft samengeleefd, heeft er tussen de moeder en de minderjarige geen hechtingsrelatie kunnen ontstaan. Om die reden was de eerste en belangrijkste voorwaarde dat het contact en de bezoeken tussen de moeder en de minderjarige werden geïntensiveerd, zodat tussen hen een (betere) band en vertrouwelijkheid zouden kunnen ontstaan. Daarnaast werd als voorwaarde genoemd dat de moeder in staat zou zijn om een hulpverleningsrelatie aan te gaan en daarvan te kunnen profiteren. De begeleidbaarheid van de moeder diende te worden verbeterd, zowel in de aanpak van haar persoonlijke problematiek als in de ondersteuning bij de opvoeding. Wat de oorzaak daar verder van zij, gebleken is dat in de afgelopen periode deze doelen niet zijn gehaald. De moeder is zeer betrokken op de minderjarige, maar krijgt het niet voor elkaar, door hetgeen in het verleden is gebeurd, om de hulpverlening positief te benaderen. Thans is een situatie ontstaan waarbij de minderjarige sinds haar geboorte, inmiddels ruim tweeënhalf jaar, uit huis geplaatst is en reeds bijna twee jaar in het huidige pleeggezin verblijft. De minderjarige is veilig gehecht bij de pleegouders. Kindfactoren gaan nu een belangrijke rol spelen. Het hof is van oordeel dat het in het belang van de ontwikkeling van de minderjarige en daarmee in haar belang bij stabiliteit en continuïteit in de verzorging en opvoeding noodzakelijk is dat de uithuisplaatsing van de minderjarige thans voort duurt. Dit brengt mee dat is voldaan aan de wettelijke gronden voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Van den Wildenberg en Jansen, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 april 2013.