Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ9448

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-01-2013
Datum publicatie
06-05-2013
Zaaknummer
22-000478-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft, teneinde zijn compagnon te helpen ontlastend bewijs in het strafproces van diens zoon te krijgen, twee bevriende politieambtenaren op schrift laten zetten dat zij op de hen getoonde beelden de zoon van medeverdachte [zoon van de verdachte] niet herkenden. Vervolgens hebben de verdachte en zijn medeverdachte willens en wetens hiervan valselijk stukken met een officieel karakter gemaakt door ze in rapporten te zetten, die waren opgemaakt met het logo van hun beveiligingsbedrijf en met vermelding van de functie van particulier onderzoeker.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000478-11

Parketnummer: 10-813375-10

Datum uitspraak: 3 januari 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 17 januari 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdrachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1953,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 24 april 2012 en 20 december 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 20 maart tot en met 23 maart 2010 te Leiden en/of te Leiderdorp en/of te Voorschoten en/of te Spijkenisse en/of te Rotterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, twee, althans één, rapport(en) van interview, zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader valselijk

- in dat/die rapport(en) (een) interview(s) beschreven/omschreven tussen [betrokkene 1] en/of

[betrokkene 2] enerzijds en/of verdachte anderzijds, zonder dat dit/deze interview(s) heeft/hebben plaatsgevonden en/of (vervolgens)

- (ter bevestiging van dat/die interview(s)) die [betrokkene 1] en/of die [betrokkene 2] dat/die rapport(en) doen/laten ondertekenen en/of (vervolgens)

- (ter bevestiging van dat/die interview(s)) dat/die rapport(en) ondertekend,

met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

De bevoegdheid van de rechtbank

De verdediging heeft betoogd dat het vonnis van de rechtbank Rotterdam dient te worden vernietigd aangezien de rechtbank - relatief - onbevoegd was.

Het hof gaat uit van het navolgende:

1. Op 23 maart 2010 vond in het gerechtsgebouw te Rotterdam een zitting plaats van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken tegen de verdachte [zoon van de verdachte] (hierna: de zoon) wegens - kort gezegd - betrokkenheid bij de strandrellen in Hoek van Holland. Tijdens deze zitting is door de raadsman van de zoon, mr. P.C.M. Ouwens, een pleitnota overgelegd met aangehecht twee verklaringen.

2. De eerste verklaring betreft een door [verdachte] (hierna: [verdachte]) als medewerker van het bedrijf [het bedrijf] opgemaakt rapport van interview met [betrokkene 2], inspecteur van politie Hollands Midden, dat op 20 maart 2010 gehouden zou zijn op het bedrijfsadres van [verdachte] in opdracht van mr. Ouwens. Het rapport vermeldt dat deze verklaring door zowel [verdachte] als [betrokkene 2] ondertekend is op 20 maart 2010 te Voorschoten. Onderaan de verklaring staan de handtekeningen van beide heren.

3. De tweede verklaring betreft een door [verdachte] als medewerker van het bedrijf [het bedrijf] opgemaakt rapport van interview met [betrokkene 1], inspecteur van het Korps Landelijke Politiediensten, dat op 21 maart 2010 gehouden zou zijn op het bedrijfsadres van [verdachte] in opdracht van mr. Ouwens. Het rapport vermeldt dat deze verklaring door zowel [verdachte] als [betrokkene 1] ondertekend is op 21 maart 2010 te Voorschoten. Onderaan de verklaring staan de handtekeningen van beide heren.

4. De tenlastelegging welke aan [zoon van de verdachte] betekend is op

22 december 2010, luidt voor zover van belang als volgt:

"dat hij in of omstreeks de periode van 20 maart 2010 tot en met 22 maart 2010 te Voorschoten en/of Leiden, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, twee, althans één, rapport(en) - zijnde (een) geschrift (en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte [verdachte] valselijk

- in voornoemd(e) rapport(ten) (een) interview(s) beschreven/omschreven tussen [betrokkene 1] en/of

[betrokkene 2] enerzijds en/of zijn medeverdachte anderzijds, zonder dat dit/deze interview(s) hebben/heeft plaatsgevonden, en/of (ter bevestiging daarvan) die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] voornoemd(e) rapport(en) doen ondertekenen en/of (vervolgens) voornoemd(e) rapport(en) van zijn medeverdachtes handtekening voorzien".

5. De tenlastelegging welke aan [verdachte] betekend is op 7 december 2010, luidt voor zover van belang als volgt:

"dat hij in of omstreeks de periode van 20 maart 2010 tot en met 22 maart 2010 te Voorschoten en/of Leiden, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, twee, althans één, rapport(en) - zijnde (een) geschrift (en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte valselijk

- in voornoemd(e) rapport(ten) (een) interview(s) beschreven/omschreven tussen [betrokkene 1] en/of

[betrokkene 2] enerzijds en/of zijn medeverdachte anderzijds, zonder dat dit/deze interview(s) hebben/heeft plaatsgevonden, en/of (ter bevestiging daarvan) die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] voornoemd(e) rapport(en) doen ondertekenen en/of (vervolgens) voornoemd(e) rapport(en) van zijn, verdachtes handtekening voorzien".

6. Op 17 januari 2011 heeft de strafzaak tegen [zoon van de verdachte] en [verdachte] gediend voor de Politierechter in de rechtbank Rotterdam op basis van de onder 4 en 5 weergegeven tenlastelegging. De zaken zijn gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld. Beide verdachten zijn verschenen en waren voorzien van rechtsgeleerde bijstand in de persoon van dezelfde raadsman die hen in hoger beroep heeft bijgestaan. Tijdens de zitting op 17 januari 2011 is door de raadsman geen beroep gedaan op de relatieve onbevoegdheid van de Politierechter om kennis te nemen van de zaken tegen verdachten. Eerst in hoger beroep is dit punt naar voren gebracht.

Het hof overweegt als volgt.

Blijkens het arrest HR 30.6.2009, LJN BI4030 moet de relatieve competentie worden beoordeeld op de grondslag van de tenlastelegging zoals die - in voorkomend geval met inachtneming van artikel 322, vierde lid, Wetboek van Strafvordering - luidt ten tijde van de behandeling van de zaak in eerste aanleg. De wijziging van de tenlastelegging welke in hoger beroep heeft plaatsgevonden brengt derhalve geen verandering in de aan- dan wel afwezigheid van relatieve competentie.

Blijkens de verklaring van de raadsman ter zitting van 20 december 2012 is eerst na afloop van de behandeling in eerste aanleg de wens opgekomen de relatieve bevoegdheid om de zaak in het arrondissement Rotterdam te behandelen ter discussie te stellen. De verdediging is in de gelegenheid geweest om bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg een beroep te doen op de onbevoegdheid van de rechtbank. Dat de verdediging dit niet heeft gedaan betekent niet dat nadien, alsnog, in hoger beroep met vrucht een beroep kan worden gedaan op de onbevoegdheid van de rechtbank (HR 6.3.2012, LJN BU6094). Het hof is ook ambtshalve niet gebleken van processuele of andere (zwaarwegende) redenen gebleken om van dit uitgangspunt af te wijken. Dit brengt mee dat verweer wordt verworpen.

Nietigheid van de tenlastelegging

Bij arrest van 8 mei 2012 heeft het hof het onderzoek heropend en geschorst. Ter zitting van 20 december 2012 heeft het hof, met instemming van de verdediging en het Openbaar Ministerie, de behandeling van de zaak hervat in de stand waarin deze zich toen bevond.

Geen rechtsregel verzet zich tegen een wijziging van de tenlastelegging in deze stand van het geding. Op 19 december 2012 is het concept van de wijziging tenlastelegging naar de verdediging gefaxt. De raadsman heeft ter zitting bevestigd deze vordering op voorhand ontvangen te hebben. De stelling dat deze wijziging tarief zou zijn en kennelijk door het Openbaar Ministerie alleen wordt gedaan om aan de relatieve onbevoegdheid van de rechtbank te Rotterdam te ontkomen, mist betekenis, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. Dat deze wijziging voor het overige strijd zou opleveren met de beginselen van een goede procesorde is gesteld noch gebleken. Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het hof gebleken dat de verdachten wisten waartegen zij zich hadden te verdedigen.

Hetgeen op 24 april 2012 overigens inzake de nietigheid van de tenlastelegging is aangevoerd, is naar het oordeel van het hof ondervangen door de gewijzigde tekst van de tenlastelegging.

Verzoek nader onderzoek

Het hof acht zich voldoende voorgelicht en wijst het verzoek tot verrichten van nader onderzoek, zoals gedaan ter terechtzitting van 20 december 2012, af.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverweging

Betwist wordt dat de verdachte het opzet heeft gehad het feit te plegen. Verdachte heeft wellicht lichtzinnig gehandeld, maar hij heeft niet beseft dat hij door zijn handelingen (de aanmerkelijke kans liep dat hij) een misdrijf zou plegen.

Dit verweer wordt verworpen.

Het hof gaat uit van de volgende feiten:

a. De zoon van de verdachte [zoon van de verdachte] bevond zich in voorlopige hechtenis op verdenking van betrokkenheid bij de zogeheten strandrellen in Hoek van Holland. De strafzaak tegen deze zoon werd op 23 maart 2010 behandeld (zie hiervoor onder 1).

b. Verdachte [zoon van de verdachte], voormalig politieman, heeft [betrokkene 1] gebeld met het verzoek naar beelden op 'Youtube' te komen kijken. Verdachte [zoon van de verdachte] verzocht [betrokkene 1] een stukje op papier te zetten voor de advocaat over de herkenning van de zoon van [zoon van de verdachte]. Hij heeft daarbij tevens verteld dat de zaak de volgende dag voor zou komen. [betrokkene 1] heeft kennelijk op 22 maart 2010 in de woning van de verdachte [zoon van de verdachte] te Leiden op de laptop de beelden van de strandrellen bekeken en in het programma 'Word' een korte verklaring opgesteld op verzoek van de verdachte [zoon van de verdachte]. Verdachte [zoon van de verdachte] heeft de tekst opgeslagen en 'geplakt' in een document met daarin de tekst van een interview door verdachte [verdachte] van [HET BEDRIJF] (blz. 30 van proces-verbaal PL17RO214).

c. Verdachte [zoon van de verdachte] heeft [betrokkene 2] gebeld met de vraag of hij bij [zoon van de verdachte] thuis wilde langs komen in verband met de rechtszaak van zijn zoon. Daar vertelde de verdachte [zoon van de verdachte] [betrokkene 2] dat zijn zoon de dinsdag erop moest voorkomen. Verdachte [zoon van de verdachte] vroeg [betrokkene 2] of hij naar twee filmpjes wilde kijken of hij de zoon herkende.

[betrokkene 2] heeft op 20 maart 2010 in de woning van de verdachte [zoon van de verdachte] te Leiden een verklaring opgesteld. Verdachte [zoon van de verdachte] zei dat hij de zaak op papier van zijn bedrijf wilde afprinten, zodat het netjes op schrift, via de advocaat, bij de rechter-commissaris gevoegd kon worden. De daaropvolgende maandag heeft [betrokkene 2] een verklaring ondertekend in Leiderdorp (idem blz. 35, 36, 38).

d. Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat de zoon van [zoon van de verdachte] was aangehouden in verband met de strandrellen in Hoek van Holland. Verdachte [zoon van de verdachte] vertelde hem dat hij twee verklaringen wilde opnemen van getuigen in verband met de zaak van zijn zoon. Deze verklaringen moesten op maandag worden aangeleverd bij de rechtbank. Er was dus nog maar korte tijd over. Verdachte [zoon van de verdachte] vroeg de verdachte [verdachte] of hij de verklaringen onder [verdachte]s naam kon opnemen zodat er geen belangenverstrengeling zou optreden. Het zou raar zijn als de vader van de verdachte zelf de verklaringen zou opnemen. Verdachte [verdachte] stemde in met het voorstel van de verdachte [zoon van de verdachte] en sprak met hem af dat hij deze verklaringen de volgende dag zou ondertekenen in Voorschoten. Deze verklaringen konden dan op maandagmiddag naar de rechtbank zodat ze daar op tijd zouden zijn voor de zitting (idem blz. 44).

e. Verdachte [zoon van de verdachte] heeft verklaard dat de zitting van zijn zoon al snel zou volgen. Hij sprak af met de raadsman van zijn zoon dat hij de mening van twee kennissen op papier zou zetten en zo spoedig mogelijk aan de raadsman zou aanleveren. Op 20 maart 2010 heeft [betrokkene 2] in de woning van de verdachte [zoon van de verdachte] te Leiden twee filmpjes bekeken en zelf een stukje tekst met zijn bevindingen in een blanco 'Word' document getypt. Verdachte [zoon van de verdachte] heeft dat documentje opgeslagen in de laptop. Nadat [betrokkene 2] weg was heeft hij zelf tekst bijgevoegd, de standaardtekst die je als particulier onderzoeksbureau gebruikt. Als interviewer staat in dit document verdachte [verdachte] genoemd. Verdachte [zoon van de verdachte] vond het namelijk een beetje raar om hem zelf als verhoorder te noemen terwijl het om zijn zoon ging.

[betrokkene 1] is op 21 maart 2010 bij de verdachte [zoon van de verdachte] thuis in Leiden geweest. Ook hij heeft zijn bevindingen getypt in een blanco 'Word' document in zijn laptop. Verdachte [zoon van de verdachte] heeft op dezelfde wijze dit document aangepast. Verdachte [zoon van de verdachte] was bang dat de officier van justitie moeilijk zou doen over de vader-zoon relatie als zijn naam in de documenten zou staan (idem blz. 48 t/m 50).

Het hof stelt voorop dat de zogeheten rapporten van interview, idem blz. 18 tot 22, niet overeenkomstig de waarheid zijn opgemaakt wat betreft het kader waarin de zogenaamde gesprekken plaats vonden, de interviewer en de locatie waar een en ander zou hebben plaatsgevonden.

Beide verdachten waren hierbij betrokken. [zoon van de verdachte] als degene die de documenten daadwerkelijk veranderde, [verdachte] als de persoon die met de veranderingen instemde en de geschriften als interviewer ondertekende terwijl hij op geen enkele wijze bij het daadwerkelijke interview betrokken was.

Deze gang van zaken brengt mee dat deze rapporten valselijk opmaakt zijn in de zin van artikel 225, eerste lid, Wetboek van Strafrecht. Hieraan doet niet af dat deze rapporten overigens kennelijk waarheidsgetrouw opgemaakt zijn voor wat betreft de observaties van beide politiefunctionarissen, aangezien door de veranderingen een onjuist beeld is ontstaan omtrent de identiteit van de auteur die dat geschrift heeft opgesteld en dus omtrent de herkomst daarvan (HR 14.12.1999, LJN ZD1670).

De documenten waren bestemd om in te brengen in de strafzaak tegen de zoon van [zoon van de verdachte] op 23 maart 2010 en dit is ook wat de beide verdachten beoogden. De veranderingen waren aangebracht met het doel voor de officier van justitie (en ook de meervoudige kamer van de rechtbank) te verhullen dat de verdachte [zoon van de verdachte] als vader een actieve rol had bij de totstandkoming van deze verklaringen, waarvan de strekking was dat zij ontlastend waren voor de betrokkenheid van zoon [zoon van de verdachte] bij de strandrellen (HR 12.5.1998, LJN ZD1033).

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 20 maart tot en met 23 maart 2010 te Leiden en te Leiderdorp en te Voorschoten tezamen en in vereniging met een ander twee, rapporten van interview, zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen heeft vervalst, immers hebben verdachte en zijn mededader valselijk

- in die rapporten een interview beschreven tussen [betrokkene 1] en

[betrokkene 2] enerzijds en verdachte anderzijds, zonder dat deze interviews hebben plaatsgevonden en vervolgens

- ter bevestiging van die interviews die [betrokkene 1] en die [betrokkene 2] dat rapport laten ondertekenen en vervolgens

- ter bevestiging van die interviews die rapporten ondertekend,

met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft, teneinde zijn compagnon te helpen ontlastend bewijs in het strafproces van diens zoon te krijgen, twee bevriende politieambtenaren op schrift laten zetten dat zij op de hen getoonde beelden de zoon van medeverdachte [zoon van de verdachte] niet herkenden. Vervolgens hebben de verdachte en zijn medeverdachte willens en wetens hiervan valselijk stukken met een officieel karakter gemaakt door ze in rapporten te zetten, die waren opgemaakt met het logo van hun beveiligingsbedrijf en met vermelding van de functie van particulier onderzoeker. Dit zijn ernstige strafbare feiten.

Met deze handelwijze heeft de verdachte de officier van justitie en de rechtbank misleid. Bovendien heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in particuliere recherchebureaus kan worden gesteld.

Het hof houdt in het voordeel van de verdachte rekening met de omstandigheden dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen, dat deze strafzaak grote gevolgen heeft gehad voor zijn beveiligingsbedrijf, en tenslotte dat, naar het hof wil aannemen, de verdachte al deze consequenties van zijn handelen niet heeft overzien.

Het hof is - alles overwegende, mede gelet op de omstandigheid dat de verdachte thans het onjuiste van zijn handelen in ziet - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c en 22d, zoals zij heden gelden, en artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. T.W.H.E. Schmitz,

mr. T.J.P. van Os van den Abeelen en mr. N. Zandbergen, in bijzijn van de griffier mr. C.J.A. Sabatier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 januari 2013.

mrs. T.J.P. van Os van den Abeelen en N. Zandbergen zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.