Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ9250

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
02-05-2013
Zaaknummer
22-005702-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van drie medewerksters van de afdeling van Parnassia waar hij verbleef. De verdachte heeft, toen de drie medewerksters niet snel genoeg zijn kamer verlieten, aldus buitengewoon gewelddadig gereageerd op professionele hulpverleners.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 342 (driehonderdtweeënveertig) dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-005702-12

Parketnummer: 09-901171-11

Datum uitspraak: 24 april 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 november 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1970,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 4 april 2012, 2 juli 2012, 18 september 2012 en 13 november 2012 en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 10 april 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 342 dagen, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn beslissingen gegeven omtrent de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen, met oplegging van schadevergoedingsmaatregelen, een en ander als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 12 december 2011 te

's-Gravenhage opzettelijk:

- [benadeelde partij 1] een kerstboom tegen de arm heeft gegooid en/of aan de haren (over de grond) heeft getrokken en/of

- [benadeelde partij 2] (meermalen) in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of

- [benadeelde partij 3] tegen het lichaam heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden;

2. hij op of omstreeks 13 december 2011 te

's-Gravenhage [benadeelde partij 4] (brigadier van politie aan het politiebureau Loosduinen, politie Haaglanden) en/of een of meer (andere) politieambtenaren (van de politie Haaglanden, althans van het district Den Haag) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk die [benadeelde partij 4] dreigend de woorden toegevoegd: "De volgende keer dat jullie hier komen, steek ik een van jullie collega's dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Uitdrukkelijk voorgedragen verweren en onderbouwde standpunten

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw verzocht een e-mailbericht d.d. 8 april 2013 van [benadeelde partij 1], niet te voegen in het dossier en buiten beschouwing te laten bij de beoordeling van het onder 1 ten laste gelegde. Daartoe heeft zij aangevoerd dat [benadeelde partij 1] weliswaar slachtoffer is ter zake van het onder 1 ten laste gelegde, maar dat zij geen vordering tot schadevergoeding heeft ingediend.

Voorts is namens de verdachte door de raadsvrouw, overeenkomstig haar overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnotities en zoals ter terechtzitting in hoger beroep aangevuld - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

1. De verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde mishandelingen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3]. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte een slaande beweging in de richting van [benadeelde partij 3] heeft gemaakt, maar dat niet is gebleken van letsel en voorts dat de verdachte een kerstboom in de richting van [benadeelde partij 1] heeft gegooid, maar dat hij geen opzet had op het toebrengen van letsel of pijn aan [benadeelde partij 1].

2. Tevens dient de verdachte te worden vrijgesproken van de onder 2 ten laste gelegde bedreiging - ook na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep - nu de dreigende woorden niet waren gericht tegen de verbalisant tegen wie deze werden geuit, noch tegen andere politieambtenaren van de politie Haaglanden.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Voeging in het dossier

Het hof heeft evenals de advocaat-generaal voorafgaande aan de zitting, en de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep van 10 april 2013, kennis genomen van een per fax op 8 april 2013 ingekomen e-mailbericht van dezelfde datum opgesteld door [benadeelde partij 1].

Het hof stelt het volgende vast.

Eerder genoemd e-mailbericht is opgesteld door het slachtoffer [benadeelde partij 1] en gericht aan de advocaat-generaal, ter zake van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde. Het slachtoffer heeft zich niet als benadeelde partij in het strafproces gevoegd overeenkomstig artikel 51f Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), noch heeft zij spreekrecht op grond van het bepaalde in artikel 51e, lid 4 Sv, nu het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde artikel 300 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) daarin niet wordt genoemd.

Op grond van artikel 51b lid 2 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het slachtoffer aan de officier van justitie verzoeken documenten die hij relevant acht voor de beoordeling van de zaak tegen de verdachte aan het dossier toe te voegen. Het hof is van oordeel dat, gelet op het voorgaande en nu genoemd e-mailbericht is gericht aan de advocaat-generaal, dit stuk - overeenkomstig haar standpunt, anders dan de raadsvrouw, dient te worden gevoegd in het dossier. Het verzoek van de raadsvrouw wordt derhalve afgewezen.

Ter zake van de door de raadsvrouw gevoerde verweren overweegt het hof als volgt.

Feit 1

[benadeelde partij 1] heeft verklaard dat zij, nadat de verdachte had gezegd dat hij het te druk vond, de kamer wilde verlaten. De verdachte gooide daarop een kerstboom met een formaat van ongeveer 50 centimeter in haar richting, die zij met haar linkerarm afweerde. Hierdoor voelde zij een hevige pijn aan die arm. Toen zij met [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2] terug kwam in de kamer van de verdachte, zag zij dat de verdachte een slaande beweging maakte in de richting van [benadeelde partij 3] en dat hij [benadeelde partij 2] meermalen met zijn vuisten op het hoofd raakte. Bij [benadeelde partij 1] is blijkens de medische verklaring een kneuzing aan de linkerarm geconstateerd.

[benadeelde partij 3] heeft verklaard dat zij met [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] in de kamer van de verdachte stond en dat hij schreeuwde dat zij de kamer uit moesten gaan. Daarop heeft de verdachte [benadeelde partij 2] meerdere keren geslagen en [benadeelde partij 3] op haar rug geslagen toen zij weg probeerde te rennen. [benadeelde partij 3] voelde een hevige pijn op haar rug en later voelde zij pijn aan haar ribben.

[benadeelde partij 2] heeft verklaard dat zij samen met haar collega's [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] de kamer van de verdachte in ging en dat hij op haar af kwam lopen. De verdachte heeft [benadeelde partij 2] met een vuist in haar gezicht geslagen, wat erg veel pijn deed. [benadeelde partij 2] zag dat de verdachte ook haar collega's begon te slaan en toen zij dit probeerde te beletten, sloeg hij haar twintig keer in haar gezicht en op haar bovenlichaam. Een arts heeft geconstateerd dat [benadeelde partij 2] zwellingen op haar jukbeen, op haar voorhoofd en achter haar rechteroor had en tevens een hersenschudding had.

Het hof acht op grond van het vorenstaande bewezen dat de verdachte [benadeelde partij 2] heeft mishandeld door haar meermalen tegen het hoofd en lichaam te slaan.

Naar het oordeel van het hof past het bij [benadeelde partij 1] waargenomen letsel niet bij de verklaring van de verdachte dat hij de kerstboom tegen de muur heeft gegooid en dat een scherf van die kerstboom is afgebroken en tegen [benadeelde partij 1] is aangekomen, terwijl dit wel past bij de verklaring van [benadeelde partij 1] over de kerstboom. Het hof is van oordeel dat de verdachte - door een kerstboom in de richting van [benadeelde partij 1] te gooien, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze haar zou raken, dan wel dat zij ter afwering daarvan letsel op zou lopen, en acht dan ook bewezen dat hij [benadeelde partij 1] heeft mishandeld. Het hof acht niet bewezen dat de verdachte [benadeelde partij 1] aan de haren heeft getrokken, nu dit geen steun vindt in de overige bewijsmiddelen, zodat de verdachte van dit onderdeel zal worden vrijgesproken.

De mishandeling van [benadeelde partij 3] wordt bevestigd door de verklaringen van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1]. Het hof acht derhalve bewezen dat de verdachte [benadeelde partij 3] heeft mishandeld door haar tegen het lichaam te slaan. De omstandigheid dat een medische verklaring ter zake van het letsel van [benadeelde partij 3] in het dossier ontbreekt, doet daar niet aan af en maakt dit oordeel niet anders.

Feit 2

De politieambtenaar [benadeelde partij 4] heeft verklaard dat de verdachte voor hem kwam staan, hem in zijn gezicht aan keek en tegen hem zei: "De volgende keer dat jullie hier komen, steek ik een van jullie collega's dood". [benadeelde partij 4] nam de bedreiging serieus omdat hij in het verleden meermalen tijdens diensttijd met de verdachte heeft gevochten en vanwege het feit dat de verdachte dit zei met een zeer ijzige blik. [getuige], die in haar hoedanigheid van politieambtenaar daarbij aanwezig was, heeft verklaard dat zij hoorde dat de verdachte de tenlastegelegde uitingen deed, terwijl hij in de richting van [benadeelde partij 4] keek.

Naar het oordeel van het hof zijn de door de verdachte geuite bewoordingen van dien aard en onder zodanige omstandigheden geuit - waarbij het hof in aanmerking neemt dat dit is gebeurd in het bijzijn van [getuige] - dat bij [benadeelde partij 4] de redelijke vrees kon ontstaan dat de verdachte hem of een van zijn collega-politieambtenaren, waaronder [getuige], bij een volgende ontmoeting zou neersteken.

Het hof acht op grond van het vorenstaande bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verbale bedreiging zowel van [benadeelde partij 4], als van andere politieambtenaren van de politie Haaglanden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 december 2011 te 's-Gravenhage opzettelijk:

- [benadeelde partij 1] een kerstboom tegen de arm heeft gegooid en

- [benadeelde partij 2] meermalen in het gezicht en tegen het lichaam heeft geslagen en

- [benadeelde partij 3] tegen het lichaam heeft geslagen, waardoor deze letsel hebben bekomen en pijn hebben ondervonden;

1. hij op 13 december 2011 te 's-Gravenhage [benadeelde partij 4] (brigadier van politie aan het politiebureau Loosduinen, politie Haaglanden) en een of meer andere politieambtenaren van de politie Haaglanden, althans van het district Den Haag heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht immers heeft verdachte opzettelijk die [benadeelde partij 4] dreigend de woorden toegevoegd: "De volgende keer dat jullie hier komen, steek ik een van jullie collega's dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Mishandeling, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat aan de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal worden opgelegd, waarbij de totale duur van de maatregel, gelet op het artikel 38e Sr, de periode van vier jaren niet te boven zal gaan (de zogenoemde gemaximeerde terbeschikkingstelling).

Strafmotivering

De ernst van de feiten

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van drie medewerksters van de afdeling van Parnassia waar hij verbleef. De verdachte heeft, toen de drie medewerksters niet snel genoeg zijn kamer verlieten, het onder 1 bewezenverklaarde begaan en aldus buitengewoon gewelddadig gereageerd op professionele hulpverleners.

Met deze handelwijze heeft de verdachte de betrokkenen pijn en/of letsel toegebracht. In het bijzonder de aangeefster [benadeelde partij 2] heeft ernstige gevolgen ondervonden van de woede-uitbarsting van de verdachte, gezien haar letsel en daarnaast heeft zij aanzienlijke emotionele schade opgelopen; zo kon zij pas zes maanden na het incident weer fulltime werken.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verbale bedreiging van de aangever [benadeelde partij 4] en zijn collega's van de politie Haaglanden, waaronder de daarbij aanwezige [getuige]. [benadeelde partij 4], die in het verleden al gewelddadige ervaringen met de verdachte had gehad, werd door hem de vrees aangejaagd dat hij of een van zijn collega's bij een volgend contact met de verdachte door hem zou worden neergestoken.

Tegen dergelijke ernstige feiten dient streng te worden opgetreden.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 maart 2013, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, met name vermogensdelicten. Aan de verdachte is in 2006 ter zake van onder andere mishandeling en meerdere bedreigingen de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar opgelegd en in 2009 ter zake van mishandeling de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar. Al deze eerdere veroordelingen hebben hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

De persoonlijke omstandigheden

Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de volgende rapporten:

1. De Pro Justitia rapporten d.d. 9 maart 2012 van

T.V. van Lent, psychiater, respectievelijk d.d. 11 maart 2011 van drs. W.J.L. Lander, klinisch psycholoog. Hoewel de verdachte niet heeft meegewerkt aan de rapporten, is bij hem de diagnose gesteld dat hij lijdende is aan een recidiverende psychose in het kader van paranoïde schizofrenie, antisociale persoonlijkheid en een afhankelijkheid van alcohol en drugs. Er zijn echter aanwijzingen dat geen sprake was van een floride psychose ten tijde van het begaan van de delicten.

2. Een rapport van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) d.d. 9 oktober 2012, opgesteld door P. van Vliet, psycholoog en M.F. de vries, psychiater onder supervisie van D. Daniëls, psychiater. Hieruit blijkt het volgende. Bij de verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van een cognitieve stoornis niet anders omschreven (NAO), een afhankelijkheid van alcohol (met een fysiologische afhankelijkheid) en cannabis en een apart gecodeerde afhankelijkheid van verschillende middelen. Daarnaast is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een lichte zwakzinnigheid bij een IQ van 62, en waarbij de kans groot is dat het intellectueel vermogen is aangetast door excessief alcohol- en drugsgebruik. Het lijkt erop dat de door de verdachte ervaren psychotische klachten zijn ontstaan door ernstig middelenmisbruik, waardoor de diagnose van schizofrenie of een psychose NAO niet kan worden gesteld, hoewel het bestaan van één van deze vormen van psychose evenmin kan worden uitgesloten. Aannemelijk is dat de bij de verdachte geconstateerde cognitieve stoornis NAO, alsmede zijn beperkte intellectuele vermogens een doorwerking hebben gehad op de ten laste gelegde feiten. Hieruit vloeit een patroon van gedragingen en gedragskeuzes voort, waarbij hij nare situaties en emoties zoveel mogelijk probeert te vermijden en waarbij hij, als dat niet lukt, vanuit zijn beperkt probleemoplossend vermogen en zijn beperkte impulsregulatie 'van zich af slaat' en zodoende in agressief gedrag vervalt. De deskundigen adviseren de verdachte voor beide feiten als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De deskundigen komen niet tot het advies om de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Een ambulante of klinische behandeling is gedoemd te mislukken vanwege verdachtes problematiek en geringe behandelmotivatie. Mocht de rechtbank, bij bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, het recidiverisico van dien aard vinden dat een behandeling in een juridisch kader gerechtvaardigd is, dan heeft, wil men de kans op recidive verkleinen, alleen een jarenlange gedwongen klinische behandeling kans van slagen.

3. Een reclasseringsadvies van Palier forensische & intensieve zorg d.d. 12 november 2012, opgesteld door R. Liekens-Willems. Hierin wordt als meest wenselijk optie geadviseerd een klinische opname in een zorginstelling gekoppeld aan een voorwaardelijk strafdeel om als 'stok achter de deur' te kunnen fungeren.

Voorts heeft het hof kennis genomen van de stukken ingebracht door de raadsvrouw, voorafgaande aan de terechtzitting in hoger beroep:

4. Een ongedateerd rapport van Palier forensische & intensieve zorg, opgesteld door B. Rotteveel met betrekking tot het verloop van de behandeling van de verdachte in de periode november 2012 tot en met maart 2013. Hieruit blijkt dat de verdachte sinds november 2012 tweemaal per week op de poli komt voor zijn medicatie en gesprekken voert met een casemanager en een veiligheidscoördinator met betrekking tot huisvesting en het omgaan met oplopende spanningen om agressiedelicten te voorkomen. De verdachte komt zijn afspraken na en sinds zijn verblijf op de daklozenboot is hij stabieler.

5. Een brief d.d. 8 april 2013 van A. Gougon van Limor, Housing First. De verdachte wordt sinds 14 februari 2013 intensief ambulant begeleid door Limor bij het vinden van een eigen woning en dagbesteding en tevens ten aanzien van financiën, psychische gezondheid, verzorging en administratie. In afwachting van een eigen woning, waarvoor de wachttijd ongeveer drie maanden bedraagt, verblijft de verdachte op de daklozenboot. Hij gebruikt geen verslavende middelen meer, is afsprakentrouw, houdt zich aan de voorwaarden van budgetbeheer en er zijn enkele betalingsregelingen getroffen. Het traject Housing First biedt de verdachte een kans een gezond leefritme terug te vinden.

De maatregel van terbeschikkingstelling

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de vraag die het hof ten eerste dient te beantwoorden, is of het passend en geboden is om aan de verdachte de maatregel van tbs met dwangverpleging op te leggen. Artikel 37a Sr noemt als voorwaarden hiervoor: een feit dat wordt bedreigd met ten minste vier jaar gevangenisstraf. Op mishandeling staat een maximum van drie jaar gevangenisstraf. De maatregel kan dan ook uitsluitend worden opgelegd ter zake van de onder 2 bewezen verklaarde verbale bedreigingen, nu dit feiten betreft waarop weliswaar maximaal slechts twee jaar gevangenisstraf staat, maar bedreiging wel apart is vermeld in artikel 37a, eerste lid, sub 1 Sr als feit waarvoor tbs kan worden opgelegd. De verbale bedreigingen zijn feiten die zich qua ernst bevinden aan de ondergrens van de feiten op grond waarvan deze maatregel kan worden opgelegd.

De advocaat-generaal heeft ten aanzien van de ernst en het risico op recidive gewezen op de veelvuldige eerdere veroordelingen van de verdachte, die het hof op grond van artikel 37a, vierde lid, Sr, bij zijn oordeel dient te betrekken. De verdachte is in 2006, 2008 en 2009 veroordeeld voor eenvoudige mishandeling. Blijkens de deskundigen van het PBC bestaat bovendien een hoog risico op recidive.

Het hof is van oordeel dat het geconstateerde gevaar dat de verdachte in herhaling valt, zonder meer zorgwekkend is. De verdachte probeert problemen uit de weg te gaan en gebruikt kennelijk geweld wanneer dat niet lukt, omdat hij geen andere oplossingsstrategieën heeft. De maatregel van tbs is echter een middel dat diep en langdurig ingrijpt in het leven van de betrokkene en daarom worden er strenge voorwaarden gesteld aan de oplegging daarvan. Eén daarvan is het inwinnen van het advies van tenminste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die echter beiden negatief hebben geadviseerd.

Het hof is bevoegd af te wijken van het gegeven advies, op grond van goede en onderbouwde argumenten, die in het onderhavige geval naar het oordeel van het hof echter ontbreken. De deskundigen hebben rekening gehouden met het herhalingsgevaar en zij achten het van belang dat de ernst van het geweld in de loop van de jaren niet is toegenomen, zoals blijkt uit het verrichte onderzoek, alsmede uit het strafblad van de verdachte.

Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de oplegging van de maatregel van tbs geen passende strafrechtelijke reactie is.

Op grond van hetgeen door de raadsvrouw aan schriftelijke stukken omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is ingebracht, stelt het hof vast dat de verdachte recentelijk - kennelijk deels op eigen kracht, met begeleiding van zowel Palier forensische & intensieve zorg als Limor, Housing First, en met steun van zijn familie en zijn raadsvrouw - bezig is om zijn leven weer op orde te krijgen. De verdachte is sinds zijn vrijlating op 27 november 2012 niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen, hij gebruikt geen verslavende middelen meer en verblijft thans op de daklozenboot in afwachting van een zelfstandige woning. Het contact met zijn huidige hulpverleners verloopt goed, de verdachte is afsprakentrouw en hij heeft twee maal per week een afspraak met een psycholoog van Palier. Blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep is de verdachte gemotiveerd zijn leven weer op de rails te zetten en niet meer met justitie in aanraking te komen en hij is bovendien bereid tot betaling van schadevergoeding ten behoeve van de benadeelde partijen.

De op te leggen straf

Bij het bepalen van de op te leggen straf, houdt het hof rekening met de hoogte van de straffen die in de regel voor soortgelijke feiten worden opgelegd, waarbij het hof zwaar tilt aan de ernst van de mishandeling van [benadeelde partij 2]. Voorts weegt het hof ten nadele van de verdachte mee dat het gaat om meerdere mishandelingen begaan jegens zijn behandelaars en verbale bedreigingen van meerdere dienaren met een publieke taak, dat de verdachte in het verleden meerdere keren voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Anderzijds neemt het hof in aanmerking dat de verdachte volgens de deskundigen als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd, hetgeen het hof overneemt.

Het hof ziet - alles overwegende, uit het oogpunt van generale en speciale preventie - geen mogelijkheid de verdachte een andere of lagere straf op te leggen dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 342 dagen, gelijk aan de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof acht dit een passende en geboden reactie en ziet, gezien de duur van de reeds ondergane hechtenis geen ruimte meer voor een aan een voorwaardelijke strafdeel gekoppelde gedwongen klinische behandeling, zoals door de deskundigen van het PBC als mogelijkheid is voorgesteld.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële en materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 10.568,37, bestaande uit € 218,37 ter zake van materiële schade en € 10.350,- ter zake van immateriële schade.

Nu de benadeelde partij zich in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd, is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg gevorderde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.468,37, bestaande uit € 218,37 ter zake van materiële schade en € 1.250,- ter zake van immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte primair betwist en subsidiair is bepleit tot gedeeltelijke toewijzing conform het vonnis van de rechtbank.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 218,37.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 1.250,-.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.468,37 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 2].

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 3]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 133,52.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij evenwel aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve geheel worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 133,52 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 3].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 342 (driehonderdtweeënveertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde partij 2] terzake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.468,37 (duizend vierhonderdachtenzestig euro en zevendertig cent), bestaande uit € 218,37 (tweehonderdachttien euro en zevendertig cent) als vergoeding voor materiële schade en € 1.250,- (twaalfhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], een bedrag te betalen van € 1.468,37 (duizend vierhonderdachtenzestig euro en zevendertig cent), bestaande uit € 218,37 (twee honderdachttien euro en zevendertig cent) als vergoeding voor materiële schade en € 1.250,- (twaalfhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 24 (vierentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 133,52 (honderddrieëndertig euro en tweeënvijftig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3], een bedrag te betalen van € 133,52 (honderddrieëndertig euro en tweeënvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. F.A.M. Bakker,

mr. R.C. Langeler en mr. M.J. de Haan-Boerdijk, in bijzijn van de griffier mr. C.J.A. Sabatier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 april 2013.