Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ9222

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-04-2013
Datum publicatie
02-05-2013
Zaaknummer
22-000455-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde (in een hulpeloze toestand achterlaten van benadeelde partij na een verkeersongeluk) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000455-12

Parketnummer: 09-645172-11

Datum uitspraak: 12 april 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 24 januari 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1986,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 30 juli 2012 en 29 maart 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 oktober 2010 te 's-Gravenhage, als bestuurder van een motorrijtuig (auto), die bij een verkeersongeval was betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, de plaats van het ongeval, te weten de Rijswijkseweg, heeft verlaten, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aan een ander (te weten [benadeelde partij]) letsel en/of schade was toegebracht en die [benadeelde partij] in hulpeloze toestand werd achtergelaten.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Op de verdachte rust -kort en zakelijk weergegeven- de verdenking dat hij betrokken is geweest bij een verkeersongeval op de Rijswijkseweg in Den Haag en dat hij de plaats van dat ongeval heeft verlaten, terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat aan het latere slachtoffer, te weten: de heer [benadeelde partij], letsel was toegebracht en dat hij deze persoon in een hulpeloze toestand heeft achtergelaten. Het slachtoffer is met zwaar lichamelijk letsel op het midden van de rijbaan van de Rijswijkseweg door verbalisanten aangetroffen en enkele weken later als gevolg van zijn verwondingen komen te overlijden.

De verdenking wordt met name gevoed door de verklaring van de getuige [getuige], die -kort gezegd- tegen een politieman heeft verklaard dat hij een harde klap hoorde en zag dat een man enkele meters door de lucht vloog en vervolgens op de rijbaan terecht kwam, waarbij een rode Volkswagen Golf van de man wegreed, terwijl hij geen andere voertuigen op de betreffende rijbaan zag rijden. De getuige heeft hierbij een kenteken opgegeven. De verdachte is korte tijd hierna aangehouden nadat een verbalisant hem uit een rode Volkswagen Golf met het door de getuige genoemde kenteken zag stappen.

Het hof constateert dat het verhoor van deze getuige niet zorgvuldig is geverbaliseerd. De verklaring is niet door de getuige ondertekend en er bevindt zich evenmin een (door de getuige ondertekende) conceptverklaring in het dossier. De getuige heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zich niet kan herinneren met de politie te hebben gesproken over een aanrijding. Hij heeft voorts verklaard dat hij zich ook niet kan herinneren dat hij nadien door de politie hierover gebeld is. Uit het dossier blijkt niet of deze getuige dezelfde persoon is als degene die de melding bij de politie heeft gedaan. Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het hof aan de initiële verklaring van de getuige niet voldoende bewijskracht worden toegekend.

Het hof stelt voorts vast dat het politieonderzoek in deze zaak niet zorgvuldig genoeg heeft plaatsgevonden en acht het, zeker aangezien het slachtoffer ten gevolge van zijn verwondingen is komen te overlijden, onbevredigend dat de auto van de verdachte na de inbeslagname op een zodanige plaats is bewaard dat sporenonderzoek niet meer zinvol was. Vervolgens is de auto vernietigd. Het hof houdt het er derhalve voor dat op de auto geen sporen zijn aangetroffen.

Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte het slachtoffer heeft aangereden. Dat de verdachte zelf heeft verklaard dat hij in de straat heeft gereden waar het noodlottig ongeval heeft plaatsgevonden en dat hij geen andere auto's zag, roept vraagtekens op, maar doet aan het voorgaande niet af. Evenmin kan buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat hij de plaats van het ongeval heeft verlaten, in de zin van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, zodat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd en hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht,

mr. A.A. Schuering en mr. M. Moussault, in bijzijn van de griffier mr. R.T. Poort.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 april 2013.