Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ9214

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-04-2013
Datum publicatie
02-05-2013
Zaaknummer
22-005297-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich gedurende anderhalf jaar schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne en XTC-pillen.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-005297-12

Parketnummer: 09-925696-12

Datum uitspraak: 18 april 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 november 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1982,

[adres],

thans gedetineerd in PI Haaglanden - Den Haag PCS ZBB te 's-Gravenhage.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 4 april 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts is er een beslissing genomen omtrent het beslag.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 23 juli 2012 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een of meer XTC-pil(len) (bevattende MDMA), zijnde cocaïne en/of MDMA ieder een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 25 juli 2012, te

's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer voorwerp(en) en/of een geldbedrag, te weten een geldbedrag van 1350 euro en/of drie (Gucci) jassen en/of twee paar schoenen (Gucci en Louis Vuitton), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Verweren strekkende tot bewijsuitsluiting

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman aangevoerd dat er sprake is geweest van een onrechtmatige staandehouding, aangezien er op dat moment onvoldoende verdenking bestond voor overtreding van de Opiumwet.

De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat diverse nader aangeduide bewijsmiddelen van het bewijs dienen te worden uitgesloten nu deze op onrechtmatige wijze zijn vergaard dan wel de vergaring daarvan moet worden beschouwd als resultaat van onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal.

Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de politie ten onrechte diverse aan de verdachte gestelde vragen niet heeft doen voorafgaan door de cautie en dat de verklaringen die de verdachte heeft gedaan hebben geleid tot de verdenking waarvoor de verdachte werd aangehouden en tot verdere op die verdenking gebaseerde onderzoekshandelingen.

Het hof stelt bij de beoordeling van dit verweer voorop dat artikel 29, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering meebrengt dat de politieambtenaar die een persoon te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit wenst te verhoren, daartoe niet overgaat dan nadat die persoon is meegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden. Verder neemt het hof in overweging dat als verhoor in de zin van evenvermelde wetsbepaling dient te worden beschouwd iedere vraag aan een door een opsporingsambtenaar als verdachte aangemerkt persoon betreffende diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit.

Het proces-verbaal nr. PL1513 2012157043-2, op 24 juli 2012 op ambtsbelofte opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant], houdt als relaas van eigen waarneming en ondervinding voor zover ten deze van belang -zakelijk weergegeven- het volgende in:

Naar aanleiding van een melding bij Meld Misdaad Anoniem, waarin werd verklaard dat er vanuit een personenauto, voorzien van het kenteken [kentekennr.2], in verdovende middelen wordt gehandeld, bleek mij bij onderzoek in het bedrijfsprocessensysteem van Politie Haaglanden dat dit een zwarte Volkswagen Polo betrof op naam van een zekere [medeverdachte], alsmede dat deze personenauto meermalen was gecontroleerd terwijl deze werd bestuurd door [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1982. Blijkens onderzoek in het bedrijfsprocessensysteem heeft deze [verdachte] antecedenten terzake van Opiumwetdelicten.

Op 19 juli 2012 werd deze [verdachte] herkend als bestuurder van een grijze Volkswagen Polo, voorzien van het kenteken [kentekennr.2] op naam van [verdachte].

Op 24 juli 2012 werd gezien dat genoemde personenauto met kenteken [kentekennr.2] reed op de Vaillantlaan te

's-Gravenhage. Met meerdere politieambtenaren is deze personenauto gevolgd. Hierbij vertoonde de bestuurder vreemd rijgedrag, dat onder andere bestond uit het rijden van vreemde, onlogische routes en het plegen van meerdere verkeersovertredingen. Voorts werd waargenomen dat de bestuurder van deze auto kortstondig contact had met de bijrijder van een andere personenauto, voorzien van het kenteken [kentekennr.3]. De tenaamgestelde van deze personenauto had antecedenten terzake van de Opiumwet. Het is mij ambtshalve bekend dat bij de handel in verdovende middelen regelmatig vreemde onlogische routes worden gereden ten einde observatie op te merken. Tevens zijn kortstondige contacten waarbij het voertuig niet wordt verlaten een bekende handelwijze bij de handel in verdovende middelen.

Naar aanleiding van bovenstaande feiten en omstandigheden heb ik de bestuurder van de personenauto staande gehouden middels het stoptransparant terzake van verdenking van overtreding van de Opiumwet. Ik herkende de bestuurder van deze auto als [verdachte] van de politiefoto die ik in het eerder genoemde onderzoek in het bedrijfsprocessensysteem had gezien.

Tussenconclusie 1:

Het hof stelt -mede gezien de aanleiding om deze auto met meerdere politieambtenaren te volgen- vast dat er op basis van de identiteit op 19 juli 2012 van de bestuurder van de grijze Volkswagen Polo met kenteken [kentekennr.2], op 24 juli 2012 kennelijk het vermoeden bestond dat deze auto opnieuw werd bestuurd door de verdachte, ten aanzien van wie antecedenten op het gebied van de Opiumwet bestonden en die voordien meermalen een andere auto bestuurde. Omtrent deze andere auto werd uit een zogenoemde M-melding een aanwijzing afgeleid dat van daaruit in verdovende middelen werd gehandeld. Toen de bestuurder van de op 24 juli 2012 aangetroffen auto vervolgens verscheidene gedragingen vertoonde die door de opsporingsambtenaar [verbalisant] op grond van ambtshalve bekendheid in verband werden gebracht met de handel in verdovende middelen, was er naar het oordeel van het hof dan ook ten aanzien van deze bestuurder een uit feiten en omstandigheden voortvloeiend redelijk vermoeden van schuld aan handelen in strijd met de Opiumwet. Daaruit vloeit tevens voort dat het overigens niet van een uitdrukkelijke conclusie voorziene standpunt van de verdediging dat de staandehouding van de verdachte onrechtmatig was, ongegrond is.

Toen na staandehouding de verdachte in de bestuurder van de personenauto werd herkend, richtte deze verdenking zich dan ook op de verdachte. Het hof is overigens opgevallen dat in het mede door de opsporingsambtenaar [verbalisant] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen PL 1513 2012157043-4 staat vermeld dat [verbalisant] reeds voor de staandehouding in de bestuurder van de auto de verdachte had herkend, maar daaraan kan worden voorbijgegaan nu dit aan de verdere overwegingen van het hof niet afdoet.

Voormeld proces-verbaal van de opsporingsambtenaar [verbalisant] vermeldt vervolgens:

Ten einde zijn identiteit definitief vast te stellen heb ik zijn rijbewijs gevorderd. Ik zag dat [verdachte] een donkerkleurig schoudertasje pakte. Ik zag in het hoofdvak van het schoudertasje een aantal geelkleurige bankbiljetten. Het is mij bekend dat eurobiljetten met een waarde van 200 euro geelkleurig zijn. Nadat ik het mij overhandigde rijbewijs had gecontroleerd, heb ik aan hem gevraagd waarom hij zulke grote coupures contant geld bij zich droeg. Ik zag dat hij het hoofdvak van zijn schoudertas opende en aan mij een aantal bankbiljetten van 200 euro toonde. Ik heb vervolgens aan hem gevraagd hoeveel geld dat was. Ik hoorde dat hij verklaarde dat het 1000 euro betrof. Ik heb aan hem gevraagd of hij dit kon laten zien. Ik zag toen hij dit telde dat hij zes biljetten van 200 euro bij zich had, een biljet van 100 euro en een biljet van vijftig euro. Ik heb [verdachte] meegedeeld dat ik dit een vreemde hoeveelheid geld in vreemde coupures vond. [verdachte] toonde mij hierop een kassabon voor een totaalbedrag van 2.980,- euro. [verdachte] verklaarde hierover ongevraagd dat hij vandaag was wezen winkelen en dat hij daar contant geld voor gebruikte. Tevens verklaarde hij dat hij nog geld over had en dat dat het geld was dat hij in zijn schoudertas had. Ik heb aan hem gevraagd wat voor werk hij deed. Ik hoorde dat hij verklaarde: "Ik werk bij de Rabobank, ik adviseer, eeh, dinges. Ehhm, bedrijven." Ik hoorde dat hij hierover nadacht en niet direct op een antwoord kwam.

Gezien het feit dat hij een dergelijke hoeveelheid contant geld in dergelijke coupures bij zich had, een kassabon van een dergelijk hoog bedrag had waarvan hij verklaarde dat hij dit bedrag contant had afgerekend, zijn twijfelachtige verklaring omtrent zijn werk, het feit van algemene bekendheid dat handel in verdovende middelen met grote hoeveelheden contant geld gepaard gaat en eerder genoemde feiten en omstandigheden heb ik [verdachte] aangehouden terzake verdenking van witwassen, artikel 420 bis wetboek van Strafrecht.

Tussenconclusie 2:

Mede in aanmerking genomen dat de opsporingsambtenaar als feit van algemene bekendheid beschouwt dat handel in verdovende middelen met grote hoeveelheden contant geld gepaard gaat, zijn alle vragen die hij de van handelen in strijd met de Opiumwet verdachte [verdachte] heeft gesteld nadat deze het hoofdvak van de schoudertas had geopend, naar het oordeel van het hof zonder meer aan te merken als vragen aan een door een opsporingsambtenaar als verdachte aangemerkt persoon betreffende diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit en derhalve als verhoor in de zin van artikel 29, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering. Anders dan de rechtbank ziet het hof geen aanleiding om onderscheid te maken tussen de reeds aangenomen verdenking van handelen in strijd met de Opiumwet enerzijds en het aantreffen van het contante geld anderzijds. Integendeel: uit het door de opsporingsambtenaar in aanmerking nemen van dit feit van algemene bekendheid volgt reeds dat de gestelde vragen moeten worden geacht te zijn gesteld ter opheldering van de aangenomen verdenking van handelen in strijd met de Opiumwet. Hieraan doet niet af dat de opsporingsambtenaar voor bedoelde vragen, ook los van die verdenking, aanleiding kan hebben gezien.

Tussenconclusie 3:

Uit de beide voorgaande tussenconclusies volgt dat de opsporingsambtenaar de verdachte, alvorens hem te vragen waarom de verdachte zo grote coupures contant geld bij zich droeg, de cautie had moeten geven. Nu uit het proces-verbaal niet blijkt dat dat is gebeurd, is er sprake van een onherstelbaar verzuim in het voorbereidend onderzoek. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat in evenvermeld proces-verbaal op pagina 3 weliswaar is vermeld: "Cautie. Ik deelde de verdachte mee, dat hij niet tot antwoorden verplicht was", maar nu deze vermelding het hof niet in staat stelt tot controle op de tijdigheid van de cautie, kan die vermelding niet tot een ander oordeel leiden.

Eindconclusie ten aanzien van het verweer:

Nu voorts niet blijkt dat de cautie op enig later moment, voorafgaand aan het opvatten van de verdenking van witwassen, is gegeven, moet het ervoor worden gehouden dat deze verdenking berust op de verklaringen die de verdachte heeft afgelegd tijdens een verhoor waaraan ten onrechte niet de cautie is voorafgegaan.

Naar het oordeel van het hof gaat het bij het geschonden voorschrift om een uit rechtstatelijk oogpunt belangrijk voorschrift en dient het verzuim bij de naleving van dit voorschrift bij het ontbreken van enige aanwijzing voor verschoonbaarheid als ernstig te worden beschouwd.

Nu het voor de tenlastelegging onder 3 relevante bewijsmateriaal in belangrijke mate is verkregen als resultaat van dit onherstelbaar vormverzuim en van de op basis daarvan tot stand gekomen verdenking en voorts met gebruik van op die verdenking gebaseerde bevoegdheden, dient naar het oordeel van het hof het aldus verkregen bewijsmateriaal van het bewijs te worden uitgesloten.

Met betrekking tot het voor het tenlastegelegde onder 2 relevante bewijsmateriaal overweegt het hof als volgt:

Op grond van hetgeen blijkens het bovenstaande aan het redelijk vermoeden van schuld aan handelen in strijd met de Opiumwet ten grondslag lag en op grond van het daaraanvolgend aantreffen van de bankbiljetten in de schoudertas van de verdachte, zou naar objectieve maatstaven voldoende grondslag hebben bestaan voor het aannemen van ernstige bezwaren in de zin van artikel 9, tweede lid van de Opiumwet. De verdachte zou derhalve ook bij het achterwege blijven van het hiervoor benoemde vormverzuim de gerede kans hebben gelopen te worden onderworpen aan een onderzoek aan de kleding, waarbij dan naar redelijkerwijs moet worden verwacht ook de vier telefoontoestellen aan het licht zouden zijn gekomen, die thans bij zijn insluitingsfouillering zijn aangetroffen. Het hof gaat hierbij voor de plaats van aantreffen af op hetgeen daarover ambtsedig is gerelateerd op de pagina's 34 en 40 van het politie proces-verbaal. Uit onderzoek van deze telefoontoestellen is vervolgens informatie naar voren gekomen op basis waarvan afnemers van drugs zijn benaderd en verhoord zonder dat daarbij gebruik is gemaakt van de verklaring die de verdachte tijdens het verhoor waaraan het verzuim voorafging, heeft afgelegd. Het hof is derhalve van oordeel dat de verdachte door het geconstateerde vormverzuim in verband met de verdenking ter zake van de Opiumwet niet in zijn verdediging is geschaad en derhalve niet zo ernstig is benadeeld dat niet zou kunnen worden volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim. De resultaten van het onderzoek naar de telefoons alsmede de op basis daarvan verkregen getuigenverklaringen zijn derhalve bruikbaar voor het bewijs.

Vrijspraak ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen is naar het oordeel van het hof onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden voor hetgeen aan de verdachte onder 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij op meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 25 juli 2012 te

's-Gravenhage, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een of meer XTC-pil(len) (bevattende MDMA), zijnde cocaïne en MDMA ieder een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van de onder 2 bewezen verklaarde periode

Het hof overweegt met betrekking tot de periode van het onder 2 bewezen verklaarde als volgt.

De getuige [getuige] heeft op 25 juli 2012 bij de politie verklaard dat hij sinds vijf maanden is gestopt met gebruiken en dat hij anderhalf jaar lang cocaïne heeft gekocht. Het door hem opgegeven telefoonnummer van zijn dealer [telefoonnr.] behoort blijkens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 juli 2012, op pagina 34 van het dossier, bij één van de onder de verdachte in beslag genomen telefoons. Uit een proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 augustus 2012, pagina 214 en 215 van het dossier, blijkt dat dit nummer sinds 8 januari 2012 in gebruik is. De getuige [getuige] heeft verklaard dat hij deze dealer eerder op een ander nummer belde.

Nu uit de gedetailleerde verklaring van [getuige] kan worden afgeleid dat hij in 2010 is begonnen met gebruiken en hij niet heeft verklaard over een andere dealer dan de verdachte acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in elk geval vanaf 1 januari 2011 heeft gehandeld in verdovende middelen zoals in de tenlastelegging bedoeld.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, zonodig met aanvulling van gronden.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich gedurende anderhalf jaar schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne en XTC-pillen. Door aldus te handelen is de verdachte voorbij gegaan aan de gevaren die dergelijke middelen opleveren voor de volksgezondheid en heeft hij zich enkel laten leiden door het oogmerk van eigen financieel gewin. De handel in verdovende middelen gaat bovendien veelal gepaard met vele andere vormen van criminaliteit en vormt aldus een ernstige inbreuk op de rechtsorde.

Het hof heeft kennis genomen van een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 maart 2013, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging zich gekeerd tegen de verbeurdverklaring van de Volkswagen Polo met kenteken [kentekennr.1], welk voorwerp staat vermeld onder nummer 4 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen en geldbedragen, op grond dat niet aan de voorwaarden van artikel 33a, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is voldaan.

Nu op grond van het proces-verbaal niet kan worden vastgesteld dat het bewezenverklaarde feit is begaan met behulp van de onder 4 vermelde auto noch dat enige andere grond voor verbeurdverklaring van dit voorwerp is vervuld, is deze personenauto niet vatbaar voor verbeurdverklaring. Voor zover de aanduiding van het voorwerp op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen met het kenteken [kentekennr.1] onjuist is, een mogelijkheid die gelet op de inhoud van het aanhoudingsproces-verbaal geenszins kan worden uitgesloten, en het feitelijk inbeslaggenomen voorwerp waarvan het beslag voortduurt in werkelijkheid is voorzien van het kenteken [kentekennr.2], een mogelijkheid die het hof evenmin uitgesloten voorkomt, overweegt het hof dat in dat geval op dezelfde gronden zou zijn geoordeeld dat het voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring.

Het hof zal, nu terzake van het op de lijst onder 4 vermelde voorwerp onduidelijkheid bestaat en om die reden derhalve geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, de bewaring van het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Ook ten aanzien van het na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp zoals dit vermeld is onder 16 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen en geldbedragen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, maar op naam gesteld van een zekere [medeverdachte], dient, nu geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, de bewaring van het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende te worden gelast.

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze vermeld zijn onder 9 en 10 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen en geldbedragen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen betreft met behulp waarvan het onder 2 bewezen verklaarde is begaan. Het hof zal daarom deze voorwerpen verbeurdverklaren.

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen alsmede de geldbedragen zoals deze vermeld zijn onder 1, 2, 3, 5 tot en met 8, 11 tot en met 15 en 17 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen en geldbedragen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, dienen aan de verdachte te worden teruggegeven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 24, 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voorzover aan zijn oordeel onderworpen en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

9. 1.00 STK Telefoontoestel Kl: rood NOKIA

10. 1.00 STK Telefoontoestel Kl: zwart NOKIA.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. geldbedrag van 1.350,- euro

2. geldbedrag van 770,- euro

3. 1.00 STK Ring Kl: goudkl.

5. 2.00 PR Schoenen gucci/louis vuitton

6. 2.00 STK Jas GUCCI

7. 1.00 STK Schrijfblok

8. 1.00 STK Telefoontoestel BLACKBERRY BOLD + simkaart 11. 1.00 STK Telefoontoestel Kl: zwart NOKIA

12. 1.00 STK Pas MAKRO

13. 1.00 STK Bankpas ONV [verdachte]

14. 1.00 STK Bonnen en dergelijke/verzendbewijs van postkantoor

15. 1.00 STK Pas TOEGANGSPAS

17. 1.00 STK Bonnen en dergelijke/GUCCI kassabon .

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

4. 1.00 STK Personenauto [kentekennr.1] VOLKSWAGEN Polo

16. 1.00 STK Pas KLANTENPAS o.n.v. [medeverdachte].

Dit arrest is gewezen door mr. A.J.M. Kaptein,

mr. R.M. Bouritius en mr. M.J. de Haan-Boerdijk, in bijzijn van de griffier mr. V.A.M. Willemsen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 april 2013.

Mr. A.J.M. Kaptein is buiten staat dit arrest te ondertekenen.