Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ8486

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
24-04-2013
Zaaknummer
BK-12/00544
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rioolheffing. De inspecteur is niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat geen sprake is van een limietoverschrijding. Dit leidt tot de conclusie dat de Verordening onverbindend is ter zake van de tariefstelling inzake de rioolheffing en de aanslag mitsdien moet worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1030
Belastingblad 2013/235 met annotatie van M.R.P. de Bruin
V-N 2013/39.27 met annotatie van Redactie
FutD 2013-1158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-12/00544

Uitspraak d.d. 2 april 2013

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van Openbaar Lichaam Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland te [P], de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage (thans: Den Haag) van 5 juli 2012, nummer AWB 12/558, betreffende na te vermelden aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de rioolheffing van de gemeente Zoeterwoude opgelegd van € 289.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de Inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan hem te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 115. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 19 februari 2013, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Verordening

3. De raad van de gemeente Zoeterwoude heeft in zijn openbare vergadering van 16 december 2010 de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing en de Verordening tot vaststelling van de Tarieventabel belastingen en rechten 2011 (hierna: de Verordening) vastgesteld. Beide verordeningen zijn met ingang van 1 januari 2011 in werking getreden. Blijkens de inhoud van de gedingstukken zijn de verordeningen op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

Vaststaande feiten

4. Op grond van de stukken van het geding is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

Belanghebbende is op 1 januari 2011 genothebbende krachtens eigendom van het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de afsluitbare opslagunit met nummer […] in het bedrijfsverzamelgebouw [A], plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Q] (hierna: de opslagunits). Elk van de opslagunits in het bedrijfsverzamelgebouw is voorzien van een aansluiting op de gemeentelijke riolering. De waterleiding en de afvoer in de opslagunit van belanghebbende zijn afgesloten.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. Tussen partijen is in geschil of de aanslag ten onrechte is opgelegd, zoals belanghebbende stelt en de Inspecteur betwist. Het geschil spitst zich primair toe op de vraag of sprake is van een aansluiting in de unit van belanghebbende en subsidiair of de Verordening onverbindend is ter zake van de tariefstelling voor de rioolheffing omdat het tarief van de rioolheffing zodanig is vastgesteld dat de geraamde opbrengsten uitgaan boven de geraamde kosten ter zake.

5.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de aanslag.

6.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

7. De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

”6. De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 2 van de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2011 van de gemeente Zoeterwoude (hierna: de Verordening) wordt onder de naam rioolheffing een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en

b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken.

7. Ingevolge artikel II van de Tarieventabel belastingen en rechten 2011 bedraagt de rioolheffing voor belastingjaar 2011 € 289 per eigendom.

8. Ingevolge artikel 3 van de Verordening wordt de belasting geheven van degene die bij het begin van het kalenderjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Ingeval het perceel een onroerende zaak is, wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

9. Vast staat dat de unit een perceel is en dat eiser eigenaar is van de unit.

Nu de unit beschikt over een aansluiting op de gemeentelijke riolering, is voldaan aan de voorwaarde dat het perceel direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. De rioolheffing betreft een aansluitrecht. Het al dan niet – en in welke mate van - afvoeren van afvalwater is daarom niet van belang. Het niet gebruik maken van de riolering, ontheft de belastingplichtige niet van zijn belastingplicht. De rechtbank overweegt dat het bij de rioolheffing gaat het om het in de heffing betrekken van het genot dat de zakelijk gerechtigde tot een onroerende zaak ontleent aan de aanwezigheid van een aansluiting op de gemeentelijke riolering, doordat die aansluiting de gebruikswaarde van de onroerende zaak verhoogt (vergelijk Rechtbank ’s-Gravenhage 27 mei 2011, AWB 10/8856 (zie bijlage 9 van het verweerschrift) en Hoge Raad, LJN AA1802). Feitelijk gebruik is hierbij niet relevant, noch de wijze waarop de aansluiting op het gemeentelijk riool is ingericht (direct of indirect). Evenmin is relevant of het hemelwater direct wordt geloosd op een nabijgelegen sloot. De rechtbank overweegt hierbij dat de aanslag is opgelegd voor de aansluiting op de gemeentelijke riolering en dat de gemeente Zoeterwoude er voor heeft gekozen om te heffen naar één tarief. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank de rioolheffing terecht van eiser geheven. Dat ter zitting is gebleken dat verweerder in de bijlage bij het verweerschrift ten onrechte verwijst naar de in het complex aanwezige grote bedrijfsunits van 2 etages leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Deze onjuiste verwijzing doet immers niets af aan de eerdere vaststelling dat ook de onderhavige (kleinere) units als een perceel in de zin van de Verordening geduid moeten worden.

10. Hetgeen eiser heeft aangevoerd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

De door eiser genoemde omstandigheid dat de unit niet beschikt over een toilet, maakt niet dat de unit naar zijn aard en bestemming niet zelfstandig te gebruiken is als opslagruimte.

11. Eiser heeft aangevoerd dat de aanslag rioolheffing een onrechtmatige inbreuk vormt op zijn eigendomsrecht. Verweerder is niet verplicht het tarief van de rioolheffing afhankelijk te stellen van de WOZ-waarde of het watergebruik. Gemeentelijke belastingen kunnen op grond van artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet worden geheven naar in de belastingverordening te bepalen maatstaven, met dien verstande dat het bedrag van een gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen. Het door verweerder gehanteerde vaste tarief van € 289 is niet afhankelijk van het inkomen, de winst of het vermogen. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

12. De stelling van eiser dat de aanslag hoger is dan de werkelijke kosten kan geen doel treffen, nu deze feitelijkheid niet tot het oordeel kan leiden dat de aanslag onrechtmatig is. Overigens is gesteld noch gebleken dat de totale opbrengst rioolheffing in relevante mate hoger uitkomt dan de totale kosten genoemd in artikel 2 van de Verordening.

13. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

14. In het schenden van de hoorplicht ziet de rechtbank aanleiding verweerder te gelasten het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.”

Beoordeling van het hoger beroep

8.1. Als meest vergaande stelling zal het Hof eerst de subsidiaire stelling van belanghebbende beoordelen. Belanghebbende stelt in zijn pleitnota in eerste aanleg en in zijn hogerberoepschrift dat de Verordening onverbindend is. Hij voert daartoe aan dat de Inspecteur zijn stelling dat de totale geraamde opbrengsten van de rioolheffing niet hoger zijn dan de totale geraamde kosten niet aannemelijk heeft gemaakt, aangezien zulks op geen enkele wijze cijfermatig wordt onderbouwd en evenmin geen inzage wordt gegeven in de werkelijke opbrengsten en de werkelijke kosten. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende gesteld:

”Alleen de onderbouwing van de schatting van de baten en lasten ter zake van de gemeentelijke riolering is nog steeds niet overgelegd door de Inspecteur. Daardoor is de Verordening onverbindend.”

8.2. Artikel 228a van de Gemeentewet luidt:

”1. Onder de naam rioolheffing kan een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en

b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

2. Ter zake van de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, kunnen twee afzonderlijke belastingen worden geheven.

3. Onder de kosten, bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan de omzetbelasting die als gevolg van de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit dat fonds.”

8.3. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel ter wijziging van onder meer de Gemeentewet (TK, vergaderjaar 2005–2006, 30 578, nr. 3) vermeldt onder meer:

”Uiteraard met de kanttekening dat de heffing dus maximaal kostendekkend mag zijn. (…) Rioolheffing heeft het karakter van een bestemmingsheffing waarmee kosten kunnen worden verhaald om collectieve maatregelen te treffen die de gemeente noodzakelijk acht voor een doelmatig werkende riolering en overige maatregelen ten aanzien van hemelwater en grondwater. Het uitgangspunt van de nieuwe heffing is om gemeenten in staat te stellen de kosten te verhalen die gepaard gaan met de gemeentelijke wateropgave.”

8.4. Een geschil over, kort gezegd, limietoverschrijding wordt procesrechtelijk hierdoor gekenmerkt dat niet de belanghebbende die het geschilpunt opwerpt, maar de inspecteur de partij is die beschikt over de gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van dat geschilpunt. Die omstandigheid leidt tot (verzwaarde) eisen aan de motivering die de inspecteur geeft voor zijn betwisting van de stelling dat de limiet is overschreden. Indien een belanghebbende aan de orde stelt of de opbrengsten van een rioolheffing de kosten ter zake hebben overschreden, dient de inspecteur inzicht te verschaffen in de desbetreffende ramingen (vgl. HR 24 april 2009, nr. 07/12961, LJN BI1968 en HR 6 januari 2012, nr. 10/3697, LJN BR0707).

8.5.1. De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift in eerste aanleg vermeld:

”Aangezien de totale geraamde opbrengsten van de rioolheffing niet hoger zijn dan de totale geraamde kosten, is het tarief in de verordening niet te hoog vastgesteld en de aanslag niet nietig.”

8.5.2. Ter zitting van de rechtbank heeft de Inspecteur verklaard:

”Ik weet helemaal niks over de stelling van eiser dat de totale opbrengst hoger is dan de totale kosten.”

8.5.3. De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep vermeld:

”Overwegingen 9. tot en met 12 van de uitspraak van de Rechtbank d.d. 5 juli 2012.

De rechtbank heeft mijns inziens in duidelijke verwoordingen uiteengezet waarom de aanslag rioolheffing 2011 terecht voor het object [a-straat 1] te [Q] is opgelegd. Ik heb hier, ook na hetgeen eiser nog is zijn beroep heeft aangegeven, niets meer toe te voegen.”

8.5.4. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur - zakelijk weergegeven - desgevraagd verklaard:

”De Inspecteur kan niets zeggen ter onderbouwing van zijn stelling dat de geraamde baten de geraamde lasten niet overtreffen. Hij neemt aan dat de opbrengsten van de rioolheffing de kosten niet overstijgen. Misschien kan belanghebbende navraag doen bij de gemeente Zoeterwoude.”

8.5.5. De Inspecteur heeft ook geen stukken in het geding gebracht die inzicht kunnen verschaffen in de geraamde opbrengsten en kosten.

8.6. Aangezien de Inspecteur geen enkel inzicht heeft verschaft, is hij niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat geen sprake is van een limietoverschrijding. Dit leidt tot de conclusie dat de Verordening onverbindend is ter zake van de tariefstelling inzake de rioolheffing en de aanslag mitsdien moet worden vernietigd. De overige stellingen van belanghebbende behoeven geen behandeling.

8.7. Op grond van het vorenoverwogene is het hoger beroep gegrond en dient te worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

9.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 100 wegens verletkosten. Het Hof stelt daartoe het aantal verleturen in verband met het bijwonen van de zittingen bij de rechtbank en het Hof in goede justitie vast op 4 en het uurtarief op € 25. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

9.2. Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 115 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar,

- vernietigt de aanslag in de rioolheffing,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 100,

- gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 115 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, J.J.J. Engel en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 2 april 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.