Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ8367

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
24-04-2013
Zaaknummer
BK-11/00431
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rioolheffing. Vaststaat dat in de opslagunit van belanghebbende een afvoerpijp aanwezig is die indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, zodat is voldaan aan het vereiste in artikel 3, lid 1, van de Verordening rioolheffing 2010, zodat het de inspecteur vrijstond onderhavige aanslag op te leggen. Hieraan doet niet af dat in de opslagunit geen water wordt gebruikt, dat de afvoerpijp is dichtgemaakt en dat vanuit de opslagunit niets wordt geloosd op het gemeentelijke riool, aangezien die omstandigheden niet relevant zijn voor de vraag of de opslagunit in de heffing kan worden betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-1162
V-N Vandaag 2013/1031
Belastingblad 2013/257 met annotatie van P. de Bruin
V-N 2013/39.26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-11/00431

Uitspraak d.d. 2 april 2013

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zoeterwoude, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 mei 2011, nummer 10/8856 RIOOLR, betreffende na te vermelden aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de rioolheffing van de gemeente Zoeterwoude opgelegd van € 289.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 112. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 19 februari 2013, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Verordening

3. De raad van de gemeente Zoeterwoude heeft in zijn openbare vergadering van 17 december 2009 de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing (de Verordening) en de Verordening tot vaststelling van de Tarieventabel belastingen en rechten 2010 vastgesteld. Beide verordeningen zijn met ingang van 1 januari 2010 in werking getreden. Blijkens de inhoud van de gedingstukken zijn de verordeningen op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

Vaststaande feiten

4. Op grond van de stukken van het geding is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

Belanghebbende is op 1 januari 2010 genothebbende krachtens eigendom van het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van een afsluitbare opslagunit, plaatselijk bekend als [a-straat 1], in het bedrijfsverzamelgebouw [A], plaatselijk bekend als [a-straat 2] te [Q]. Iedere opslagunit in het bedrijfsverzamelgebouw is voorzien van een (indirecte) aansluiting op de gemeentelijke riolering. De waterleiding in de opslagunit van belanghebbende is dicht gesoldeerd. In de opslagunit bevinden zich geen fontein, geen kraan, geen brievenbus en geen raam. De pvc-afvoerpijp in de opslagunit is afgezaagd en afgesloten met een vastgelijmde pvc-afsluitdop. De opslagunit wordt afgesloten met een elektrische roldeur.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. Tussen partijen is in geschil of de aanslag ten onrechte is opgelegd, zoals belanghebbende stelt en de Inspecteur betwist.

5.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de aanslag.

6.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

7. De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser:

”6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1. Ingevolge artikel 2 van de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2010 (Verordening rioolheffing 2010) van de gemeente Zoeterwoude (verder: de Verordening) wordt onder de naam rioolheffing een belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en

b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken.

6.2. Ingevolge artikel II van de Tarieventabel belastingen en rechten 2010 bedraagt de rioolheffing per eigendom € 289.

6.3. Ingevolge artikel 3 van de Verordening wordt de belasting geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering.

Voor de heffing wordt als belastingplichtige aangemerkt degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens eigendom (…) gebruikt.

6.4. Vast staat dat de unit een perceel is en dat eiser eigenaar is van de unit. Nu de unit beschikt over een aansluiting op de gemeentelijke riolering is voldaan aan de voorwaarde dat het perceel direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank de rioolheffing terecht geheven. Dat eiser er voor heeft gekozen om geen gebruik te maken van de betreffende aansluiting maakt dit niet anders. De rechtbank overweegt hierbij dat het bij het rioolaansluitrecht gaat om het in de heffing betrekken van het genot dat de zakelijk gerechtigde tot een onroerende zaak ontleent aan de aanwezigheid van een aansluiting op de gemeentelijk riolering doordat die aansluiting de gebruikswaarde van de onroerende zaak verhoogt (vergelijk Hoge Raad 10 april 1996, nr. 30 251, LJN AA1802). Feitelijk gebruik is hierbij niet relevant. Evenmin is relevant of het hemelwater direct wordt geloosd op een nabijgelegen sloot. De rechtbank overweegt hierbij dat de aanslag is opgelegd voor de aansluiting op de gemeentelijke riolering en dat de gemeente Zoeterwoude er voor heeft gekozen om te heffen naar één tarief.

7. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. De onderhavige rioolheffing wordt ingevolge de Verordening geheven per perceel, waarbij onder perceel wordt verstaan een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan. Niet in geschil is dat de opslagunit van belanghebbende een onroerende zaak is. De opslagunit is derhalve een perceel in de zin van de Verordening.

7.2. Vaststaat dat in de opslagunit van belanghebbende een afvoerpijp aanwezig is die indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, zodat is voldaan aan het vereiste in artikel 3, lid 1, van de Verordening rioolheffing 2010, zodat het de Inspecteur vrijstond onderhavige aanslag op te leggen. Hieraan doet niet af dat in de opslagunit geen water wordt gebruikt, dat de afvoerpijp is dichtgemaakt en dat vanuit de opslagunit niets wordt geloosd op het gemeentelijke riool, aangezien die omstandigheden niet relevant zijn voor de vraag of de opslagunit in de heffing kan worden betrokken.

7.3. Gelet op het vorenoverwogene is de conclusie dat het hoger beroep ongegrond is.

Proceskosten

8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, J.J.J. Engel en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 2 april 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.