Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ8224

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-04-2013
Datum publicatie
22-04-2013
Zaaknummer
BK-12/00062
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:693, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. De verrichtingen door belanghebbende zijn niet vrijgesteld van omzetbelasting, in het bijzonder doordat zij met haar dienstverlening niet bijdraagt aan de totstandkoming van verzekeringen. De communautaire en daarmee de nationale verzekeringsvrijstelling heeft specifiek het oog op de handelingen bestaande in het sluiten van verzekeringsovereenkomsten, te weten diensten die bij uitstek door verzekeraars worden verricht, en het is juist vanwege die bedoeling, gelet ook op Europese en nationale rechtspraak, dat de vrijstelling wat betreft de met verzekering en herverzekering samenhangende diensten zich niet verder uitstrekt dan tot bepaalde door tussenpersonen of dergelijke beroepsbeoefenaren verrichte diensten die zijn aan te merken als het tot stand (trachten te) brengen van verzekeringen dan wel die in elk geval die handeling mede omvatten. Nu de in geding zijnde werkzaamheden, naar tussen partijen vaststaat, niet zijn te kwalificeren als zodanige diensten, mist de vrijstelling reeds daardoor toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/990
V-N 2013/32.2.1
FutD 2013-1129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

nummer BK-12/00062

meervoudige kamer

Uitspraak van 12 april 2013

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst Haaglanden (kantoor [P]), de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 december 2011, nummer AWB 11/2181, betreffende de hierna vermelde aangifte.

Aangifte, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Belanghebbende heeft € 8.086 op de aangifte voor de omzetbelasting over de maand mei 2009 voldaan.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de op aangifte voldane belasting gehandhaafd.

1.3. Tegen de uitspraak van de Inspecteur heeft belanghebbende beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 302 is geheven.

1.4. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 454 is geheven.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 29 maart 2013, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is verzekeringstussenpersoon en houdt zich als Nederlandse branche van een op de zakelijke verzekeringsmarkt opererende vennootschap met het hoofdkantoor in het Verenigd Koninkrijk bezig met het uitvoeren van werkzaamheden voor diverse verzekeringsmaatschappijen, waaronder [A]. Voor die activiteiten is zij ondernemer voor de omzetbelasting.

3.2. De door belanghebbende uitgevoerde werkzaamheden, die bij uitsluiting het beheer en de uitvoering van tot stand gekomen verzekeringsovereenkomsten behelzen, bestaan vooral in het behandelen en afwikkelen van schadeclaims. De dienstverlening jegens [A] wordt wel aangeduid als run-off services dan wel claims management.

Oordeel van de rechtbank

4. De rechtbank heeft overwogen:

”(…)

4.3. Ter zitting hebben partijen eenparig verklaard dat de onderhavige handelingen moeten worden aangemerkt als een samengestelde prestatie. De rechtbank zal partijen hierin volgen.

4.4. Uit de gedingstukken volgt voorts dat partijen zich gezamenlijk op het standpunt stellen dat de diensten van [belanghebbende] niet kunnen worden aangemerkt als 'handelingen ter zake van verzekeringen en herverzekeringen'. De rechtbank zal partijen ook hierin volgen.

4.5. Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag of de diensten van [belanghebbende] kunnen worden gerangschikt onder het begrip '(met verzekering en herverzekering) samenhangende diensten, verricht door assurantiemakelaars en verzekeringsagenten'.

4.6. Uit de stukken van het geding volgt dat [belanghebbende], samengevat, de volgende diensten verricht: het in behandeling nemen van claims, het vaststellen of de schade gedekt wordt, het onderzoeken van de claims, het aanhouden van financiële reserves, het bijhouden van kosten vanwege verkoop en procedures, het verstrekken van een periodieke rapportage rond de afhandeling van claims, het verhalen van claims op derden, het afhandelen van klachten en het periodiek rapporteren. In het kader van de als claims management geduide diensten schrijft [belanghebbende] voorts nieuwe verzekeringspolissen in.

4.7. De rechtbank is met partijen van oordeel dat de als de run-off services en claims management aangeduide diensten in wezen dezelfde handelingen betreffen, met dien verstande dat het claims management ook de inschrijving van nieuwe polissen behelst. Naar het oordeel van de rechtbank is dit verschil, dat ziet op een eenvoudige administratieve handeling, voor de toepassing van de in geding zijnde vrijstelling niet onderscheidend. De rechtbank zal bij de beoordeling van het geschil dan ook geen onderscheid maken tussen de als run-off services en claims management aangeduide diensten.

4.8. Bij de beantwoording van de vraag of [belanghebbende] ter zake van haar diensten een beroep kan doen op de vrijstelling, acht de rechtbank met name het (…) arrest J.C.M. Beheer BV richtinggevend. Daar is overwogen: ’dat het begrip '(met verzekering en herverzekering) samenhangende diensten, verricht door assurantiemakelaars en verzekeringsagenten' als vervat in artikel 13, B, sub a, van de Zesde richtlijn, enkel betrekking heeft op dienstverrichtingen van beroepsmatig actieve personen die zowel met de verzekeraar als met de verzekerde betrekkingen onderhouden.’ Het Hof van Justitie EG doelt daarbij op de betrekkingen tussen de verzekeringsagent en de partijen bij de verzekeringsovereenkomst tot de sluiting waarvan hij heeft bijgedragen (vgl. r.o. 19). [Daaruit] leidt de rechtbank af dat alleen personen die direct (in de hoedanigheid van agent) of indirect (in de hoedanigheid van subagent) bijdragen aan het sluiten van de verzekeringsovereenkomst, kunnen delen in de vrijstelling. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet [belanghebbende] niet aan deze voorwaarde. Weliswaar onderhoudt [belanghebbende] (directe) banden met de verzekeraar [A], maar zij heeft niet als (sub)agent direct of indirect een bijdrage geleverd aan het sluiten van de desbetreffende verzekeringsovereenkomsten. Onder die omstandigheden komt [belanghebbende] niet in aanmerking voor de vrijstelling.

4.9. De dienst die [belanghebbende] verricht is veeleer vergelijkbaar met die van de verzoeker in de zaak die heeft geleid tot het in 3.2. vermelde arrest Arthur Andersen. Daarin is als volgt overwogen:

’36. Zoals de Commissie van de Europese Gemeenschappen in haar schriftelijke opmerkingen heeft uiteengezet en de advocaat-generaal in punt 32 van zijn conclusie opmerkt, ontbreken voorts in casu kennelijk essentiële aspecten van de functie van verzekeringsbemiddeling, zoals het zoeken van nieuwe klanten en hen in contact brengen met de verzekeraar. Uit het verwijzingsarrest blijk immers, zonder dat dit door verweerster is weersproken, dat ACMC pas optreedt bij de behandeling van verzekeringsaanvragen die haar worden toegezonden door de tussenpersonen dankzij wie UL de Nederlandse markt voor levensverzekeringen verkent.’

Arthur Andersen, die in feite diensten verrichtte die vergelijkbaar zijn met de door [belanghebbende] als claims management geduide diensten, kwam niet in aanmerking voor de vrijstelling omdat haar diensten niet konden worden aangemerkt als kenmerkend en essentieel voor die van een verzekeringsagent nu zij geen nieuwe klanten aanbracht. Ook in deze zaak staat vast dat de handelingen van [belanghebbende] geen betrekking hebben op het zoeken en aanbrengen van nieuwe klanten. Daaruit volgt dat haar diensten, hoewel deze ontegenzeggelijk bijdragen aan de wezenlijke inhoud van de werkzaamheden van een verzekeringsagent, in dat kader niet kenmerkend en essentieel zijn.

4.10. Dat [belanghebbende] bij het afhandelen van claims binnen bepaalde bandbreedtes geen voorafgaande goedkeuring van [A] behoeft, doet aan het onder 4.9. overwogene niet af. Die bevoegdheid brengt immers niet mee dat sprake is van de vereiste betrekkingen.

4.11. Dat artikel 135, eerste lid, onderdeel a, van de Btw-richtlijn mogelijk gewijzigd gaat worden, doet aan het onder 4.9. overwogene evenmin af, nu dat (nog) geen geldend recht is. Er zijn geen aanwijzingen dat een dergelijke richtlijnwijziging enkel een verduidelijking behelst van het huidige artikel 135, eerste lid, onderdeel a, van de Btw-richtlijn en niet een uitbreiding daarvan.

4.12. Bij deze uitkomst, waarbij de toepassing van de vrijstelling reeds afstuit op grond van de vaststelling dat [belanghebbende] niet de vereiste betrekkingen onderhoudt, komt de rechtbank niet toe aan de beantwoording van de vraag of de termen assurantiemakelaar en verzekeringsagent in richtlijn 77192/EEG op dezelfde wijze moeten worden uitgelegd als in de Btw-richtlijn. Daarbij merkt de rechtbank op dat het antwoord op die vraag geen afbreuk doet aan hetgeen door het Hof van Justitie EG reeds is geoordeeld in de arresten J.C.M. Beheer en Arthur Andersen.

4.13. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt de rechtbank tot de conclusie dat de diensten van [belanghebbende] niet kunnen delen in de vrijstelling. Het gelijk is aan [de Inspecteur].

(…)”

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. Partijen houdt het antwoord op de vraag verdeeld of de diensten door belanghebbende delen in de verzekeringsvrijstelling, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

5.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop de standpunten steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot teruggaaf van het bedrag dat op aangifte is voldaan.

6.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. De rechtbank heeft naar ’s Hofs oordeel met juistheid beslist dat de verrichtingen door belanghebbende niet zijn vrijgesteld van omzetbelasting, in het bijzonder doordat zij met haar dienstverlening niet bijdraagt aan de totstandkoming van verzekeringen. De communautaire en daarmee de nationale verzekeringsvrijstelling heeft specifiek het oog op de handelingen bestaande in het sluiten van verzekeringsovereenkomsten, te weten diensten die bij uitstek door verzekeraars worden verricht, en het is juist vanwege die bedoeling, gelet ook op Europese en nationale rechtspraak, dat de vrijstelling wat betreft de met verzekering en herverzekering samenhangende diensten zich niet verder uitstrekt dan tot bepaalde door tussenpersonen of dergelijke beroepsbeoefenaren verrichte diensten die zijn aan te merken als het tot stand (trachten te) brengen van verzekeringen dan wel die in elk geval die handeling mede omvatten. Nu de in geding zijnde werkzaamheden, naar tussen partijen vaststaat, niet zijn te kwalificeren als zodanige diensten, mist de vrijstelling reeds daardoor toepassing.

7.2. Dat voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. Bijgevolg moet worden beslist zoals hierna is vermeld.

Proceskosten

Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 12 april 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.