Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ7075

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
26-04-2013
Zaaknummer
200.114.390-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vraag of de man onderhoudsplichtig is jegens de minderjarige leidt tot door het hof opgedragen afstammingsonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 30 januari 2013

Zaaknummer : 200.114.390/01

Rekestnummer rechtbank : F2 RK 12-650

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A.J.C. Nuijten te Barendrecht,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 3 oktober 2012 in hoger beroep gekomen van een beschik¬king van 4 juli 2012 van de rechtbank Rotterdam.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 21 december 2012 een brief van 20 december 2012 met bijlagen.

De zaak is op 17 januari 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat de man aan de moeder met ingang van 25 april 2007, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige], geboren [in 2004] te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige), voor wat betreft de na 4 juli 2012 te verschijnen termijnen telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren € 250,- per maand. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, hierna ook kinderalimentatie.

2. De man verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de moeder af te wijzen, althans de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum te stellen als het hof juist acht, rekening houdende met hetgeen door de man in zijn beroepschrift is aangevoerd, kosten rechtens.

3. De moeder verweer zich daartegen.

4. De man voert - kort samengevat - het volgende aan. De man is niet de biologische vader van de minderjarige, zodat hij ook niet onderhoudsplichtig is jegens hem. Indien en voor zover komt vast te staan dat hij wel de biologische vader van de minderjarige is, dient volgens hem het verzoek van de moeder om de kinderalimentatie met ingang van 25 april 2007 vast te stellen, te worden afgewezen wegens rechtsverwerking aan de zijde van de moeder. Daarnaast heeft de man in de periode van 25 april 2007 tot en met 2011 onvoldoende draagkracht om enige bijdrage te kunnen doen in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Op dit moment heeft de man een inkomen van afgerond € 2.047,- bruto per maand. Bij de berekening van zijn draagkracht dient echter rekening te worden gehouden met zijn huurlasten van € 400,- per maand, zijn premie zorgverzekering van € 120,- per maand, zijn volledige eigen risico zorgverzekering, en diverse schulden waarop de man aflost, waaronder de schuld aan de Dienst Uitvoering Onderwijs van € 67,- per maand, de aflossing op de schuld bij Santander Consumer Finance van € 10,- per maand, de schuld aan Prime Line van € 3.205,53 en de schuld aan zijn vorige verhuurder van € 496,73. De man acht dan ook redelijk dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening wordt gehouden met een bedrag van € 200,- per maand aan aflossing van schulden.

Voorts dient bij de bepaling van door hem aan de moeder te betalen kinderalimentatie rekening te worden gehouden met de draagkracht van de moeder. Nu de moeder geen inzage heeft gegeven in haar financiële gegevens kan de hoogte van de door de man aan haar te betalen kinderalimentatie niet worden berekend (het hof leest: omdat ieders aandeel niet berekend kan worden) en dient het verzoek van de moeder derhalve te worden afgewezen.

Indien het hof oordeelt dat de man voldoende draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige te voldoen, dient de ingangsdatum van deze verplichting te worden bepaald op de datum van de indiening van het verzoekschrift. De man was er immers niet mee bekend dat een procedure jegens hem aanhangig was, aangezien hij destijds aan het verhuizen was, reden waarom hij in eerste aanleg geen verweer heeft gevoerd. Voorts is namens de man ter zitting aangevoerd dat de behoefte van de minderjarige, gelet op de inkomens van partijen in 2004, € 135,- per maand bedraagt, geïndexeerd naar 2012 € 162,-. Ter zitting heeft de man voorts voorgesteld dat de moeder, indien uit een door het hof te gelasten DNA-onderzoek blijkt dat hij de vader van de minderjarige is, genoegen neemt met het tot op heden reeds door het LBIO geïnde bedrag aan kinderalimentatie voor de periode tot 1 juni 2013 en dat hij met ingang van 1 juni 2013 een bedrag van € 140,- per maand aan kinderalimentatie aan haar zal betalen.

5. De moeder heeft ter zitting de stelling van de man dat hij niet de biologische vader van de minderjarige is, betwist. Partijen hadden een bestendige relatie die door haar beëindigd is. Partijen hadden bij het beëindigen van hun relatie de afspraak gemaakt dat de man, zolang hij geen baan had, geen kinderalimentatie zou betalen en dat hij, zodra hij een baan zou hebben, € 75,- per maand aan kinderalimentatie zou betalen. Hij heeft inderdaad eenmalig € 75,- aan de moeder overgemaakt onder vermelding van de term “alimentatie”, aldus de moeder. Ter zitting heeft de moeder voorts te kennen gegeven in te stemmen met en haar medewerking te zullen verlenen aan het doen verrichten van een DNA-test. Voorts heeft de moeder ter zitting ingestemd met het door de man gedane voorstel ten aanzien van de kinderalimentatie, indien uit een door het hof te gelasten DNA-onderzoek blijkt dat hij de vader van de minderjarige is.

DNA-onderzoek

6. Het hof overweegt als volgt. Gelet op de stelling van de man, inhoudende dat hij noch de juridische, noch de biologische vader is van de minderjarige zodat hij op grond van artikel 1:395a van het Burgerlijk Wetboek niet onderhoudsplichtig is jegens hem en de stelling van de moeder dat hij wel de biologische vader is van de minderjarige, ziet het hof aanleiding om een deskundigenonderzoek te gelasten teneinde vast te stellen of de man de verwekker van de minderjarige is. Ter zitting hebben partijen beiden te kennen gegeven in te stemmen met en medewerking te zullen verlenen aan een dergelijk onderzoek, te weten een DNA-onderzoek. De man, de moeder en de minderjarige zullen hun medewerking hieraan moeten verlenen. Indien de man of de moeder en de minderjarige deze medewerking niet verlenen, kan het hof daaruit de gevolgtrekking maken die het geraden acht. De behandeling van de zaak zal daarom pro forma worden aangehouden tot zaterdag 30 maart 2013. Nu partijen beiden met een toevoeging procederen zal het hof bepalen dat geen voorschot wordt opgelegd en dat de kosten van het deskundigenonderzoek voorlopig ten laste van ’s Rijks kas zullen komen. In de eindbeschikking zal het hof aan de hand van de alsdan bekende feiten en omstandigheden een definitieve beslissing nemen over de vraag ten laste van wie deze kosten moeten worden gebracht.

7. De na te noemen deskundige wordt verzocht het DNA-onderzoek uit te voeren conform de accreditatie ISO 17025 norm. Voorts wordt de deskundige verzocht er zorg voor te dragen dat de afname van het DNA materiaal door of namens de deskundige ten kantore van de deskundige geschiedt na deugdelijke identificatie van zowel de man als de minderjarige en in het op te maken rapport blijk te geven van de wijze waarop deze identificatie heeft plaatsgevonden.

Kinderalimentatie

8. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie pro forma aanhouden.

9. Het hof beslist derhalve als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

bepaalt dat een DNA-onderzoek zal worden verricht ter beantwoording van de vraag of de man de verwekker is van [minderjarige], geboren [in 2004] te [geboorteplaats] en zo ja, met welke mate van waarschijnlijkheid;

bepaalt dat de man, de moeder en de minderjarige hun medewerking aan dit onderzoek zullen verlenen;

benoemt tot deskundige om voornoemd onderzoek op een door deze te bepalen plaats en tijd uit te voeren: dr. W. van Gils, verbonden aan Verilabs Nederland B.V., Einsteinweg 5, 2333 CC Leiden, telefoon 071-5284696, (www.verilabs.nl);

verzoekt deze deskundige het resultaat van het onderzoek aan het hof te doen toekomen, met vermelding van de kosten van het onderzoek;

bepaalt dat de kosten van dit onderzoek, begroot op € 650,-, door de griffier zullen worden betaald en voorhands ten laste van ’s Rijks kas zullen komen;

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze tussenbeschikking aan de deskundige zal toezenden;

bepaalt dat partijen in de gelegenheid zullen worden gesteld hun mening over het rapport aan het hof kenbaar te maken;

houdt de behandeling van de zaak pro forma aan tot zaterdag 30 maart 2013;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Kamminga en Sierksma, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2013.