Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ6864

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
11-04-2013
Zaaknummer
200.114.017/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen in bewindzaak; onvolkomenheden bestreden beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF Den Haag

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 16 januari 2013

Zaaknummer : 200.114.017/01

Rekestnrs. rechtbank : EJ VERZ 12-81708 en EJ VERZ 12-81440

De Stichting BUDGETZORG,

kantoorhoudende te Zoetermeer,

hierna te noemen: de bewindvoerder,

en

[de man],

wonende te Zoetermeer,

hierna te noemen: de rechthebbende,

verzoekers in hoger beroep,

advocaat mr. M. Shaaban te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Verzoekers zijn op 24 september 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 28 juni 2012 van de kantonrechter in de rechtbank ‘s-Gravenhage, locatie Delft.

Van de zijde van verzoekers zijn bij het hof op 23 oktober 2012 aanvullende stukken ingekomen.

Op 30 november 2012 is de zaak mondeling behandeld.

Verschenen zijn:

- namens de bewindvoerder: de heer J.G. Lenselink;

- [de man]; en

- mr. M. Shaaban.

De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking zijn de verzoeken van de bewindvoerder om toestemming voor het declareren op jaarbasis van extra werkzaamheden afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de beloning van de bewindvoerder.

2. De bewindvoerder en rechthebbende verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, alsnog het verzoek om vergoeding van de extra werkzaamheden toe te wijzen althans zodanig te beslissen als het hof in goede justitie juist acht.

Ontvankelijkheid rechthebbende

3. Het hof zal de bewindvoerder niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek in hoger beroep, voor zover hij dit verzoek namens de rechthebbende heeft gedaan, nu in beginsel alleen door de procespartijen in eerste aanleg hoger beroep kan worden ingesteld. Niet is gebleken dat de rechthebbende in eerste aanleg partij was. Van uitzonderingen op de voormelde algemene regel is ook niet gebleken.

Nietigheid van de bestreden beschikking

4. Het hof heeft de aanwezigen ter zitting in hoger beroep voorgehouden dat de bestreden beschikking niet voldoet aan de vereisten van artikel 230 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), welk artikel ingevolge artikel 287 lid 1 Rv van overeenkomstige toepassing is op een beschikking. In de bestreden beschikking worden de namen en de woonplaatsen van partijen en de namen van hun gemachtigden of advocaten niet genoemd.

5. De bewindvoerder heeft ter zitting gesteld dat de bestreden beschikking wel degelijk voldoet aan de vereisten van artikel 287 lid 1 j° artikel 230 lid 1 Rv. Het verzoekschrift in eerste aanleg is immers gehecht aan de bestreden beschikking en in dat verzoekschrift worden de namen van partijen en de namen van hun gemachtigden of advocaten genoemd. Bovendien wordt in de bestreden beschikking verwezen naar het verzoekschrift in eerste aanleg.

6. Het hof overweegt als volgt. De bestreden beschikking doet zich naar het uiterlijk voor als een de betrokkenen bindende en voor gerechtelijke tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke uitspraak. Het gesloten stelsel van in de wet geregelde rechtsmiddelen brengt mee dat de nietigheid van zodanige uitspraak uitsluitend door aanwending van het daartegen openstaande rechtsmiddel geldend kan worden gemaakt. Nu betrokkenen geen rechtsmiddel hebben ingesteld tegen de naar het oordeel van het hof gebrekkige beschikking, blijft de bestreden beschikking bindend.

7. Het hof zal thans tot de inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep overgaan.

Beloning bewindvoerder

8. De bewindvoerder stelt zich op het standpunt dat hij een vergoeding dient te krijgen voor de extra werkzaamheden die hij ter zake het bewind over de goederen van de rechthebbende heeft verricht. Volgens de bewindvoerder zijn er werkzaamheden verricht die niet tot de gewone werkzaamheden van een bewindvoerder behoren en kunnen deze werkzaamheden in rekening worden gebracht. Deze extra werkzaamheden, zo stelt de bewindvoerder, bestaan uit de problematische schuldsanering van de rechthebbende, het ingrijpen door de bewindvoerder gedurende de gijzeling van de rechthebbende en het beneficiair aanvaarden van een nalatenschap.

9. Ingevolge artikel 1:447 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan, voor zover thans van belang, de kantonrechter op grond van bijzondere omstandigheden, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de bewindvoerder of van de rechthebbende, voor bepaalde of onbepaalde tijd de beloning anders regelen dan bij de instelling of door de wet is aangegeven.

10. Het hof is van oordeel dat de bewindvoerder onvoldoende heeft onderbouwd dat de door hem aan het verzoek ten grondslag gelegde werkzaamheden, werkzaamheden zijn die het werk van de stichting als beroepsmatige bewindvoerder zodanig te buiten gaan dat die als bijzondere omstandigheid moeten worden aangemerkt op grond waarvan een hogere beloning moet worden vastgesteld. Zo heeft de bewindvoerder niet, dan wel onvoldoende, inzichtelijk gemaakt dat sprake zou zijn van een problematische schuldsanering. Voorts heeft hij niet inzichtelijk gemaakt hoeveel uren gemoeid zijn geweest met het ontslag uit de gijzeling van de rechthebbende. Het had op de weg van de bewindvoerder gelegen om deze door hem gestelde extra werkzaamheden door middel van een uren- en verrichtingenstaat inzichtelijk te maken. Dat hij dit heeft nagelaten, dient voor zijn rekening en risico te komen. Daarnaast acht het hof een beneficiaire aanvaarding van een nalatenschap op zichzelf niet een zodanig ingewikkelde en/of tijdrovende werkzaamheid dat die als extra werkzaamheid van de bewindvoerder kan worden aangemerkt. Het noodzakelijk extra overleg dat de bewindvoerder met de behandelend notaris zou hebben moeten voeren, is niet aannemelijk gemaakt. Overigens ontbreekt ook hiervan een uren- en verrichtingenstaat.

11. Het vorenstaande brengt mee dat het verzoek van de bewindvoerder in hoger beroep dient te worden afgewezen. Hieruit volgt dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

12. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de bewindvoerder niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep voor zover hij dit verzoek namens de rechthebbende heeft gedaan;

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stollenwerck, Labohm en Van der Burght, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2013.