Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ6856

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
11-04-2013
Zaaknummer
200.110.803-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie; (geen) draagkracht i.v.m. teruggang in inkomen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 30 januari 2013

Zaaknummer : 200.110.803/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 12-141

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J. Brouwer te Alphen aan den Rijn,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.A. Meijer te Alphen aan den Rijn.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 31 juli 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank

’s-Gravenhage van 2 mei 2012.

De vrouw heeft op 21 september 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 9 augustus 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 15 augustus 2012 een brief van 14 augustus 2012 met bijlagen;

- op 9 november 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de vrouw:

- op 13 november 2012 een brief van 12 november 2012 met bijlagen.

De zaak is op 22 november 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is het verzoek van de man tot nihilstelling van de kinderalimentatie afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen:

[naam], geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats];

[naam], geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats], en

[naam], geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats],

hierna: de minderjarigen.

2. De man verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat de vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding met ingang van 1 januari 2011 op nihil dient te worden gesteld, althans een zodanig bedrag als het hof in goede justitie juist acht, althans met ingang van een datum als het hof in goede justitie vaststelt.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Kinderalimentatie

Behoefte van de minderjarigen

4. Uit het overgelegde echtscheidingsconvenant van 21 januari 2010 blijkt dat partijen de behoefte van de minderjarigen hebben vastgesteld op € 390,- per maand per kind en daarbij zijn uitgegaan van een netto gezinsinkomen van € 4.000,- per maand. Het hof zal dan ook van dit bedrag uitgaan nu dit niet in geschil is.

Draagkracht van de man

5. De man stelt dat sprake is van een daling van inkomsten die zich in de toekomst voort zal zetten en van hoge (huwelijkse) schulden, waardoor zijn draagkracht negatief is.

6. De vrouw bestrijdt de stellingen van de man en stelt dat de man in staat is bij een gemiddelde werkweek van 25 uur een omzet van € 54.346,- (in 2011) te realiseren.

7. Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de onderneming van de man, [naam], vanaf 2011 te kampen had met omzet- en winstdaling. Door het vertrek van de vrouw en drie anderen uit de onderneming daalde het aantal gegeven lesuren en moest de man de administratie op zich nemen die voordien door de vrouw werd gedaan. Het hof acht voldoende aannemelijk dat de man, mede door de invloed die de (gevolgen van de) echtscheiding op hem heeft en de economische crisis, niet in staat is geweest om de onderneming op hetzelfde niveau rendabel te houden. Dat de resultaten van de onderneming daadwerkelijk zijn teruggelopen blijkt uit de door de man in hoger beroep overgelegde jaarrekening 2011 en cijfers 1e kwartaal 2012. De man heeft zich in juni 2012 tot de schuldhulpverlening gewend. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden waardoor het convenant van 21 januari 2010 niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Het hof zal beoordelen of de man draagkracht heeft om een bijdrage te voldoen.

8. Met ingang van september 2012 heeft de man de activiteiten van de onderneming gestaakt en is hij in dienst getreden als [beroep] bij [naam werkgever]. Uit de overgelegde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd blijkt dat de man gemiddeld 40 uur per week werkt tegen een salaris van € 2.150,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag. Het hof acht het niet onredelijk dat de man, gelet op de teruglopende omzet en de hoogte van zijn woonlasten, voor een baan in loondienst heeft gekozen. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de man waarschijnlijk in januari 2013 bij zijn werkgever met de door hem langgewenste opleiding tot [beroep] kan beginnen.

9. Met betrekking tot de lasten van de man houdt het hof rekening met de gegevens zoals deze door de man zijn opgenomen in zijn draagkrachtberekening die als productie 14 bij het appelschrift is overgelegd en met stukken is onderbouwd. Zelfs indien geen rekening wordt gehouden met de daarin opgenomen en door de vrouw weersproken kosten van de omgangsregeling, blijkt dat de man thans geen draagkracht heeft om enige bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen te kunnen voldoen. De bestreden uitspraak zal dan ook worden vernietigd.

Ingangsdatum

10. De man verzoekt de kinderalimentatie vanaf 1 januari 2011 op nihil te stellen. Vanaf deze datum heeft hij getracht in onderling overleg met de vrouw tot een gewijzigd bedrag ter zake de kosten van opvoeding en verzorging te komen, maar de vrouw heeft daar niet aan mee willen werken.

11. De vrouw stelt dat de man tot en met juni 2011 heeft betaald en dat zij pas op de datum van het verzoekschrift kennis heeft genomen van de gewenste wijziging.

12. Het hof acht het, gelet op de datum van indiening van het inleidend verzoek door de man, redelijk om de ingangsdatum vast te stellen op 1 januari 2012.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

bepaalt – met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2010 – de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2012 op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van de Poll, Van Dijk en Husson, bijgestaan door mr. Van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2013.