Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ6853

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
11-04-2013
Zaaknummer
200.109.235-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Griffierecht t.z.v. incidenteel appel; partneralimentatie; verdeling gemeenschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 9 januari 2013

Zaaknummer : 200.109.235/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-4103 + 8694

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. drs. R.P. Dielbandhoesing te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.H. Weermeijer te Delft.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 29 juni 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 2 april 2012 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De man heeft op 30 augustus 2012 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vrouw heeft op 15 oktober 2012 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 10 juli 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 9 augustus 2012 een brief van 8 augustus 2012 met bijlagen;

van de zijde van de man:

- op 24 oktober 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 9 november 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de echtscheiding uitgesproken en is – uitvoerbaar bij voorraad – de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw gesteld op nihil en de verdeling van de huwelijksgemeenschap, onder de voorwaarde dat de huwelijksgemeenschap wordt ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, als volgt vastgesteld:

- aan de man worden toebedeeld:

• de bij de man in zijn bezit zijnde inboedel, zonder nadere verrekening;

• de bankrekening op naam van de man bij de [naam bank] met nummer [rekeningnummer] zonder nadere verrekening;

• de bankrekening op naam van de man bij de [naam bank] met nummer [rekeningnummer] onder de verplichting van de man om de helft van een eventueel positief saldo per de peildatum (datum van de beschikking) aan de vrouw te vergoeden;

- aan de vrouw worden toebedeeld:

• de bij de vrouw in haar bezit zijnde inboedel, zonder nadere verrekening;

• de bankrekening op naam van de vrouw bij de [naam bank] met nummer [rekeningnummer] zonder nadere verrekening;

- bepaalt dat beide partijen ieder voor de helft draagplichtig is voor de schuld aan Wehkamp.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. In hoger beroep is gebleken dat de echtscheidingsbeschikking op 22 mei 2012 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

De man heeft op 30 augustus 2012 zijn verweerschrift in hoger beroep tevens (voorwaardelijk) incidenteel appel bij het hof ingediend. Krachtens artikel 3 lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zaken had de man er zorg voor moeten dragen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken nadien, derhalve uiterlijk op 2 oktober 2012, zou zijn bijgeschreven op de rekening van het hof dan wel ter griffie zou zijn gestort. Het griffierecht is echter pas op 29 oktober 2012 voldaan.

Ter zitting heeft de advocaat van de man verklaard het griffierecht te laat te hebben betaald. Na ontvangst van een eerste aanmaningsbrief heeft hij het bedrag echter overgemaakt, zodat hij van mening is dat de man wel dient te worden ontvangen in zijn incidenteel appel.

Het hof is van oordeel dat het de verantwoordelijkheid is van (de advocaat van) de man om binnen de door de wet gestelde termijn het griffierecht te betalen. Het beroep van de advocaat van de man op een door hem ontvangen aanmaningsbrief, waarin hem na het verstrijken van de termijn nog gelegenheid werd gegeven om alsnog het griffierecht te betalen, maakt dit niet anders. Dat brengt mee dat het hof het ingediende verweerschrift op grond van artikel 282a lid 3 in verbinding met artikel 362 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet bij zijn beslissing betrekt en dat de man niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn incidenteel appel.

Niet gebleken is van gronden voor toepassing van de hardheidsclausule van artikel 282a lid 4 Rv., zodat het hof de man in zijn incidenteel appel niet-ontvankelijk zal verklaren.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) en de vaststelling van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de vastgestelde partneralimentatie en de vastgestelde verdeling en, opnieuw beschikkende:

- te bepalen dat de man alsnog de aan- en verkoopbescheiden ter zake van het hem destijds in eigendom toebehorende appartementsrecht, staande en gelegen aan de [adres], zal overleggen opdat alsnog tot verdeling hiervan wordt overgegaan;

- de man te veroordelen aan de vrouw telkens bij vooruitbetaling een bijdrage van € 500,- per maand, dan wel een bijdrage die het hof juist acht, te voldoen met ingang van mei 2011, dan wel de dag waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;

- de man te bevelen al die bescheiden te overleggen, inclusief de laatste vijf aangiften Inkomstenbelasting en de definitieve aanslagen over de jaren 2006 tot en met 2010, waaruit zijn inkomens- en vermogenspositie blijkt;

- te bepalen dat de schuld aan Wehkamp uitsluitend aan de man wordt toebedeeld;

- te bepalen dat de proceskosten gecompenseerd worden.

3. De man bestrijdt het beroep en verzoekt de verzoeken van de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken af te wijzen, met bekrachtiging van de beschikking in eerste aanleg.

Partneralimentatie

Behoefte en behoeftigheid van de vrouw

4. De vrouw stelt behoefte te hebben aan partneralimentatie. Haar maandinkomen bedraagt € 750,- netto, zodat zij een inkomen onder het bestaansminimum heeft.

5. De man doet een beroep op de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. Partijen zijn al 29 jaar uit elkaar, zodat geen sprake is van lotsverbondenheid. Daarnaast is de man van mening dat de vrouw, gelet op haar inkomen, geen behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man in haar levensonderhoud. De vrouw heeft haar behoefte niet inzichtelijk gemaakt, zodat primair aangesloten moet worden bij 90 % van de beslagvrije voet en subsidiair bij de bijstandsnorm voor een alleenstaande. Daarnaast bestrijdt de man de behoeftigheid van de vrouw.

6. Het hof is van oordeel dat het feit dat partijen gedurende het grootste deel van hun huwelijk met wederzijds goedvinden niet hebben samengeleefd niet afdoet aan de wettelijke onderhoudsverplichting van (ex-)echtgenoten. Voorts is het hof van oordeel dat de rechtbank de behoefte van de vrouw op juiste gronden heeft vastgesteld; het hof neemt deze over.

Uit de financiële gegevens die van de zijde van de vrouw in hoger beroep zijn overgelegd en bij het hof op 9 augustus 2012 zijn ingekomen, blijkt een inkomen van de vrouw van ongeveer € 783,- netto per maand inclusief vakantiegeld. Nu het hof met de rechtbank van oordeel is dat de behoefte van de vrouw € 1.015,- per maand is, heeft de vrouw behoefte aan een aanvullende bijdrage in haar levensonderhoud door de man. Gelet op het feit dat uit de overgelegde financiële gegevens blijkt dat de vrouw met ingang van juni 2012 naast haar inkomen een aanvullende uitkering WWB ontvangt, is het hof van oordeel dat de behoeftigheid van de vrouw vaststaat.

Draagkracht van de man

7. De vrouw stelt dat de man wel degelijk draagkracht heeft om een bijdrage in haar levensonderhoud te voldoen. Zij bestrijdt de door hem overgelegde financiële gegevens.

8. De man bestrijdt dat hij draagkracht heeft. Uit de door hem in eerste aanleg overgelegde financiële gegevens blijkt dat hij geen enkele bijdrage kan betalen. In deze situatie is sinds de bestreden beschikking geen wijziging gekomen. Sterker nog, de huur van de man is inmiddels verhoogd.

9. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld dat de man geen draagkracht heeft om een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te voldoen; het hof neemt deze gronden over. De in hoger beroep overgelegde stukken geven geen aanleiding tot een ander oordeel. Evenmin is gebleken dat de door de man overgelegde aangiften 2010 en 2011 incorrect zijn.

10. Aangezien het hier gaat om een eerste vaststelling van partneralimentatie heeft de rechtbank ten onrechte de bijdrage op nihil gesteld en zal het hof de beschikking van de rechtbank vernietigen en het inleidend verzoek van de vrouw om een bijdrage in haar levensonderhoud alsnog afwijzen.

Verdeling huwelijksgemeenschap

Woning [adres]

11. De vrouw stelt dat de man de woning aan de [adres] gedurende het huwelijk heeft verkocht aan zijn vriendin en daarbij niet heeft opgegeven dat hij gehuwd was. Aldus is de vrouw de helft van de winst van de verkoop misgelopen. Zij wenst dit bedrag alsnog te ontvangen in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap.

12. De man bestrijdt dat de vrouw recht heeft op enige gelden voortvloeiend uit de verkoop van voormelde woning. Deze woning maakte immers op de peildatum geen deel meer uit van de huwelijksgoederengemeenschap.

13. Het hof overweegt als volgt. Nu tussen partijen vast staat dat de peildatum voor de bepaling van de omvang van de goederengemeenschap 22 mei 2012 is en de desbetreffende woning vóór die datum in eigendom is overgedragen, behoort deze woning niet tot de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap. Het hof zal het verzoek van de vrouw te dien aanzien afwijzen.

Wehkamp schuld

14. De vrouw is van mening dat de redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen het bij helfte moeten dragen van de schuld bij de Wehkamp die de man is aangegaan en waarop de vrouw geen enkele invloed heeft gehad en waarvan zij ook geen profijt heeft gehad.

15. De man is van mening dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat partijen in hun onderlinge verhouding dienen bij te dragen in schulden die tijdens de huwelijkse periode zijn aangegaan.

16. Het hof overweegt als volgt. Onweersproken is dat er op de peildatum (22 mei 2012) een schuld aan Wehkamp is. Nu op die peildatum sprake is van een gemeenschapsschuld zijn beide partijen daarvoor gelijk draagplichtig. De bestreden beschikking dient in zoverre te worden bekrachtigd. De man heeft ter zitting verklaard dat hij de schuld zal aflossen en de vrouw te dien aanzien zal vrijwaren. Het hof gaat ervan uit dat de man deze toezegging gestand zal doen.

Proceskosten

17. De man verzoekt het hof om de vrouw in de proceskosten te veroordelen aangezien de vrouw nodeloos in hoger beroep is gegaan.

18. De vrouw bestrijdt het verzoek van de man.

19. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten tussen partijen compenseren.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn incidenteel appel;

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in het levensonderhoud is bepaald op nihil en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud af;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Van Dijk en Burgers-Thomassen, bijgestaan door mr. Van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 januari 2013.