Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ6829

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
10-04-2013
Zaaknummer
22-001778-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BP8369, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:2963, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan medeplegen van een tweetal mishandelingen, waarvan één de dood ten gevolge heeft gehad. De verdachte heeft door zijn handelen de omstandigheden in het leven geroepen die het mogelijk maakten dat anderen de mishandeling pleegden. Ten gevolge van de mishandelingen is één van de slachtoffers drie dagen na het incident komen te overlijden. Het hof veroordeelt de verdachte tot negen maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/117

Uitspraak

Rolnummer: 22-001778-11

Parketnummer: 09-757801-10

Datum uitspraak: 9 april 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 maart 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 28 juni 2012, 12 juli 2012 en 26 maart 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair en subsidiair en 2 primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van het beslag is besloten zoals nader in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 04 mei 2010 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer 1]:

- (meermalen) (met kracht) met een (wapen)stok, althans een smal en/of langwerpig en/of hard voorwerp, op het hoofd en/of het lichaam geslagen en/of

- (meermalen) (met kracht) tegen/op het hoofd en/of het lichaam geschopt en/of

- (meermalen) (met kracht) (met gebalde vuist) tegen/op het lichaam geslagen,

tengevolge waarvan voornoemde die [slachtoffer 1] is overleden;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 04 mei 2010 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (ernstige kneuzingen), heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1] opzettelijk

- (meermalen) (met kracht) met een (wapen)stok, althans een smal en/of langwerpig en/of hard voorwerp, op het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of

- (meermalen) (met kracht) tegen/op het hoofd en/of het lichaam te schoppen en/of

- (meermalen) (met kracht) (met gebalde vuist) tegen/op het lichaam te slaan,

terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 04 mei 2010 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer 1]),

- (meermalen) (met kracht) met een (wapen)stok, althans een smal en/of langwerpig en/of hard voorwerp, op het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of

- (meermalen) (met kracht) tegen/op het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt en/of

- (meermalen) (met kracht) (met gebalde vuist) tegen/op het lichaam heeft geslagen, tengevolge waarvan deze is overleden, althans zwaar lichamelijk letsel (ernstige kneuzingen) heeft bekomen;

meest subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

een ander of anderen

op of omstreeks 04 mei 2010 te Zoetermeer

tezamen en in vereniging, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben voornoemde ander of anderen met dat opzet die [slachtoffer 1]:

- (meermalen) (met kracht) met een (wapen)stok, althans een smal en/of

langwerpig en/of hard voorwerp, op het hoofd en/of het lichaam geslagen en/of

- (meermalen) (met kracht) tegen/op het hoofd en/of het lichaam geschopt en/of

- (meermalen) (met kracht) (met gebalde vuist) tegen/op het lichaam geslagen,

tengevolge waarvan voornoemde die [slachtoffer 1] is overleden;

althans

aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (ernstige

kneuzingen), heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1] opzettelijk

- (meermalen) (met kracht) met een (wapen)stok, althans een smal en/of

langwerpig en/of hard voorwerp, op het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of

- (meermalen) (met kracht) tegen/op het hoofd en/of het lichaam te schoppen en/of

- (meermalen) (met kracht) (met gebalde vuist) tegen/op het lichaam te slaan,

terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad

althans

opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer 1]),

- (meermalen) (met kracht) met een (wapen)stok, althans een smal en/of

langwerpig en/of hard voorwerp, op het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of

- (meermalen) (met kracht) tegen/op het hoofd en/of het lichaam heeft geschopt en/of

- (meermalen) (met kracht) (met gebalde vuist) tegen/op het lichaam heeft geslagen,

ten gevolge waarvan deze is overleden;

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij op of omstreeks 04 mei 2010 te Zoetermeer

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam

is geweest, door

- met die ander of anderen mee te gaan naar en in de woning van die [slachtoffer 1] en/of

- tijdens bovenomschreven feit(en) in de woning aanwezig te blijven, aldus bijdragend tot een

numeriek overwicht ten opzichte van die [slachtoffer 1] en de aldaar aanwezige [slachtoffer 2] en/of

-tijdens bovenomschreven feiten niet fysiek of verbaal in te grijpen om die anderen te doen ophouden,

aldus de omstandigheden in het leven roepend die het mogelijk maakten dat die ander(en) dit/deze

feit(en) pleegden;

2.

hij op of omstreeks 04 mei 2010 te Zoetermeer, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (meermalen) (met een hard voorwerp) op het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer 2] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 04 mei 2010 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer 2]) (meermalen) (met een hard voorwerp) op het hoofd, althans het lichaam heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een ander of anderen op of omstreeks 04 mei 2010 te Zoetermeer,

ter uitvoering van het door voornoemde ander of anderen voorgenomen misdrijf om,

tezamen en in vereniging, althans alleen,

ter uitvoering van het door die ander(en) voorgenomen misdrijf om

aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet

(meermalen) (met een hard voorwerp) op het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer 2] heeft

geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans

opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer 2]) (meermalen) (met een hard voorwerp) op het hoofd,

althans het lichaam heeft/hebben geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of

pijn heeft ondervonden

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij op of omstreeks 04 mei 2010 te Zoetermeer tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of

inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door

- met die ander of anderen mee te gaan naar en in de woning van die [slachtoffer 2] en/of

- tijdens bovenomschreven feit(en) in de woning aanwezig te blijven, aldus bijdragend tot een

numeriek overwicht ten opzichte van die [slachtoffer 2] en de aldaar aanwezige [slachtoffer 1] en/of

-tijdens bovenomschreven feiten niet fysiek of verbaal in te grijpen om die anderen te doen ophouden,

aldus de omstandigheden in het leven roepend die het mogelijk maakten dat die ander(en) dit/deze

feit(en) pleegden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. De raadsman heeft daartoe - verkort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat, nu er in eerste aanleg sprake is geweest van een valse verstaansbeschikking, de strafvorderlijke overheid, waar het openbaar ministerie deel van uitmaakt, met grove veronachtzaming de belangen van de verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak te kort heeft gedaan. Hierdoor is het vervolgingsrecht komen te vervallen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Blijkens het vonnis van de rechtbank Arnhem d.d. 19 december 2012 (LJN: BY6615) kan worden vastgesteld dat de desbetreffende verstaansbeschikking onjuist is geweest, doch dat de rechter die de verstaansbeschikking heeft opgemaakt dit niet met opzet heeft gedaan. Hoewel de onjuiste verstaansbeschikking een onvolkomenheid is, waar het hof in een later stadium ook rekening mee zal houden, is deze onvolkomenheid niet van een zodanige aard dat daarmee met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak te kort zijn gedaan, te meer niet nu de onvolkomenheid heeft plaatsgevonden in het kader van de voorlopige hechtenis van de verdachte en de behandeling van de strafzaak zelf niet raakt. Het hof ziet dan ook geen grond om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte thans voor andere feiten wordt vervolgd dan die waarvoor zijn overlevering is toegestaan, terwijl de verdachte geen afstand van het specialiteitsbeginsel heeft gedaan, waardoor het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair en meest subsidiair en van het onder 2 subsidiair en meer subsidiair niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juni 2012 is nagenoeg hetzelfde verweer gevoerd en de thans aan dit verweer ten grondslag gelegde motivering, daarbij inbegrepen de motivering ten aanzien van de wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep, leidt het hof niet tot andere inzichten. Het hof overweegt dan ook - conform de beslissing genomen ter terechtzitting in hoger beroep van 12 juli 2012 - als volgt en verwijst daarnaar.

Het eerder overwogene kan naar 's hofs oordeel tot geen andere conclusie leiden dan dat er geen sprake is geweest van schending van het specialiteitsbeginsel met betrekking tot de overlevering van verdachte.

De verweren van de raadsman worden verworpen.

Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging van de verdachte, ook ter zake van het onder 1 meer subsidiair en meest subsidiair en van het onder 2 subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en subsidiair en onder 2 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - behoort te worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van het hof is evenmin wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 meer subsidiair en 2 subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte ook daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt hiertoe dat gelet op het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte zelf geweld heeft toegepast en evenmin dat er een nauwe en bewuste samenwerking heeft plaatsgevonden tussen de verdachte enerzijds en de plegers van het geweld jegens de slachtoffers anderzijds. Enerzijds acht het hof de verklaringen van [slachtoffer 2] onvoldoende betrouwbaar om daar geheel op af te gaan, anderzijds acht het hof de door de verdachte en [medeverdachte] gegeven verklaringen evenmin voldoende betrouwbaar om daar geheel op af te gaan.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meest subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. meest subsidiair

anderen op 04 mei 2010 te Zoetermeer tezamen en in vereniging, opzettelijk [slachtoffer 1],

- meermalen met kracht met een (wapen)stok op het hoofd en het lichaam hebben geslagen en

- meermalen met kracht tegen/op het hoofd heeft geschopt en

- meermalen met gebalde vuist tegen/op het lichaam heeft geslagen,

tengevolge waarvan deze is overleden;

tot en bij het plegen van welk misdrijf hij op 04 mei 2010 te Zoetermeer,

opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam

is geweest, door

- tijdens bovenomschreven feit in de woning aanwezig te blijven, aldus bijdragend tot een

numeriek overwicht ten opzichte van die [slachtoffer 1]

- tijdens bovenomschreven feit niet fysiek of verbaal in te grijpen om die anderen te doen ophouden,

aldus de omstandigheden in het leven roepend die het mogelijk maakten dat die anderen dit

feit pleegden;

2. meer subsidiair

anderen op 04 mei 2010 te Zoetermeer, opzettelijk [slachtoffer 2] meermalen (met een hard voorwerp) op het hoofd hebben geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden

tot en bij het plegen van welk misdrijf hij op 04 mei 2010 te Zoetermeer, opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest, door

- tijdens bovenomschreven feit in de woning aanwezig te blijven, aldus bijdragend tot een

numeriek overwicht ten opzichte van die [slachtoffer 2] en

- tijdens bovenomschreven feiten niet fysiek of verbaal in te grijpen om die anderen te doen ophouden,

aldus de omstandigheden in het leven roepend die het mogelijk maakten dat die anderen dit feit pleegden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging annex beoordeling van de gevoerde verweren

Alvorens de gevoerde verweren per feit te behandelen zal het hof allereerst ingaan op de betrouwbaarheid van de door het slachtoffer [slachtoffer 2] afgelegde verklaringen, zowel bij de politie als ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof stelt vast dat [slachtoffer 2] wisselende verklaringen heeft afgelegd ten aanzien van de toedracht van de geweldshandelingen die in de door haar en [slachtoffer 1] bewoonde woning hebben plaatsgevonden en het motief daarvoor. Daarnaast heeft [slachtoffer 2] geen openheid van zaken gegeven over de inhoud van door haar gevoerde en uitgewerkte telefoongesprekken kort nadat die geweldshandelingen hadden plaatsgevonden. Tenslotte heeft [slachtoffer 2] ontwijkend verklaard over de aard van de lading die [slachtoffer 1] op 2 mei 2010 had opgehaald bij de woning van de verdachte. Tegen die achtergrond acht het hof de verklaringen van [slachtoffer 2] niet betrouwbaar en worden deze niet voor het bewijs gebruikt.

Mishandeling van de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

Rol van de verdachte

De raadsman heeft aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat de verdachte louter in de woning van de slachtoffers aanwezig was om een gesprek te voeren en dat de mishandeling van de slachtoffers buiten toedoen van de verdachte heeft plaatsgevonden door onbekende derden, alsook dat de verdachte voorafgaand aan de mishandeling geen wetenschap heeft gehad dat de slachtoffers zouden worden mishandeld.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Gelet op het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof van oordeel dat - samengevat - gelet op de aanwezigheid van het DNA-profiel van [medeverdachte] op de wapenstok, waarmee het slachtoffer [slachtoffer 1] is geslagen, het aantreffen van die wapenstok in de auto van [medeverdachte], alsmede het aantreffen van de bloedsporen van het slachtoffer [slachtoffer 2] op de mouw van de jas van [medeverdachte] genoegzaam is komen vast te staan dat [medeverdachte] geweld heeft toegepast jegens de slachtoffers. Hoewel het hof niet met voldoende mate van zekerheid kan vaststellen dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte], dan wel andere aanwezigen, acht het hof de rol van de verdachte wel zodanig dat er sprake is van medeplichtigheid.

De verdachte met in zijn kielzog [medeverdachte] vormde één van de partijen die een belang had bij het gesprek dat in de woning van de slachtoffers heeft plaatsgevonden. Dit blijkt onder meer uit de omstandigheid dat [medeverdachte] sinds februari 2010 bij de verdachte inwoonde en beiden aanwezig waren bij het bezoek van beide slachtoffers in de woning van de verdachte op 2 mei 2010, alsook dat de verdachte aan [medeverdachte] op die dag de opdracht had gegeven om de tassen wiet in de achterbak van de auto van de slachtoffers te plaatsen. Blijkens de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 4 maart 2011 heeft de verdachte [medeverdachte] op 4 mei 2010 bovendien geroepen om mee te gaan naar de woning van de slachtoffers. Het hof is derhalve van oordeel dat in dit verband, gelet op de hechte band tussen de verdachte en [medeverdachte] en de dominante positie van de verdachte ten opzichte van [medeverdachte], op zijn minst sprake was van enige vorm van samenwerking. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is niet naar voren gekomen dat de verdachte, verbaal, dan wel fysiek, gepoogd heeft om [medeverdachte] te doen of te laten stoppen met de mishandelingen van de slachtoffers, terwijl dit, gelet op voornoemde relatie tussen de verdachte en [medeverdachte], redelijkerwijs wel van hem had kunnen worden gevergd. De verdachte heeft zich op geen enkele wijze gedistantieerd van de door [medeverdachte] gepleegde mishandelingen.

Het hof is dan ook van oordeel dat gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte heeft bijgedragen aan een numeriek overwicht ten opzichte van de slachtoffers en niet fysiek of verbaal heeft ingegrepen om de mishandeling van het slachtoffer te doen ophouden, waardoor de verdachte schuldig is aan medeplichtigheid aan het medeplegen van mishandeling en medeplichtigheid aan het medeplegen van mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

Causaal verband overlijden [slachtoffer 1]

De raadsman heeft aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat er geen causaal verband bestaat tussen het overlijden van het slachtoffer [slachtoffer 1] en het jegens hem toegepaste geweld. Hierbij voert de raadsman aan dat het slachtoffer [slachtoffer 1] zodanige ernstige hart- en vaatafwijkingen had dat hij elk moment, zonder enige specifieke aanleiding, zou kunnen te komen overlijden. Er kan derhalve niet worden gesteld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat het overlijden van het slachtoffer door iets anders dan het geweld is veroorzaakt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op 8 mei 2010 heeft dr. B. Kubat, arts-patholoog en verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, sectie verricht op het stoffelijk overschot van het slachtoffer [slachtoffer 1]. Voor zover hier van belang houdt het sectierapport in dat de bij het [slachtoffer 1] waargenomen letsels, te weten aan de benen, de armen, de voorzijde van de romp, op het behaarde hoofd en het gelaat talrijke, deels streepvormige en parallel verlopende (tramspoor patroon), deels uitgebreide, soms iets bruinige, onderhuidse bloeduitstortingen en oppervlakkige huidbeschadigingen, deels (op de borst en in het gelaat links) met een specifiek patroon, tekenen zijn van multipel en heftig, uitwendig, mechanisch, botsend geweld op het lichaam. De ouderdom van de letsels kan goed passen bij een incident enkele dagen voor het overlijden. Een deel van het letsel was veroorzaakt door botsend geweld met een smal, langwerpig en hard voorwerp, zoals bijvoorbeeld een stok. De letsels waren bij leven ontstaan en op zich niet dodelijk. Zij passen echter wel bij heftig geweld dat (indien bij bewustzijn toegepast) tot een stress toestand bij een slachtoffer leidt door emotionele factoren (angst) en door lichamelijke factoren.

Voorts was een vers hartinfarct opgetreden door een afsluiting in een van de kransslagaders. Het hartinfarct kan tijdens of vlak na het incident zijn ontstaan en kan hebben geleid tot een hartritmestoornis en zodoende tot het reanimatie behoeftig worden. Het is ook mogelijk dat het hartinfarct later is ontstaan. In dat geval kan het optreden van de reanimatie behoefte worden verklaard door een hartritmestoornis ten gevolge van zuurstoftekort door de kritieke conditie van de kransslagaders. De kritieke conditie van deze vaten is af te leiden uit het feit dat er een hartinfarct was opgetreden. Op grond van de verkregen informatie en de bevindingen van de sectie kan volgens de arts-patholoog het volgende worden overwogen danwel gesteld:

- het is bekend dat het oplopen van letsels zoals in het voorliggende geval leidt tot psychische en lichamelijke stress, met als een van de negatieve gevolgen hoge stresshormoonspiegels in het lichaam;

- het is bekend dat stress kan leiden tot hartklachten en hartbeschadiging en dat dit risico toeneemt indien het hart niet geheel gezond is bijvoorbeeld omdat er sprake is van aderverkalking en kransslagader verkalking (waarop de kans toeneemt met hogere leeftijd);

- in het voorliggende geval is uit de medische gegevens gebleken dat het slachtoffer toen hij reanimatie behoeftig was een hartritmestoornis had (ventrikelfibrilleren) en dat er tekenen waren van zuurstoftekort in het hart (hart ischemie);

- in het voorliggende geval is onder andere bij de sectie gebleken dat het risico op acute hartproblemen bij dit slachtoffer groot was wegens de preëxistente (tevoren bestaande) ziekelijke afwijkingen aan hart en vaten;

- gezien de ontvangen informatie over het tijdsverloop van het inwerken van het botsende geweld en het reanimatie behoeftig worden is het zeer aannemelijk dat het inwerken van het botsende geweld heeft geleid tot een stressituatie die het reanimatie behoeftig worden heeft uitgelokt/veroorzaakt.

De arts-patholoog dr. B. Kubat heeft uiteindelijk geconcludeerd dat het overlijden van het [slachtoffer 1] wordt verklaard door weefselschade en hartfalen, ontstaan door zuurstoftekort ten gevolge van de reanimatie behoeftige toestand.

Dr. B. Kubat heeft haar bevindingen en conclusie ter terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2013 bevestigd.

Uit de deskundigenverklaring van de cardioloog prof. dr. M.J. Schaly, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2013, valt af te leiden dat gelet op de preëxistente ziekelijke hart- en vaatafwijkingen van het slachtoffer er geen specifieke 'trigger' noodzakelijk hoeft te zijn geweest voor het overlijden van het slachtoffer. Volgens prof. dr. M.J. Schaly kan derhalve niet met absolute zekerheid worden vastgesteld of het ten gevolge van de mishandeling verhoogde stress niveau het slachtoffer uiteindelijk fataal is geworden en in zoverre de directe doodsoorzaak is geweest.

Naar het oordeel van het hof dient de beantwoording van de vraag of er een causaal verband bestaat tussen het jegens het slachtoffer uitgeoefende geweld en de dood van het slachtoffer te geschieden aan de hand van de maatstaf of die dood redelijkerwijs als gevolg van het toebrengen van dat geweld aan de verdachte kan worden toegerekend. Zodoende dient thans de vraag te worden beantwoord of de dood van het slachtoffer, gegeven diens zorgwekkende lichamelijke conditie, redelijkerwijs veroorzaakt is door het uitgeoefende geweld jegens het slachtoffer en daaraan kan worden toegerekend. Niet vereist is derhalve dat zijn dood uitsluitend het gevolg is geweest van het mishandelen en evenmin is vereist dat andere oorzaken volledig kunnen worden uitgesloten.

Naar het oordeel van het hof dient toepassing van voornoemde maatstaf tot de conclusie te leiden dat er sprake is van een causaal verband tussen de gedragingen van de geweldsplegers en de dood van het slachtoffer. De geweldsplegers hebben het slachtoffer fors mishandeld - de verdachte spreekt onder andere van schoppen en slaan met een wapenstok, al dan niet in het gezicht -, waardoor het slachtoffer, onder meer, verwondingen heeft opgelopen. Een dergelijke heftige mishandeling leidt volgens de deskundige dr. B. Kubat door emotionele factoren (angst) en door lichamelijke factoren zonder meer tot stress, dus tot een verhoogde stresstoestand, van welke stresstoestand het zeer aannemelijk is dat deze mishandeling het reanimatie behoeftig worden heeft uitgelokt/veroorzaakt, met alle gevolgen van dien, namelijk eerst zuurstoftekort en vervolgens hartfalen. De deskundige Schaly heeft die zienswijze wezenlijk niet weersproken.

Het hof is van oordeel dat gelet op het bovenstaande de niet uit te sluiten mogelijkheid dat het slachtoffer ook zonder de handelingen van de geweldsplegers zou zijn overleden niet aan de toerekening van de dood van het slachtoffer als gevolg van het uitgeoefende geweld jegens het slachtoffer in de weg staat.

De gedragingen van de verdachte en zijn medeverdachten kunnen derhalve een onmisbare schakel hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot de dood van het slachtoffer hebben geleid, alsmede is ook aannemelijk dat de dood van het slachtoffer met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid, gelet op de bevindingen van deskundige B. Kubat, door die gedraging is veroorzaakt. In de gegeven conditie van het slachtoffer was de gedraging van de verdachte en zijn medeverdachten immers geschikt om de dood van het slachtoffer teweeg te brengen.

De verweren van de raadsman worden verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 meest subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Medeplichtigheid aan medeplegen van mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.

Het onder 2 meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Medeplichtigheid aan medeplegen van mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden vrijgesproken ter zake van het onder 1 primair en subsidiair en 2 primair ten laste gelegde en ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde zal veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan medeplegen van een tweetal mishandelingen, waarvan één de dood ten gevolge heeft gehad. De verdachte heeft door zijn handelen de omstandigheden in het leven geroepen die het mogelijk maakten dat anderen de mishandeling pleegden.

Ten gevolge van de mishandelingen is één van de slachtoffers drie dagen na het incident komen te overlijden. De ernst van dit gebeuren spreekt voor zichzelf. Aan het slachtoffer is het leven ontnomen, terwijl aan diens nabestaanden onherstelbaar leed is toegebracht. De verdachte heeft met zijn handelwijze eraan bijgedragen dat ernstige inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Daarnaast is daardoor het gevoel van onveiligheid en angst in de samenleving versterkt.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zij het van beperkte duur vanwege de relatief beperkte rol van de verdachte en het ontbreken van opzet op het gevolg van het onder 1 meest subsidiair bewezenverklaarde.

Anderzijds houdt het hof ten voordele van verdachte rekening met het feit dat de verdachte door media en publiek op indringende wijze met de gevolgen van zijn handelwijze is geconfronteerd, alsook met de inval van een arrestatieteam in de woning van de verdachte in verband met zijn vermeende vuurgevaarlijkheid waarvan later overigens niet is gebleken, hetgeen grote indruk moet hebben gemaakt op zijn gezin. Voorts acht het hof de omstandigheid dat er met betrekking tot de onjuiste verstaansbeschikking sprake is geweest van een onvolkomenheid in de fase van de voorlopige hechtenis, eveneens aanleiding om de op te leggen straf te matigen.

Voor wat betreft het verloop van de onderhavige strafzaak overweegt het hof dat het tijdsverloop tussen het instellen van hoger beroep namens de verdachte (30 maart 2011) en de ontvangst van het dossier in hoger beroep (8 mei 2012), te weten meer dan zes maanden, zodanig is dat niet meer gezegd kan worden dat de behandeling in hoger beroep, heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het hof zal de overschrijding van bedoelde termijn verdisconteren in de strafmaat.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden een passende en geboden reactie vormt. Evenwel gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, zal het hof de duur van gevangenisstraf matigen en de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden opleggen.

Beslag

De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten 2.00 DS patroon, SAMSON UTRA soft point, elk 20 patronen en 9.00 STK patroon, KAL. 9 MM, in zakje, zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu deze bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte onder 1 meest subsidiair en 2 meer subsidiair begane misdrijf werden aangetroffen en deze aan verdachte toebehorende voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven, terwijl deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36d, 47, 48, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meest subsidiair en 2 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 meest subsidiair en 2 meer subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

2.00 DS patroon, SAMSON UTRA soft point, elk 20 patronen 9.00 STK patroon, KAL. 9 MM, in zakje.

Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman, mr. C.G.M. van Rijnberk en mr. H. van den Heuvel, in bijzijn van de griffier mr. A. Vasak.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 april 2013.

Mr. A. Vasak is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.