Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ6585

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-02-2013
Datum publicatie
08-04-2013
Zaaknummer
22-003098-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft, om zijn ondernemingen te kunnen financieren, een aantal aangiften omzetbelasting, van zijn B.V. en van zijn éénmanszaak, doelbewust onjuist gedaan.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-1011
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003098-12

Parketnummer: 09-997364-11

Datum uitspraak: 20 februari 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 8 juni 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortejaar] 1967,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 6 februari 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaren, in combinatie met een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.

[B.V.] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 mei 2010

in de gemeente Leiden en/of in de gemeente Waddinxveen en/of in de gemeente Apeldoorn en/of in de gemeente Amersfoort en/of in de gemeente Heerlen en/of in de gemeente Amsterdam, (telkens) (in elk geval) in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk

(een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n) als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak januari 2009 (ten name gesteld van [B.V.] (op omzetbelastingnummer [nr.]) en/of

een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak februari 2009 (ten name gesteld van [B.V.] (op omzetbelastingnummer [nr.]) en/of

een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak maart 2009 (ten name gesteld van [B.V.] (op omzetbelastingnummer [nr.]) en/of

een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak april 2009 (ten name gesteld van [B.V.] (op omzetbelastingnummer [nr.]) en/of

een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak mei 2009 (ten name gesteld van [B.V.] (op omzetbelastingnummer [nr.]) en/of

een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak juni 2009 (ten name gesteld van [B.V.] (op omzetbelastingnummer [nr.]) en/of

een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak juli 2009 (ten name gesteld van [B.V.] (op omzetbelastingnummer [nr.]) en/of

een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak augustus 2009 (ten name gesteld van [B.V.] (op omzetbelastingnummer [nr.]) en/of

een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak september 2009 (ten name gesteld van [B.V.] (op omzetbelastingnummer [nr.]) en/of

een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak oktober 2009 (ten name gesteld van [B.V.] (op omzetbelastingnummer [nr.]) en/of

een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak november 2009 (ten name gesteld van [B.V.] (op omzetbelastingnummer [nr.]) en/of

een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak december 2009 (ten name gesteld van [B.V.] (op omzetbelastingnummer [nr.]) en/of

een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak januari 2010 (ten name gesteld van [B.V.] (op omzetbelastingnummer [nr.]) en/of

een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak februari 2010 (ten name gesteld van [B.V.] (op omzetbelastingnummer [nr.]) en/of

een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak maart 2010 (ten name gesteld van [B.V.] (op omzetbelastingnummer [nr.])

(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan, immers heeft/hebben [B.V.] en/of (een of meer van) haar mededader(s) (telkens) opzettelijk op deze bij de Inspecteur der belastingen ingeleverde aangifte(n)

(telkens) een te laag, althans een onjuist, bedrag aan totaal te betalen omzetbelasting opgegeven en/of vermeld, althans doen of laten opgeven en/of vermelden,

en/of

(telkens) een te hoog, althans een onjuist, bedrag aan voorbelasting opgegeven en/of vermeld, althans doen of laten opgeven en/of vermelden,

en/of

zonder dat daaraan (een) factu(u)r(en) als bedoeld in art. 13., lid 1, onder a, jo. art. 35a van de Wet op de omzetbelasting ten grondslag lag/lagen,

terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven, (immers werd per saldo een teruggave van in totaal 29.702,-, althans enig geldbedrag bereikt)

tot het plegen van welk(e)bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) tezamen in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opdracht heeft/hebben gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) feitelijk leiding heeft/hebben gegeven;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2009 tot en met 31 mei 2010

in de gemeente Leiden en/of in de gemeente Waddinxveen en/of in de gemeente Apeldoorn en/of in de gemeente Amersfoort en/of in de gemeente Heerlen en/of in de gemeente Amsterdam, (telkens) (in elk geval) in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak december 2009 (ten name gesteld van (de eenmanszaak) [verdachte] (op omzetbelastingnummer [nr.2]) en/of

een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak januari 2010 (ten name gesteld van (de eenmanszaak) [verdachte] (op omzetbelastingnummer [nr.2]) en/of

een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak februari 2010 (ten name gesteld van (de eenmanszaak) [verdachte] (op omzetbelastingnummer [nr.2]) en/of

een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak maart 2010 (ten name gesteld van (de eenmanszaak) [verdachte] (op omzetbelastingnummer [nr.2])

en/of een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak april 2010 (ten name gesteld van (de eenmanszaak) [verdachte] (op omzetbelastingnummer [nr.2])

(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, althans heeft doen of laten doen door (een) ander(en),

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk op deze bij de Inspecteur der belastingen ingeleverde aangifte(n)

(telkens) een te laag, althans een onjuist, bedrag aan totaal te betalen omzetbelasting opgegeven en/of vermeld, althans doen of laten opgeven en/of vermelden, en/of

(telkens) een te hoog, althans een onjuist, bedrag aan voorbelasting opgegeven en/of vermeld, althans doen of laten opgeven en/of vermelden,

en/of zonder dat daaraan (een) factu(u)r(en) als bedoeld in art. 13, lid 1, onder a, jo. art. 35a van de Wet op de omzetbelasting lag/lagen,

terwijl dat/die feit(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven (immers werd per saldo een teruggave van in totaal 156.328,-, althans enig geldbedrag, bereikt).

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaren, in combinatie met een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsverweer

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep - op gronden als vermeld in de pleitnotities van de raadsman - betoogd dat de verdachte behoort te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, nu hij - zakelijk weergegeven - nooit het opzet (ook niet in voorwaardelijke zin) heeft gehad op het doen van onjuiste aangiften.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. Het is een feit van algemene bekendheid dat het recht op teruggave van omzetbelasting eerst ontstaat ná afdracht hiervan. De verdachte, die zowel de aangiften voor zijn B.V. als die voor zijn eenmanszaak heeft ingevuld en die zelf de constructie met de zogenaamde 'future' contracten heeft bedacht, heeft op grond van de in dezelfde maand tussen zijn beide ondernemingen over en weer verstuurde facturen ter zake van die contracten (inclusief in rekening gebrachte omzetbelasting) telkens uitsluitend de van de belastingdienst terug te ontvangen voorbelasting op de aangiften vermeld en niet tevens de aan de belastingdienst af te dragen belasting. De verdachte wist bovendien in het onderhavige geval dat de verzender van de facturen (respectievelijk zijn B.V. of zijn éénmanszaak) géén omzetbelasting had afgedragen, zodat van een recht op teruggave nog geen sprake kon zijn. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat verdachte de bedoeling heeft gehad de verschuldigde omzetbelasting op een hem conveniërend moment in de toekomst alsnog aan te geven en af te dragen, heeft hij door het op deze wijze selectief opgeven van bedragen de belastingdienst in wezen gebruikt als financier van zijn ondernemingen. Het hof is van oordeel dat deze wijze van financiering van ondernemingen zeer ongebruikelijk is. Door op deze wijze gebruik te maken van zogenaamde 'future' contracten bediende de verdachte zich van een dermate buitenissige constructie, dat hij, door te verzuimen tevoren contact op te nemen met de Belastingdienst over de toelaatbaarheid van deze constructie, willens en wetens de aanmerkelijke kans op de onjuistheid van de aangiften heeft aanvaard en op de koop toe heeft genomen. Naar het oordeel van het hof handelde de verdachte derhalve minst genomen met voorwaardelijk opzet, zodat het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

[B.V.] in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 mei 2010 in Nederland, telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak december 2009 (ten name gesteld van [B.V.] (op omzetbelastingnummer [nr.]) en een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak januari 2010 (ten name gesteld van [B.V.] (opomzetbelastingnummer [nr.]) en een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak februari 2010 (ten name gesteld van [B.V.] (op omzetbelastingnummer [nr.]) en een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak maart 2010 (ten name gesteld van [B.V.] (op omzetbelastingnummer [nr.])

telkens onjuist heeft gedaan, immers heeft [B.V.] telkens opzettelijk op deze bij de Inspecteur der belastingen ingeleverde aangiften

telkens een onjuist bedrag aan totaal te betalen omzetbelasting opgegeven

terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feiten verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;

2.

hij in de periode van 1 december 2009 tot en met 31 mei 2010 in Nederland, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak december 2009 (ten name gesteld van (de eenmanszaak) [verdachte] (op omzetbelastingnummer [nr.2]) en

een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak januari 2010 (ten name gesteld van (de eenmanszaak) [verdachte] (op omzetbelastingnummer [nr.2]) en

een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak februari 2010 (ten name gesteld van (de eenmanszaak) [verdachte] (op omzetbelastingnummer [nr.2]) en

een aangifte voor de omzetbelasting over het aangiftetijdvak maart 2010 (ten name gesteld van (de eenmanszaak) [verdachte] (op omzetbelastingnummer [nr.2])

telkens onjuist heeft gedaan,

immers heeft verdachte telkens opzettelijk op deze bij de Inspecteur der belastingen ingeleverde aangiften

telkens een onjuist bedrag aan totaal te betalen omzetbelasting opgegeven

terwijl dat feit er telkens toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven,meermalen gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging,

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft, om zijn ondernemingen te kunnen financieren, een aantal aangiften omzetbelasting, van zijn B.V. en van zijn éénmanszaak, doelbewust onjuist gedaan. Hij heeft hiermee bewerkstelligd dat de Belastingdienst niet in staat is geweest juiste belastingaanslagen op te leggen. Dientengevolge is te weinig belasting afgedragen, waarmee de overheid is benadeeld. Ook is door zijn toedoen de concurrentie vervalst met in dezelfde markt opererende ondernemingen die zich niet hebben laten verleiden tot deze 'gratis' financieringsmethode. De omstandigheid dat het hof - in afwijking van de eerste rechter - van een kleiner aantal aangiften de onjuistheid bewezen heeft verklaard, doet niet af aan het verwerpelijke karakter van het handelen van de verdachte. Het hof is om die reden dan ook van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf, in combinatie met een taakstraf van na te melden duur - zoals door de eerste rechter opgelegd en gevorderd door de advocaat-generaal - een passende en geboden reactie vormen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Borgesius,

mr. J.M. Reinking en mr. A.V. van den Berg, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 februari 2013.