Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ6542

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
08-04-2013
Zaaknummer
22-000050-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BU9238, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met twee andere maten in een advocatenmaatschap gedurende een aantal jaren schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en aan een ergerlijke vorm van belastingfraude.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Voorts wordt de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 50.000,00 (vijftigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 285 (tweehonderdvijfentachtig) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-1733
NJFS 2013/116

Uitspraak

Rolnummer: 22-000050-12

Parketnummer: 09-997126-09

Datum uitspraak: 2 april 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 december 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 15 februari 2013 en 19 maart 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 23.000,-, subsidiair 150 dagen hechtenis, alsmede tot een taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Voorts is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

[maatschap] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2003 tot en met 31 maart 2006 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) geschriften (bedrijfsadministratie) die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen (telkens) opzettelijk valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken en/of doen vervalsen, hebbende genoemde rechtspersoon en/of haar mededader(s) toen daar (telkens) opzettelijk in de bedrijfsadministratie van [maatschap], zijnde (telkens) een samenstel van geschriften bestemd om tot bewijs van het daarin vermelde te dienen, (telkens)

A.) (een) valse en/of vervalste (order)bon(nen) en/of (een) valse en/of vervalste factu(u)r(en) en/of (een) valse en/of vervalste rekening(en) te weten

1. een bon op naam van [bedrijf 1]

gedateerd 1 februari 2003

gericht aan [maatschap]

totaal euro 624,50 (inclusief 99,71 btw)

(bijlage D/198)

en/of

2. een factuur op naam van [bedrijf 2]

gedateerd 10 juli 2003

gericht aan [maatschap] t.a.v. [medeverdachte 1]

totaal euro 3.062,47 (btw euro 488,97)

(bijlage D-86-c)

en/of

3. een factuur op naam van [bedrijf 3]

gedateerd 3 oktober 2003

gericht aan [maatschap]

totaal euro 3.240,00 (btw euro 517,31)

(bijlage D-199)

en/of

4. een factuur op naam van [bedrijf 4]

gedateerd 31 oktober 2003

gericht aan [maatschap], [verdachte]

totaal euro 1.571,75 (btw euro 250,95)

(bijlage D-234)

en/of

5.

een factuur op naam van [bedrijf 2]

gedateerd 5 februari 2004

gericht aan [maatschap], t.a.v. [medeverdachte 1] totaal euro 2.270,52 (btw euro 362,52)

(bijlage D/081 A)

en/of

6. een factuur op naam van [bedrijf 5]

gedateerd 3 maart 2004

gericht aan [maatschap], t.a.v. [verdachte]

totaal euro 277,27 (btw euro 44,27)

(bijlage D-205)

en/of

7. een factuur op naam van [bedrijf 6]

gedateerd 22 maart 2004

gericht aan [maatschap]

totaal euro 3.165,40 (btw euro 505,40)

(bijlage D-134 A)

en/of

8. een rekening op naam van [bedrijf 7]

gedateerd 6 april 2004

gericht aan [maatschap]

totaal euro 123,75 (btw euro 19,76)

(bijlage D/009-1 A)

en/of

9. een rekening op naam van [bedrijf 7]

gedateerd 1 april 2004

gericht aan [maatschap], [medewerkster]

totaal euro 626,75 (btw euro 100,07)

(bijlage D/003-1 A)

en/of

10. een rekening op naam van [bedrijf 7]

gedateerd 19 april 2004

gericht aan [maatschap], [medewerkster]

totaal euro 768,51 (btw euro 122,70) (bijlage D/006-1 A)

en/of

11. een factuur op naam van [bedrijf 8]

gedateerd 12 juni 2004

gericht aan [maatschap], t.a.v. [medeverdachte 2] totaal euro 681,00 (btw euro 108,73)

(bijlage D/088-a)

en/of

12. een factuur op naam van [bedrijf 9]

gedateerd 17 augustus 2004

gericht aan [maatschap]

totaal euro 2.462,11 (btw euro 393,11)

(bijlage D/029-a)

en/of

13.

een factuur op naam van [bedrijf 10]

gedateerd 21 augustus 2004

gericht aan [maatschap]

totaal euro 305,00 (btw euro 48,70)

(bijlage D/212)

en/of

14. een factuur op naam van [bedrijf 11]

gedateerd 24 september 2004

gericht aan [maatschap], t.a.v. [medeverdachte 2] totaal euro 1.070,00 (btw euro 170,84)

(bijlage D/035 B)

en/of

15. een factuur op naam van [bedrijf 11]

gedateerd 5 november 2004

gericht aan [maatschap], t.a.v. [medeverdachte 2] totaal euro 880,58 (btw euro 140,60)

(bijlage D/038 A)

en/of

16. een factuur op naam van [bedrijf 12]

gedateerd 13 december 2004

gericht aan [maatschap], t.a.v. [verdachte]

totaal euro 2.380,00 (btw euro 380,00)

(bijlage D/227)

en/of

17. een factuur op naam van [bedrijf 12]

gedateerd 13 december 2004

gericht aan [maatschap], t.a.v. [medeverdachte 2] totaal euro 2.380,00 (btw euro 380,00)

(bijlage D/226)

en/of

18. een factuur op naam van [bedrijf 11]

gedateerd 31 maart 2005

gericht aan [maatschap], t.a.v. [medeverdachte 2] totaal euro 407,12 (btw euro 65,00)

(bijlage D/047-1 A)

en/of

19. een factuur op naam van [bedrijf 2]

gedateerd 31 maart 2005

gericht aan [maatschap] T.a.v. [medeverdachte 1] totaal euro 4.727,87 (btw euro 754,87)

(bijlage D-83-c)

en/of

20. een factuur op naam van [bedrijf 13]

gedateerd 21 juli 2005

gericht aan [maatschap]

totaal euro 1.342,20 (btw euro 214,30)

(bijlage D/120 A)

en/of

21.

een orderbon op naam van [bedrijf 14]

gedateerd 31 augustus 2005

gericht aan [maatschap] t.a.v. [verdachte]

totaal euro 570,00 (btw euro 91,01)

(bijlage D/220)

en/of

22. een factuur op naam van [bedrijf 15]

gedateerd 27 september 2005

gericht aan [maatschap] T.a.v. [verdachte]

totaal euro 4.159,23 (btw euro 664,08)

(bijlage D-057 A)

en/of

23. een factuur op naam van [bedrijf 15]

gedateerd 24 november 2005

gericht aan [maatschap] T.a.v. [medeverdachte 2]

totaal euro 2.510,00 (btw euro 400,76)

(bijlage D-063 A)

en/of

24. een factuur op naam van [bedrijf 15]

gedateerd 28 december 2005

gericht aan [maatschap] T.a.v. [medeverdachte 2]

totaal euro 1.278,14 (btw euro 204,08)

(bijlage D-066 A)

en/of

25. een factuur op naam van [bedrijf 15]

gedateerd 31 januari 2006

gericht aan [bedrijf 16] T.a.v. [medeverdachte 2]

totaal euro 921,17 (btw euro 147,08)

(bijlage D-069 A)

en/of

26. een factuur op naam van [bedrijf 15]

gedateerd 10 maart 2006

gericht aan [bedrijf 16] T.a.v. [medeverdachte 2]

totaal euro 4.277,17 (btw euro 682,93)

(bijlage D-072 A),

en/of

B.

(een) valse en/of vervalste boekingen op/in de/het grootboek(rekening) "te vorderen BTW hoog" (totaal euro 6.896,30 (AH-57 Bijlage 9), althans euro 6.434,34 (OPV-A Bijlage 2), in elk geval een of meerdere geldbedrag(en)(aan te vorderen btw)) opgenomen en/of geboekt en/of verwerkt en/of doen opnemen en/of doen boeken en/of doen verwerken door (een) ander(en),

bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en)

onder ad A.) genoemd (telkens) hierin - zakelijk

weergegeven - dat (telkens) valselijk in strijd met de waarheid

* op/in die (order)bon(nen) en/of factu(u)r(en) en/of rekening(en) door de vermelding en/of adressering [maatschap] en/of [adres maatschap 1] en/of [adres maatschap 2] en/of [adres maatschap 3] werd voorgedaan dat [maatschap], gevestigd op het adres [adres maatschap] afneemster was van de geleverde goederen en/of verrichte diensten, terwijl in werkelijkheid de levering(en) plaatsvond(en) en/of dienst(en) verricht was / waren / werd(en) op / aan het / de adres(sen) / woning(en) / appartement

[adres 1](woning [medeverdachte 1]) en/of

[adres 2](woning [verdachte]) en/of [adres 3] (appartement [verdachte]) en/of

[adres 4](woning [medeverdachte 2]),

en/of

[medeverdachte 1] (1. en/of 2. en/of 5. en/of 19.) en/of [verdachte] (3. en/of 4. en/of 6. en/of 12. en/of 13. en/of 16. en/of 20. en/of 21. en/of 22.) en/of

[medeverdachte 2] (7. en/of 8. en/of 9. en/of 10. en/of 11. en/of 14. en/of 15. en/of 17. en/of 18. en/of 23. en/of 24. en/of 25. en/of 26.)

de afne(e)m(st)er(s) van de/het geleverde goed(eren) en/of de verrichte dienst(en) betrof(fen), in elk geval was [maatschap] niet de afnemer van de/het geleverde goed(eren) of van de verrichte dienst(en),

en/of

* op/in de onder 7. genoemde factuur was opgenomen en/of vermeld "Betreft: DA/[adres maatschap]", terwijl in werkelijkheid genoemde factuur betrekking had op "het aanpassen van de cv-installatie t.b.v. het pand aan de [adres 4]",

en/of

* op/in de onder 15. genoemde factuur was opgenomen en/of vermeld als omschrijving "Div. kantoorverlichting", terwijl in werkelijkheid genoemde factuur betrekking had op "gordijnen" (voor de woning [adres 4]),

en/of

* op/in de onder 18. genoemde factuur was opgenomen en/of vermeld als omschrijving "Geleverde verlichting", terwijl in werkelijkheid genoemde factuur betrekking had op gordijnstof (6 mtr Saba 1-6244-261) en/of een embrasse (voor de woning [adres 4]),

en/of

* op/in de onder 22. genoemde factuur als "project" was opgenomen en/of vermeld "advies herinrichting", terwijl in werkelijkheid genoemde factuur betrekking had op het "project" "Renovatie appartement" ([adres 3]),

en/of

bestaande die valshe(i)d(en) en/of vervalsing(en) onder ad B.) genoemd (telkens) hierin dat die/dat aftrek van voorbelasting en/of (te vorderen) btw-bedrag(en) geen betrekking had(den) op verschuldigde belasting ter zake van leveringen van goederen en/of verleende diensten aan genoemde [maatschap], (in werkelijkheid betrof(fen) dit voorbelasting en/of btw-bedrag(en) gefactureerd en/of in rekening gebracht aan [medeverdachte 1] en/of [verdachte] en/of [medeverdachte 2], (in privé, in elk geval niet als ondernemer)), zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die (samenstel van) geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door ander(en) te doen gebruiken,

hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) tot (het) vorenstaande feit(en) opdracht gegeven en/of feitelijke leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en);

2.

[maatschap] op (een) of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2003 tot en met 30 april 2006 te 's-Gravenhage en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [maatschap] ([fiscaal nummer 1]) betreffende het/de aangiftetijdvak(ken) februari 2003 en/of juli 2003 en/of oktober 2003 en/of januari 2004 en/of februari 2004 en/of maart 2004 en/of april 2004 en/of mei 2004 en/of juni 2004 en/of juli 2004 en/of augustus 2004 en/of september 2004 en/of oktober 2004 en/of november 2004 en/of december 2004 en/of maart 2005 en/of juli 2005 en/of augustus 2005 en/of september 2005 en/of november 2005 en/of december 2005 en/of februari 2006 en/of maart 2006, in elk geval betreffende een of meer aangiftetijdvak(ken) gelegen in bovengenoemde periode, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, en/althans heeft doen of laten doen door (een) ander(en), immers heeft/hebben genoemde [maatschap] en/of haar mededader(s) op/in het/de bij/naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te 's-Gravenhage en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland ingeleverde / gezonden aangifte(n) / aangiftebiljet(ten) voor de omzetbelasting (telkens) een te hoog bedrag aan voorbelasting en/of een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(en) doen of laten opgeven en/of vermelden, terwijl dat/die feit(en) er toe strekt/strekken dat (telkens) te weinig belasting wordt geheven,

hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) tot (het) vorenstaande feit(en) opdracht gegeven en/of feitelijke leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en);

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op (een) of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2003 tot en met 30 april 2006 te

's-Gravenhage en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met de [maatschap] en/of (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van

[maatschap] ([fiscaal nummer 1]) betreffende het/de aangiftetijdvak(ken) februari 2003 en/of juli 2003 en/of oktober 2003 en/of januari 2004 en/of februari 2004 en/of maart 2004 en/of april 2004 en/of mei 2004 en/of juni 2004 en/of juli 2004 en/of augustus 2004 en/of september 2004 en/of oktober 2004 en/of november 2004 en/of december 2004 en/of maart 2005 en/of juli 2005 en/of augustus 2005 en/of september 2005 en/of november 2005 en/of december 2005 en/of februari 2006 en/of maart 2006, in elk geval betreffende een of meer aangiftetijdvak(ken) gelegen in bovengenoemde periode, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, en/althans heeft doen of laten doen door (een) ander(en), immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s) op/in het/de bij/naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te

's-Gravenhage en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland ingeleverde / gezonden aangifte(n) / aangiftebiljet(ten) voor de omzetbelasting (telkens) een te hoog bedrag aan voorbelasting en/of een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(en) doen of laten opgeven en/of vermelden, terwijl dat/die feit(en) er toe strekt/strekken dat (telkens) te weinig belasting wordt geheven;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op (een) of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2003 tot en met 30 april 2006 te

's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (een) (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten name van [maatschap] ([fiscaal nummer 1]) betreffende het/de aangiftetijdvak(ken) februari 2003 en/of juli 2003 en/of oktober 2003 en/of januari 2004 en/of februari 2004 en/of maart 2004 en/of april 2004 en/of mei 2004 en/of juni 2004 en/of juli 2004 en/of augustus 2004 en/of september 2004 en/of oktober 2004 en/of november 2004 en/of december 2004 en/of maart 2005 en/of juli 2005 en/of augustus 2005 en/of september 2005 en/of november 2005 en/of december 2005 en/of februari 2006 en/of maart 2006, in elk geval betreffende een of meer aangiftetijdvak(ken) gelegen in bovengenoemde periode, zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, en/althans valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen door (een) ander(en), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) toen en daar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid

- zakelijk weergegeven - op/in dat/die (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting (telkens) een te hoog bedrag aan voorbelasting en/of een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting geschreven en/of opgegeven en/of vermeld,en/althans door die/een ander(en) doen of laten schrijven en/of opgeven en/of vermelden, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

3.

[B.V. 1 verdachte] en/of [B.V. 2 verdachte] (welke rechtspersonen deel uit maakten van de fiscale eenheid

[B.V. 1 verdachte] ([fiscaal nummer 2])) op of omstreeks 24 mei 2006 en/of 27 april 2007, in elk geval op (een) of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 mei 2006 tot en met 27 april 2007, te 's-Gravenhage en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met elkaar en/of met (een) ander(en), althans genoemde rechtspersoon alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (digitale) aangifte(n) Vennootschapsbelasting ten name van (de fiscale eenheid) [B.V. 1 verdachte] ([fiscaal nummer 2]) over de/het ja(a)r(en) 2004 (boekjaar 01-2004 - 12-2004) en/of 2005 (boekjaar 01-2005 - 12-2005) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, en/althans heeft doen of laten doen door ((een) medewerk(st)er(s) van) [belastingadviseurs], in elk geval (een) ander(en), immers heeft/hebben genoemde rechtsperso(o)n(en) en/of haar/hun mededader(s) op/in het/de bij/naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te 's-Gravenhage en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland ingeleverde / gezonden aangifte(n) / aangiftebiljet(ten) voor de Vennootschapsbelasting (telkens) geen bedrag aan "aan dividend(belasting) onderworpen winstuitdeling" en/of (telkens) een te laag belastbaar bedrag opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(en) doen of laten opgeven en/of vermelden, terwijl dat/die feit(en) er toe strekt/strekken dat (telkens) te weinig belasting wordt geheven, hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) tot (het) vorenstaande feit(en) opdracht gegeven en/of feitelijke leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en);

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 mei 2006 en/of 27 april 2007, in elk geval op (een) of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 mei 2006 tot en met 27 april 2007, te

's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (een) (digitale) aangifte(n) voor de Vennootschapsbelasting ten name van (de fiscale eenheid) [B.V. 1 verdachte] ([fiscaal nummer 2]) over de/het ja(a)r(en) 2004 (boekjaar 01-2004 - 12-2004) en/of 2005 (boekjaar 01-2005 - 12-2005) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, en/althans valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen door ((een) medewerk(st)er(s) van) [belastingadviseurs], in elk geval (een) ander(en), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) toen en daar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - op/in dat/die (digitale) aangifte(n) voor de Vennootschapsbelasting (telkens) geen bedrag aan "aan dividend(belasting) onderworpen winstuitdeling" en/of (telkens) een te laag belastbaar bedrag geschreven en/of opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(en) doen of laten schrijven en/of opgeven en/of vermelden, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

4.

hij op of omstreeks 7 juni 2005 en/of 1 mei 2006, in elk geval op (een) of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 juni 2005 tot en met 1 mei 2006, te

's-Gravenhage en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (digitale) aangifte(n) Inkomstenbelasting premie volksverzekeringen ten name van hem, verdachte, ([verdachte]) ([burgerservicenummer]) over de/het (belasting)ja(a)r(en) 2004 en/of 2005, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, en/althans heeft doen of laten doen door ((een) medewerk(st)er(s) van)

[belastingadviseurs], in elk geval (een) ander(en), immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn, verdachtes, mededader(s) op/in het/de bij/naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te

's-Gravenhage en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland ingeleverde / gezonden aangifte(n) / aangiftebiljet(ten) voor de Inkomstenbelasting premie volksverzekeringen (telkens) geen "inkom(st)en uit aanmerkelijk belang" en/of (telkens) een te laag verzamelinkomen en/of een te laag belastbaar bedrag opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(en) doen of laten opgeven en/of vermelden, terwijl dat/die feit(en) er toe strekt/strekken dat (telkens) te weinig belasting wordt geheven;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 juni 2005 en/of 1 mei 2006, in elk geval op (een) of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 februari 2005 tot en met 1 mei 2006, te

's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (een) (digitale) aangifte(n) voor de Inkomstenbelasting premie volksverzekeringen ten name van hem, verdachte, ([verdachte]) ([burgerservicenummer]) over de/het (belasting)ja(a)r(en) 2004 en/of 2005, zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, en/althans valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen door ((een) medewerk(st)er(s) van) [belastingadviseurs], in elk geval (een) ander(en), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) toen en daar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- op/in dat/die (digitale) aangifte(n) voor de Inkomstenbelasting premie volksverzekeringen (telkens) geen "inkom(st)en uit aanmerkelijk belang" en/of (telkens) een te laag verzamelinkomen en/of een te laag belastbaar bedrag geschreven en/of opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(en) doen of laten schrijven en/of opgeven en/of vermelden, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

5.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van juli 2005 tot en met oktober 2005, te Zoeterwoude en/of 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (een) factu(u)r(en) ten name van [bedrijf 17]te weten

1. een factuur ten name van [bedrijf 17] d.d. 30 september 2005 factuurnummer 20050771 gericht aan [maatschap] factuurbedrag euro 5.605,50 (btw euro 895) (bijlage D/165 A)

en/of

2. een factuur ten name van [bedrijf 17] d.d. 28 juli 2005 factuurnummer 20050562 gericht aan [maatschap] factuurbedrag euro 5.605,50 (btw euro 895) (bijlage D/168)

en/of

3. een factuur ten name van [bedrijf 17]

d.d. 23 augustus 2005 factuurnummer 20050604 gericht aan [maatschap] factuurbedrag euro 5.605,50 (btw euro 895) (bijlage D/170)

en/of

4. een factuur ten name van [bedrijf 17] d.d. 13 september 2005 factuurnummer 20050670 gericht aan [maatschap] factuurbedrag euro 8.258,99 (btw euro 1.318,67) (bijlage D/171),

zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, en/althans valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen door ((een) medewerk(st)er(s) van) [bedrijf 17], in elk geval (een) ander(en), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) toen en daar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - op/in die factu(u)r(en) door vermelding en/of het doen vermelden van [maatschap], (T.a.v. De Administratie), [postbus maatschap] voorgedaan dat [maatschap] afnemer was van geleverde goederen en/of verrichte diensten en/of geschreven en/of opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(en) doen of laten schrijven en/of opgeven en/of vermelden,

* als geadresseerde en/of afnemer: [maatschap] (T.a.v. De Administratie)

en/of

* als Project: [maatschap] ([verdachte]),

terwijl in werkelijkheid de levering(en) plaatsvond(en) en/of dienst(en) verricht was/waren/werd(en) op/aan het adres/de woning/appartement [adres 2], en/of het project "Appartement [verdachte]" betrof en/of hij, verdachte ([verdachte]), de afnemer van de/het geleverde goed(eren) en/of de verrichte dienst(en) betrof, in elk geval was [maatschap] niet de afnemer van de/het geleverde goed(eren) of van de verrichte dienst(en), zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

6.

hij op of omstreeks 7 november 2005, in elk geval in of omstreeks de maand november 2005, te Leimuiden en/of

's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een factuur ten name van [bedrijf 13]

d.d. 7 november 2005

factuurnummer 40502235

gericht aan [maatschap]

factuurbedrag euro 2.717,96 (btw euro 433,96)

(bijlage D/019-1 A),

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, en/althans valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen door ((een) medewerk(st)er(s) van) [bedrijf 13] B.V., in elk geval (een) ander(en), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) toen en daar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - op/in die factuur door vermelding en/of het doen vermelden van

[maatschap], [postbus maatschap] voorgedaan dat [maatschap] afnemer was van geleverde goederen en/of verrichte diensten en/of geschreven en/of opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(en) doen of laten schrijven en/of opgeven en/of vermelden,

* als geadresseerde en/of afnemer: [maatschap]

en/of

* als omschrijving Verlichting,

terwijl in werkelijkheid de levering van een (lamp) "Pallucco type Fortuny zwart" plaatsvond op/aan het adres/de woning/appartement [adres 2] en/of hij, verdachte ([verdachte]), de afnemer van het geleverde goed en/of de verrichte dienst betrof, in elk geval was [maatschap] niet de afnemer van het geleverde goed of van de verrichte dienst, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

7.

hij op of omstreeks 19 juli 2005, in elk geval in of omstreeks de periode van 19 juli 2005 tot en met

2 augustus 2005, te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

een factuur ten name van [bedrijf 15]

d.d. 19 juli 2005

factuurnummer 2005104

gericht aan [maatschap]

factuurbedrag euro 3.847,58 (btw euro 614,33) (bijlage D/054 A),

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, en/althans valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen door ((een) medewerk(st)er(s) van) [bedrijf 15], in elk geval (een) ander(en), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) toen en daar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - op/in die factuur door vermelding en/of het doen vermelden van [maatschap], T.a.v. [verdachte], [adres maatschap] voorgedaan dat [maatschap] afnemer was van geleverde goederen en/of verrichte diensten en/of geschreven en/of opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(en) doen of laten schrijven en/of opgeven en/of vermelden,

* als geadresseerde en/of afnemer: [maatschap]

en/of

* project: advies herinrichting

terwijl in werkelijkheid de levering plaatsvond en/of de dienst werd verricht op/aan het adres/de woning/appartement [adres 3] en/of het project in de projectenadministratie van [bedrijf 15] was opgenomen als "Renovatie appartement" en/of hij, verdachte ([verdachte]), de afnemer van de/het geleverde goed(eren) en/of de verrichte dienst(en) betrof, in elk geval was [maatschap] niet de afnemer van de/het geleverde goed(eren) of van de verrichte dienst(en), zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

8.

hij op of omstreeks 31 oktober 2005, in elk geval in of omstreeks de periode van 31 oktober 2005 tot en met

5 december 2005, te Poeldijk en/of 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

een factuur ten name van [bedrijf 18]

d.d. 31 oktober 2005

factuurnummer 05-01050-2

gericht aan [maatschap]

factuurbedrag euro 2.542,44 (btw euro 405,94) (bijlage D/127 A),

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst, en/althans valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen door ((een) medewerk(st)er(s) van) [bedrijf 18], in elk geval (een) ander(en), immers heeft/hebben verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) toen en daar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - op/in die factuur door vermelding en/of het doen vermelden van [maatschap], T.a.v. [verdachte], [adres maatschap] voorgedaan dat [maatschap] afnemer was van geleverde goederen en/of verrichte diensten en/of geschreven en/of opgegeven en/of vermeld, en/althans door die/een ander(en) doen of laten schrijven en/of opgeven en/of vermelden,

* als geadresseerde en/of afnemer: [maatschap]

en/of

* Nota geleverd en geplaatst glas

Adres: [adres maatschap]

en/of

* als omschrijving "Voor u verzorgd, het leveren en plaatsen van glas en diverse schilderwerkzaamheden op bovengenoemd adres",

terwijl in werkelijkheid de levering plaatsvond en/of de dienst werd verricht op/aan het adres/de woning

[adres 2](te weten het plaatsen van een douchewand in de kinderbadkamer en/of het plaatsen van een douchecabine in de ouderbadkamer) en/of hij, verdachte ([verdachte]), de afnemer van de/het geleverde goed(eren) en/of de verrichte dienst(en) betrof, in elk geval was [maatschap] niet de afnemer van de/het geleverde goed(eren) of van de verrichte dienst(en), zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte

Door de verdediging van de verdachte is achtereenvolgens betoogd - overeenkomstig de overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen van mr. Doorenbos en pleitnotities van mr. Spong - dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte om de - kort en zakelijk weergegeven - navolgende redenen:

1. De vervolging is in strijd met de wet en/of de beginselen van een behoorlijke procesorde gelet op de opstelling van het openbaar ministerie in het onderhandelingsproces over een buitengerechtelijke afdoening en het feit dat er geen redelijke/billijke belangenafweging bij de vervolgingsbeslissing heeft plaatsgevonden en deze in strijd is met het verbod van willekeur. Mocht het hof het openbaar ministerie toch ontvankelijk verklaren dan gelden daarvoor zware motiveringseisen;

2. De vervolging is in strijd met de op 1 januari 2010 geldende en gepubliceerde beleidsregels van het openbaar ministerie, te weten de Aanmeldings- Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten, douane- en toeslagendelicten 2010

(hierna: ATV-richtlijnen 2010) en daarmee in strijd met de beginselen van een behoorlijk strafprocesrecht.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Het hof stelt voorop dat het openbaar ministerie ingevolge artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering zelfstandig kan beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De vervolgingsbeslissing leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat

slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Indien een rechter op grond van schending van het verbod van willekeur - dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging - om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn, tot het oordeel komt dat sprake is van een uitzonderlijk geval waarin het openbaar ministerie om die reden niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, gelden voor deze beslissing zware motiveringseisen (HR 6 november 2012, LJN: BX4280).

Deze motiveringseisen gelden niet in het geval niet tot dat oordeel wordt gekomen.

Daar waar de verdediging stelt (pagina 8 onder punt 12 uit de pleitnotities in hoger beroep van mr. Spong van 15 februari 2013) dat "voor de beslissing over de 'redelijke en billijke belangenafweging' zware motiveringseisen gelden" berust dit op een onjuiste lezing van voornoemd arrest van de Hoge Raad.

Aanvaarding van het transactieaanbod ex artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht?

Naar de kern genomen heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte tijdig - binnen de daarvoor door de officier van justitie gestelde aanvaardingstermijn - alle voorwaarden heeft aanvaard die het openbaar ministerie aan een overeenkomstig artikel 74 Sr gedaan transactieaanbod mag stellen, zodat dagvaarden van de verdachte in strijd is met de met de wet en/of de beginselen van een behoorlijk strafprocesrecht.

Naar aanleiding hiervan wordt het navolgende overwogen.

Blijkens een brief d.d. 24 september 2010 van de officier van justitie, mr. Mol, aan mr. Verbruggen, toenmalig raadsman van de verdachte, heeft de officier van justitie bevestigd dat het aanbod van het openbaar ministerie om tot een buitengerechtelijke afdoening te komen - met als uiterste aanvaardingsdatum 4 oktober 2010 - het volgende inhoudt:

1. Iedere verdachte betaalt het bedrag dat door u is voorgesteld, te weten [medeverdachte 1] € 30.068,-, [verdachte] € 46.260,- en [medeverdachte 2]

€ 34.180,-;

2. Ieder verdachte verricht 40 uur onbetaalde arbeid.

Indien uw cliënten dit transactieaanbod accepteren zal daarvan een persbericht uitgaan. Bijgaand treft u het concept daarvan aan.

Anders dan de verdediging stelt, is het hof van oordeel dat, gelet op de inhoud van voornoemde brief, het openbaar ministerie geen buitenwettelijke voorwaarde aan zijn transactieaanbod heeft verbonden. Het openbaar ministerie heeft de verdediging slechts te kennen gegeven dat een persbericht zal uitgaan indien de verdachte het transactieaanbod (inhoudende het betalen van een geldsom en het verrichten van onbetaalde arbeid) aanvaardt en heeft de verdediging op voorhand in kennis gesteld van de inhoud van dit persbericht.

De inhoud van de door de verdediging geciteerde brief

van mr. Mol van 19 oktober 2010 doet hier niet aan af, aangezien voornoemde brief niet alleen een duidelijke verwijzing bevat naar de hiervoor genoemde brief van 24 september 2010 maar in die brief vóór die verwijzing tevens de woorden staan "Kort gezegd", waardoor ondubbelzinnig blijkt dat de inhoud van de brief van 24 september 2010 bepalend is voor de inhoud van het transactievoorstel. Van het stellen van buitenwettelijke voorwaarden is dan ook geen sprake.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het getuigt van zorgvuldigheid van het openbaar ministerie dat het concept persbericht werd voorgelegd aan de verdachte.

Blijkens de hierop volgende correspondentie tussen de (huidige) raadsman van de verdachte, mr. Doorenbos,

en het openbaar ministerie is het eerder gedane transactieaanbod in stand gelaten tot en met 5 november 2010, maar niet blijkt dat vóór 6 november 2010 voornoemd transactieaanbod onvoorwaardelijk is aanvaard. Weliswaar staat in de brief van de raadsman van de verdachte van 5 november 2010 "Cliënten zijn zeer ver gegaan in hun bereidheid tot "boetedoening" door behalve de hoge (en ten opzichte van het fiscale viervoudige) boete, uiteindelijk zelfs nog de voor dit geval stellig ongebruikelijk te achten taakstraf te willen aanvaarden, naast de bezwarende nevengevolgen van (sec) de strafrechtelijke afdoening (tuchtrecht en documentatie)", maar daaraan is tevens toegevoegd "Uitsluitend uw wens hen te willen uitleveren aan de publieke schandpaal, staat afdoening in de weg".

Gezien het voorstaande kan dan ook niet gezegd worden dat het transactieaanbod tijdig door de verdachte onvoorwaardelijk is aanvaard. Gelet hierop mocht het openbaar ministerie tot het dagvaarden van de verdachte tegen de zitting van 14 januari 2011 overgaan.

Al hetgeen overigens in dit verband nog is aangevoerd doet daar niet aan af. Naar het oordeel van het hof heeft het openbaar ministerie hiermee dan ook niet in strijd gehandeld met de wet en/of de beginselen van een behoorlijke procesorde, zoals het verbod van willekeur en de redelijke en billijke belangenafweging.

Opgewekt vertrouwen herleving van het transactieaanbod?

Door de verdediging is voorts - kort en zakelijk weergegeven - betoogd dat er sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel, nu de verdachte erop mocht vertrouwen dat de zaak buitengerechtelijk zou worden afgedaan, dit gelet op de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan na de brief van mr. Doorenbos van 24 juni 2011 waarin laatstgenoemde aan de officier van justitie te kennen heeft gegeven dat de verdachte alsnog bereid is "tot aanvaarding van de door u bij uw brief van 24 september 2010 voorgestelde afdoening, inhoudende een taakstraf, financiële bestraffing en te berusten in de publicatie van het daarbij voorgestelde persbericht in de versie die u mij bij brief van 2 november 2010 hebt toegezonden."

In dit verband stelt de verdediging het navolgende. Naar aanleiding van bovengenoemde brief heeft er overleg plaatsgevonden tussen de deken van de Haagse Orde van Advocaten en de hoofdofficier van justitie van het Functioneel Parket.

Mr. M. van Strien, lid van de Raad van Toezicht Den Haag, portefeuillehouder strafrecht, heeft mr. Doorenbos de uitkomst van dit overleg medegedeeld, waaruit de raadsman de indruk kreeg dat de hoofdofficier van justitie van het Functioneel Parket zich bereid toonde tot nader overleg en daarmee de bereidheid toonde alsnog te transigeren. De brief van de officier van justitie d.d. 19 juli 2011 aan mr. Doorenbos waarin is meegedeeld dat binnen het openbaar ministerie is overwogen of de zaak tegen de verdachte en zijn medeverdachten alsnog buitengerechtelijk zou moeten worden afgedaan, maar dat is besloten om niet op het voorstel in te gaan, getuigt volgens de verdediging dan ook van een diametraal ander standpunt van de officier van justitie in deze.

De Deken van de Haagse Orde van Advocaten en de hoofdofficier van justitie van het Functioneel Parket zijn ter terechtzitting in eerste aanleg van 28 november 2011 als getuigen gehoord. Blijkens deze getuigenverklaringen is er in totaal twee keer telefonisch contact geweest tussen de deken en de hoofdofficier van justitie in juni 2011 en in juli 2011.

De deken heeft in het telefoongesprek van juni 2011 aandacht gevraagd voor de zaak van de verdachte omdat deze zaak in juni 2011 "vast zat". In dit telefoongesprek heeft de hoofdofficier van justitie van het Functioneel Parket medegedeeld dat het openbaar ministerie een brief van de verdachte had ontvangen en dat deze brief, die op dat moment bij de behandelend zaaksofficier lag, zou worden beantwoord. Voorts heeft de hoofdofficier de deken beloofd hem van de inhoud van dit antwoord op de hoogte te stellen. Zowel de deken als de hoofdofficier van justitie hebben verklaard dat er tijdens dit telefonisch contact door de hoofdofficier van justitie van het Functioneel Parket geen toezegging is gedaan dat de zaak buiten een strafgeding om zou worden afgedaan, er een nieuw transactieaanbod zou volgen dan wel dat het oude transactieaanbod zou herleven. In juli 2011 heeft de hoofdofficier van justitie van het Functioneel Parket de deken teruggebeld met de mededeling dat de strafvervolging van de verdachte conform de brief van de officier van justitie van 19 juli 2011 aan mr. Doorenbos zou worden voortgezet.

Naar het oordeel van het hof kan - gezien het vorenstaande - op grond van de mededelingen van de hoofdofficier van justitie van het Functioneel Parket in haar telefonische contacten met de deken, gelet op hun verklaringen daaromtrent ter terechtzitting in eerste aanleg, bij de verdachte niet het gerechtvaardigde vertrouwen zijn gewekt dat de zaak buitengerechtelijk zou worden afgedaan. Dat mr. Doorenbos stelt dit af te hebben kunnen leiden uit de mededeling van mr. Van Strien die hem de uitkomst van het gesprek tussen de deken en de hoofdofficier van justitie heeft medegedeeld, doet hier niet aan af. Haar mededelingen daaromtrent kunnen het openbaar ministerie immers niet binden, nu die mededelingen niet gebaseerd kunnen zijn geweest op hetgeen door de hoofdofficier van justitie aan de deken is medegedeeld omtrent de verdere afdoening van de tegen de verdachte aanhangige strafzaak.

Een dergelijk vertrouwen kan evenmin (met terugwerkende kracht) worden ontleend aan het enkele feit dat er naar aanleiding van de brief van de raadsman van 24 juni 2011 intern overleg bij het openbaar ministerie heeft plaatsgevonden of het feit dat er ruim drie weken is verstreken tussen het aanbod van de raadsman en het antwoord van het openbaar ministerie hierop bij brief van 19 juli 2011. De verwachting van de verdediging is derhalve niet gerechtvaardigd door het optreden van het openbaar ministerie in deze.

Nu naar het oordeel van het hof na de brief van mr. Doorenbos van 24 juni 2011 op grond van het optreden van het openbaar ministerie op geen enkel moment sprake is geweest van de situatie dat de verdachte erop mocht vertrouwen dat de zaak buitengerechtelijk zou worden afgedaan, kan niet worden gezegd dat het openbaar ministerie met de brief van 19 juli 2011 een diametraal ander standpunt heeft ingenomen.

Naar het oordeel van het hof is er mitsdien geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel.

Vervolging in strijd met het verbod van willekeur en de redelijke en billijke belangenafweging?

De verdediging heeft zich voorts - kort en zakelijk weergegeven - op het standpunt gesteld dat nu de verdachte in juni 2011 alsnog bereid was om het in 2010 gedane transactievoorstel volledig te aanvaarden, voortzetting van de vervolging van de verdachte in strijd is met de redelijke en billijke belangenafweging en het verbod van willekeur, nu het openbaar ministerie immers in november 2010 nog wel bereid was om te transigeren.

Zoals onder het kopje Aanvaarding van het transactieaanbod ex artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht? uiteen is gezet, is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie tot het dagvaarden van de verdachte tegen de zitting van 14 januari 2011 mocht overgaan, nu het transactieaanbod niet tijdig door de verdachte onvoorwaardelijk is aanvaard.

Het bezwaarschrift van de verdediging tegen deze dagvaarding is vervolgens op 14 januari 2011 in raadkamer behandeld en bij beschikking van 11 maart 2011 ongegrond verklaard.

De stelling van de verdediging dat het openbaar ministerie na een niet onvoorwaardelijke c.q. niet tijdige acceptatie/aanvaarding door de verdachte van een transactieaanbod niet zonder verder uitstel tot vervolging zou mogen overgaan, maar gehouden zou zijn

- tot aan de zitting - de mogelijkheid open te laten alsnog het aanbod te accepteren (dit in het licht van het feit dat eerder een aanbod is gedaan) en derhalve aan een transactie geen termijn voor aanvaarding mag stellen, vindt geen steun in de wet noch het recht en zou tot een voor het openbaar ministerie en de zittende magistratuur vanuit proces-economisch standpunt bezien ongewenste situatie leiden. Daarnaast speelt in de onderhavige zaak nog dat de onderhandelingen al geruime tijd in beslag hadden genomen en het openbaar ministerie bovendien

- in verband met het feit dat een nieuwe raadsman zich had gesteld - reeds de termijn met een maand had verlengd.

Gelet op het voorstaande en hetgeen hiervoor door het hof is vastgesteld ten aanzien van het overleg tussen de Deken van de Haagse Orde van Advocaten en de hoofdofficier van justitie van het Functioneel Parket naar aanleiding van de brief van mr. Doorenbos d.d. 24 juni 2011, waaruit het hof opmaakt dat er kennelijk binnen het openbaar ministerie nog is gesproken over het al dan niet afdoen van de zaak door middel van een transactie, waartoe het openbaar ministerie overigens niet verplicht was, is het hof van oordeel dat er wel degelijk sprake is geweest van een redelijke en billijke belangenafweging en er door het openbaar ministerie niet in strijd is gehandeld met het verbod van willekeur.

Vervolging in strijd met de ATV-richtlijnen?

Door de verdediging is - naar de kern genomen - aangevoerd dat vervolging van de verdachte in strijd is met de ATV-richtlijnen 2010, nu, gelet op de uitkomst van het strafrechtelijk onderzoek, het zogeheten drempelbedrag voor ondernemers niet is overschreden. De (gehele) zaak had derhalve bestuursrechtelijk behoren te worden afgedaan, nu het drempelbedrag ook bij de afdoeningsbeslissing onverminderd de scheidslijn markeert tussen de bestuurlijke en strafrechtelijke afdoening. Voorts plegen de met de fiscale delicten "verknoopte" valsheden nimmer separaat te worden vervolgd, maar volgen zij het afdoeningstraject van de fiscale delicten.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De verdachte is naast de onder 1, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde valsheid in geschrift, primair vervolgd ter zake van - kort gezegd - het al dan niet tezamen en in vereniging met ander(en) feitelijk leidinggeven aan

- onder 2 - het door de [maatschap] (medeplegen van) opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en - onder 3 - het door [B.V. 1 verdachte] en/of [B.V. 2 verdachte] (medeplegen van) opzettelijk doen van onjuiste aangifte vennootschapsbelasting.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 november 2011, LJN: BP6421, zijn de ATV-richtlijnen (zowel de versie van 2006 als 2010) te dezen niet van toepassing, daar het strafbare feiten betreft waarvoor geen fiscaal-

bestuurlijke boete kon worden opgelegd.

Het feitelijk leidinggeven aan een door een rechtspersoon gepleegd fiscaal delict kan immers pas sinds de inwerkingtreding van artikel 5:1 van de Algemene wet bestuursrecht op 1 juli 2009 ook worden beboet met een fiscaal-bestuurlijke boete.

Sanctionering van bovengenoemd aan de verdachte verweten gedrag kon derhalve alleen langs strafrechtelijke weg geschieden.

Nu slechts het onder 4 ten laste gelegde mede bestuursrechtelijk had kunnen worden afgedaan, kan naar het oordeel van het hof in redelijkheid niet worden gezegd dat alle overige feiten het afdoeningstraject van dit ene fiscale delict hadden behoren te volgen.

Het hof beschouwt daarbij het onder 4 ten laste gelegde als een relatief gering onderdeel van één (ruimer) feitencomplex, zodat naar het oordeel van het hof, het openbaar ministerie met de strafrechtelijke afdoening van het aan de verdachte verweten gedrag niet in strijd heeft gehandeld met de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Het hof ziet bij beschouwing van de feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang ook overigens geen aanleiding tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

Het hof acht het openbaar ministerie dan ook met betrekking tot alle ten laste gelegde feiten ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsuitsluiting

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld

- overeenkomstig de overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities van mr. Spong - dat de brief van mr. A. Verbruggen d.d. 3 juni 2009 en de daarop volgende "spijtbrief" van de verdachte d.d. 6 april 2010 van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Ten aanzien van de brief van mr. Verbruggen heeft de advocaat-generaal- zakelijk weergegeven - betoogd dat deze zijns inziens voor het bewijs kan worden gebruikt,

nu in de betreffende brief geen enkel voorbehoud is gemaakt ten aanzien van het gebruik ervan en de brief nadrukkelijk tot doel had om een bijdrage te leveren aan de waarheidsvinding in het onderzoek.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad kunnen verklaringen en mededelingen van de raadsman die ter terechtzitting, al dan niet op de voet van artikel 279, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, als zodanig optreedt, niet als wettige bewijsmiddelen gelden. Daaruit vloeit voort dat ook een door de raadsman ter terechtzitting overgelegde pleitnota niet als wettig bewijsmiddel kan gelden (vgl. HR 31 oktober 2006,

LJN AX9180). Voorts heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 28 september 2010, NJ 2010, 531, LJN: BL6659 overwogen dat een conclusie van antwoord niet kan gelden als wettig bewijsmiddel waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontleend. In het licht van voornoemde jurisprudentie kan naar het oordeel van het hof de brief van mr. Verbruggen - welke brief naar het oordeel van het hof op grond van het moment van het totstandkomen ervan, alsmede de gekozen bewoordingen, is geschreven met het oog op een afdoening van de zaak buiten rechte en het bespoedigen van het onderzoek door de FIOD - evenmin als wettig bewijsmiddel gelden.

Het hof zal deze brief derhalve niet voor het bewijs gebruiken. Bovendien is het hof van oordeel dat het gebruik van deze brief voor het bewijs niet zou stroken met de ratio van voornoemde jurisprudentie zoals

verwoord door de advocaat-generaal Aben in zijn conclusie voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad van

15 december 2009, NJ 2010, 26 onder 3.5., LJN BK2129, dat 'een raadsman al datgene kan aanvoeren hetgeen hij in het belang van de verdediging dienstig oordeelt, zonder dat hij daarbij beducht hoeft te zijn dat enige mededeling van zijn kant ten bezware van de verdachte zal strekken'.

Nu het hof evenmin de "spijtbrief" van de verdachte voor het bewijs zal gebruiken, wordt om proces-economische redenen voorbij gegaan aan het verweer van de verdediging in deze.

Voorts heeft de verdediging betoogd - overeenkomstig de overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnotities van mr. Spong - dat de resultaten van het onrechtmatige (particuliere) opsporingsonderzoek van

[benadeelde partij] op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering van het bewijs dienen te worden uitgesloten, alsook het gehele FIOD-dossier, nu dit een rechtstreeks gevolg is van de onrechtmatige bewijsvergaring door [benadeelde partij] en derhalve met toepassing van het leerstuk van de verboden vruchten moet worden uitgesloten van het bewijs.

Het hof stelt voorop dat, gelet op het arrest van de

Hoge Raad van 11 april 1995, NJ 1995, 537, LJN: ZC9998

de FIOD gerechtigd was een opsporingsonderzoek in te stellen op grond van een redelijk vermoeden van schuld ontleend aan de stukken die van [benadeelde partij] zijn verkregen, ongeacht de wijze waarop deze zijn verkregen. Het vervolgens vergaarde bewijsmateriaal mag, eveneens gelet op voornoemd arrest, naar het oordeel van het hof tot het bewijs worden gebezigd; het enkele gebruik daarvan kan niet leiden tot schending van beginselen van een behoorlijke procesorde of tot veronachtzaming van de rechten van de verdediging. Voorts kan op grond van het arrest van de Hoge Raad van 14 november 2006, NJ 2007, 179, LJN: AX7471 (KB Lux) zelfs het - zo daar al sprake

van zou zijn - op onoirbare wijze verkregen bewijs van

[benadeelde partij] voor het bewijs worden gebruikt, nu naar het oordeel van het hof, gelet op hetgeen de verdediging ter onderbouwing van het verweer naar voren heeft gebracht, niet aannemelijk is geworden - en ook overigens niet is gebleken - dat [benadeelde partij] onder regie van de FIOD onoirbare onderzoeksactiviteiten tot bewijsvergaring heeft ontplooid dan wel dat de FIOD daarin een sturende of faciliterende rol heeft gespeeld. Er is derhalve geen sprake van een vormverzuim op grond waarvan ingevolge artikel 359a van het Wetboek van Strafrecht, de door [benadeelde partij] aangeleverde stukken dan wel het door de FIOD vergaarde bewijsmateriaal, van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Het hof ziet in hetgeen door de raadsman in deze is aangevoerd met betrekking tot (artikel 35, derde lid sub b, van) het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, geen reden af te wijken van voornoemde vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

[maatschap] in de periode van 1 februari 2003 tot en met 31 maart 2006 te 's-Gravenhage, geschriften (bedrijfsadministratie) die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen opzettelijk valselijk heeft opgemaakt, hebbende genoemde rechtspersoon opzettelijk in de bedrijfsadministratie van [maatschap], zijnde een samenstel van geschriften bestemd om tot bewijs van het daarin vermelde te dienen, telkens A.) valse facturen en valse rekeningen te weten

2. een factuur op naam van [bedrijf 2]

gedateerd 10 juli 2003

gericht aan [maatschap] t.a.v. [medeverdachte 1]

totaal euro 3.062,47 (btw euro 488,97)

en

5. een factuur op naam van [bedrijf 2]

gedateerd 5 februari 2004

gericht aan [maatschap], t.a.v. [medeverdachte 1]

totaal euro 2.270,52 (btw euro 362,52)

en

6. een factuur op naam van [bedrijf 5]

gedateerd 3 maart 2004

gericht aan [maatschap], t.a.v. [verdachte]

totaal euro 277,27 (btw euro 44,27)

en

7. een factuur op naam van [bedrijf 6]

gedateerd 22 maart 2004

gericht aan [maatschap]

totaal euro 3.165,40 (btw euro 505,40)

en

9. een rekening op naam van [bedrijf 7]

gedateerd 1 april 2004

gericht aan [maatschap], [medewerkster]

totaal euro 626,75 (btw euro 100,07)

en

10. een rekening op naam van [bedrijf 7]

gedateerd 19 april 2004

gericht aan [maatschap], [medewerkster]

totaal euro 768,51 (btw euro 122,70)

en

11. een factuur op naam van [bedrijf 8]

gedateerd 12 juni 2004

gericht aan [maatschap], t.a.v. [medeverdachte 2] totaal euro 681,00 (btw euro 108,73)

en

12. een factuur op naam van [bedrijf 9]

gedateerd 17 augustus 2004

gericht aan [maatschap]

totaal euro 2.462,11 (btw euro 393,11)

en

14. een factuur op naam van [bedrijf 11]

gedateerd 24 september 2004

gericht aan [maatschap], t.a.v. [medeverdachte 2] totaal euro 1.070,00 (btw euro 170,84)

en

15. een factuur op naam van [bedrijf 11]

gedateerd 5 november 2004

gericht aan [maatschap], t.a.v. [medeverdachte 2] totaal euro 880,58 (btw euro 140,60)

en

18. een factuur op naam van [bedrijf 11]

gedateerd 31 maart 2005

gericht aan [maatschap], t.a.v. [medeverdachte 2] totaal euro 407,12 (btw euro 65,00)

en

19. een factuur op naam van [bedrijf 2]

gedateerd 31 maart 2005

gericht aan [maatschap] T.a.v. [medeverdachte 1]

totaal euro 4.727,87 (btw euro 754,87)

en

22. een factuur op naam van [bedrijf 15]

gedateerd 27 september 2005

gericht aan [maatschap] T.a.v. [verdachte]

totaal euro 4.159,23 (btw euro 664,08)

en

23. een factuur op naam van [bedrijf 15]

gedateerd 24 november 2005

gericht aan [maatschap] T.a.v. [medeverdachte 2]

totaal euro 2.510,00 (btw euro 400,76)

en

24. een factuur op naam van [bedrijf 15]

gedateerd 28 december 2005

gericht aan [maatschap] T.a.v. [medeverdachte 2]

totaal euro 1.278,14 (btw euro 204,08)

en

25. een factuur op naam van [bedrijf 15]

gedateerd 31 januari 2006

gericht aan [bedrijf 16] T.a.v. [medeverdachte 2]

totaal euro 921,17 (btw euro 147,08)

en

26. een factuur op naam van [bedrijf 15]

gedateerd 10 maart 2006

gericht aan [bedrijf 16] T.a.v. [medeverdachte 2]

totaal euro 4.277,17 (btw euro 682,93),

en

B.

valse boekingen op/in de/het grootboek(rekening) "te vorderen BTW hoog" opgenomen en/of geboekt en/of verwerkt,

bestaande die valsheden

onder ad A.) genoemd hierin - zakelijk

weergegeven - dat valselijk in strijd met de waarheid

* op/in die facturen en rekeningen door de vermelding en/of adressering [maatschap] en/of [adres maatschap 1] en/of [adres maatschap 2] en/of [adres maatschap 3] werd voorgedaan dat [maatschap], gevestigd op het adres [adres maatschap] afneemster was van de geleverde goederen en/of verrichte diensten, terwijl in werkelijkheid de levering(en) plaatsvond(en) en/of dienst(en) verricht was / waren / werd(en) op / aan het / de adres(sen) / woning(en) / appartement

[adres 1](woning [medeverdachte 1]) en/of

[adres 2](woning [verdachte]) en/of [adres 3] appartement [verdachte]) en/of

[adres 4](woning [medeverdachte 2]),

en/of

[medeverdachte 1] (2. en/of 5. en/of 19.) en/of [verdachte] (6. en/of 12. en/of 22.) en/of

[medeverdachte 2] (7 en/of 9. en/of 10. en/of 11. en/of 14. en/of 15. en/of 18. en/of 23. en/of 24. en/of 25. en/of 26.)

de afne(e)m(st)er(s) van de/het geleverde goed(eren) en/of de verrichte dienst(en) betrof(fen),

en

* op/in de onder 7. genoemde factuur was opgenomen en/of vermeld "Betreft: DA/[adres maatschap]", terwijl in werkelijkheid genoemde factuur betrekking had op "het aanpassen van de cv-installatie t.b.v. het pand aan de [adres 4]",

en

* op/in de onder 15. genoemde factuur was opgenomen en/of vermeld als omschrijving "Div. kantoorverlichting", terwijl in werkelijkheid genoemde factuur betrekking had op "gordijnen" (voor de woning [adres 4]),

en

* op/in de onder 18. genoemde factuur was opgenomen en/of vermeld als omschrijving "Geleverde verlichting", terwijl in werkelijkheid genoemde factuur betrekking had op gordijnstof (6 mtr Saba 1-6244-261) en/of een embrasse (voor de woning [adres 4]),

en

* op/in de onder 22. genoemde factuur als "project" was opgenomen en/of vermeld "advies herinrichting", terwijl in werkelijkheid genoemde factuur betrekking had op het "project" "Renovatie appartement" ([adres 3]),

en

bestaande die valsheden onder ad B.) genoemd hierin

dat die te vorderen btw-bedragen geen betrekking hadden op verschuldigde belasting ter zake van leveringen van goederen en/of verleende diensten aan genoemde [maatschap], in werkelijkheid betroffen dit btw-bedragen gefactureerd en/of in rekening gebracht aan [medeverdachte 1] en/of [verdachte] en/of [medeverdachte 2], (in privé, in elk geval niet als ondernemer)),

zulks met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken,

hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen telkens feitelijke leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedragingen;

2.

[maatschap] in de periode van 1 april 2003 tot en met 30 april 2006 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, meermalen, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (digitale) aangiften voor de omzetbelasting ten name van [maatschap] ([fiscaal nummer 1]) betreffende het/de aangiftetijdvak(ken) februari 2003 en/of juli 2003 en/of oktober 2003 en/of januari 2004 en/of februari 2004 en/of maart 2004 en/of april 2004 en/of mei 2004 en/of juni 2004 en/of juli 2004 en/of augustus 2004 en/of september 2004 en/of oktober 2004 en/of november 2004 en/of december 2004 en/of maart 2005 en/of juli 2005 en/of augustus 2005 en/of september 2005 en/of november 2005 en/of december 2005 en/of februari 2006 en/of maart 2006, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft genoemde [maatschap] op/in het/de bij/naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland ingeleverde / gezonden aangiften / aangiftebiljetten voor de omzetbelasting (telkens) een te hoog bedrag aan voorbelasting en/of een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting opgegeven en/of vermeld, terwijl die feiten er toe strekken dat (telkens) te weinig belasting wordt geheven, hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen (telkens) feitelijke leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedragingen;

3.

[B.V. 1 verdachte] ([fiscaal nummer 2])) op 24 mei 2006 en 27 april 2007, te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, meermalen opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (digitale) aangiften Vennootschapsbelasting ten name van (de fiscale eenheid) [B.V. 1 verdachte] ([fiscaal nummer 2]) over de jaren 2004 (boekjaar 01-2004 - 12-2004) en 2005 (boekjaar 01-2005 - 12-2005) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft genoemde rechtspersoon op/in het/de bij/naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland ingeleverde / gezonden aangiften / aangiftebiljetten voor de Vennootschapsbelasting (telkens) geen bedrag aan "aan dividend(belasting) onderworpen winstuitdeling" en/of (telkens) een te laag belastbaar bedrag opgegeven en/of vermeld, terwijl die feiten er toe strekken dat (telkens) te weinig belasting wordt geheven, hebbende hij, verdachte, (telkens) feitelijke leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedragingen;

4.

hij op 7 juni 2005 en 1 mei 2006 te 's-Gravenhage in elk geval in Nederland, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (digitale) aangifte(n) Inkomstenbelasting premie volksverzekeringen ten name van hem, verdachte, ([verdachte]) ([burgerservicenummer]) over de (belasting)jaren 2004 en 2005, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft hij, verdachte, op/in het/de bij/naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland ingeleverde / gezonden aangiften / aangiftebiljetten voor de Inkomstenbelasting premie volksverzekeringen (telkens) geen "inkom(st)en uit aanmerkelijk belang" en/of (telkens) een te laag verzamelinkomen en/of een te laag belastbaar bedrag opgegeven en/of vermeld, terwijl dat/die feit(en) er toe strekt/strekken dat (telkens) te weinig belasting wordt geheven;

5.

hij in de periode van juli 2005 tot en met oktober 2005, te Zoeterwoude en/of 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), meermalen, een factuur ten name van [bedrijf 17]te weten

1. een factuur ten name van [bedrijf 17] d.d. 30 september 2005 factuurnummer 20050771 gericht aan [maatschap] factuurbedrag euro 5.605,50 (btw euro 895)

en

2. een factuur ten name van [bedrijf 17] d.d. 28 juli 2005 factuurnummer 20050562 gericht aan [maatschap] factuurbedrag euro 5.605,50 (btw euro 895)

en

3. een factuur ten name van [bedrijf 17]

d.d. 23 augustus 2005 factuurnummer 20050604 gericht aan [maatschap] factuurbedrag euro 5.605,50 (btw euro 895)

en

4. een factuur ten name van [bedrijf 17] d.d. 13 september 2005 factuurnummer 20050670 gericht aan [maatschap] factuurbedrag euro 8.258,99 (btw euro 1.318,67),

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt immers hebben verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) toen en daar valselijk in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - op/in die facturen door vermelding van [maatschap], (T.a.v. De Administratie), [postbus maatschap] voorgedaan dat [maatschap] afnemer was van geleverde goederen en/of verrichte diensten en/of geschreven en/of opgegeven en/of vermeld,

* als geadresseerde en/of afnemer: [maatschap] (T.a.v. De Administratie)

en/of

* als Project: [maatschap] ([verdachte]),

terwijl in werkelijkheid de levering(en) plaatsvond(en) en/of dienst(en) verricht was/waren/werd(en) op/aan het adres/de woning/appartement [adres 2], en/of het project "Appartement [verdachte]" betrof en hij, verdachte ([verdachte]), de afnemer van de/het geleverde goed(eren) en/of de verrichte dienst(en) betrof, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

6.

hij op 7 november 2005, te Leimuiden en/of 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) een factuur ten name van [bedrijf 13]

d.d. 7 november 2005

factuurnummer 40502235

gericht aan [maatschap]

factuurbedrag euro 2.717,96 (btw euro 433,96),

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt

immers hebben verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) toen en daar valselijk in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - op/in die factuur door vermelding en/of het doen vermelden van

[maatschap], [postbus maatschap] voorgedaan dat [maatschap] afnemer was van geleverde goederen en/of geschreven en/of opgegeven en/of vermeld,

* als geadresseerde en/of afnemer: [maatschap]

en

* als omschrijving Verlichting,

terwijl in werkelijkheid de levering van een (lamp) "Pallucco type Fortuny zwart" plaatsvond op/aan het adres/de woning/appartement [adres 2] en hij, verdachte ([verdachte]), de afnemer van het geleverde goed zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

7.

hij op 19 juli 2005, te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met (een) ander(en)

een factuur ten name van [bedrijf 15]

d.d. 19 juli 2005

factuurnummer 2005104

gericht aan [maatschap]

factuurbedrag euro 3.847,58 (btw euro 614,33),

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt immers hebben verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) toen en daar valselijk in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - op/in die factuur door vermelding van

[maatschap], T.a.v. [verdachte], [adres maatschap] voorgedaan dat [maatschap] afnemer was van verrichte diensten en geschreven en/of opgegeven en/of vermeld,

* als geadresseerde en/of afnemer: [maatschap]

en

* project: advies herinrichting

terwijl in werkelijkheid de dienst werd verricht op/aan het adres/de woning/appartement [adres 3] en het project in de projectenadministratie van [bedrijf 15] was opgenomen als "Renovatie appartement" en hij, verdachte ([verdachte]), de afnemer van de verrichte dienst betrof, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

8.

hij op 31 oktober 2005, te Poeldijk en/of 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

een factuur ten name van [bedrijf 18]

d.d. 31 oktober 2005

factuurnummer 05-01050-2

gericht aan [maatschap]

factuurbedrag euro 2.542,44 (btw euro 405,94),

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s) toen en daar valselijk in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - op/in die factuur door vermelding van [maatschap], T.a.v. de heer [verdachte], [adres maatschap] voorgedaan dat [maatschap] afnemer was van geleverde goederen en/of verrichte diensten en/of geschreven en/of opgegeven en/of vermeld,

* als geadresseerde en/of afnemer: [maatschap]

en

* Nota geleverd en geplaatst glas Adres : [adres maatschap]

en

* als omschrijving "Voor u verzorgd, het leveren en plaatsen van glas en diverse schilderwerkzaamheden op bovengenoemd adres",

terwijl in werkelijkheid de levering plaatsvond en de dienst werd verricht op/aan het adres/de woning [adres 2] (te weten het plaatsen van een douchewand in de kinderbadkamer en/of het plaatsen van een douchecabine in de ouderbadkamer) en hij, verdachte ([verdachte]), de afnemer van het geleverde goed en de verrichte diensten betrof, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Ten aanzien van de onder 1, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde valsheid in geschrifte

In grief VI heeft de verdediging gesteld dat de rechtbank het verweer dat de adressering aan [maatschap] op de facturen nog geen valsheid in geschrifte oplevert, op ontoereikende gronden heeft verworpen. De verdediging wijst er in dit verband - naar de essentie teruggebracht - op dat een factuur in het kader van de btw weliswaar een bewijsbestemming heeft, zoals ook door de rechtbank is overwogen, maar dat een factuur niet, althans niet zonder meer in beslissende mate dient ten bewijze van de strafrechtelijke vraag ten behoeve van wie de goederen en/of diensten zijn geleverd. In dit verband wordt het navolgende overwogen.

Naar uit de bewijsmiddelen blijkt hebben de verdachte en zijn medeverdachten aan de leveranciers van de goederen en/of diensten gevraagd/aangegeven/verzocht de facturering van de goederen en/of diensten die aan hem/hen in privé waren geleverd te richten aan [maatschap] c.q. de facturen in die zin aan te passen (zie in dit verband de verklaring van de getuige [getuige 1] G05-01 p. 1269, de verklaring van de getuige [getuige 2] G04-01 pagina 1266, de verklaring van de getuige [getuige 3] G03-01, p. 1262, de verklaring van de getuige [getuige 4] G13-02, p. 1315/1316). Een en ander gebeurde in de wetenschap dat die facturen later - gelet op de door de verdachte en zijn medeverdachten ondertekende aangiftes - ten overstaan van de Belastingdienst zouden dienen als bewijs. Die facturen zijn - gelet op hetgeen hiervoor is opgemerkt - derhalve aan te merken als geschriften 'bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen' en wel van het feit dat er een recht bestond op teruggave/ verrekening van omzetbelasting. Dat is de vraag die voorligt en die wordt positief beantwoord. De in grief VI geformuleerde strafrechtelijke vraag ligt in casu niet voor. Gelet op het voorgaande is het hof derhalve van oordeel dat de bewezen verklaarde facturen vals zijn in de zin van artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde al dan niet tezamen feitelijk leidinggeven aan het (medeplegen van) door [maatschap] doen van onjuiste/ onvolledige aangiften omzetbelasting

De verdediging heeft in hoger beroep - met verwijzing en overeenkomstig de in eerste aanleg overgelegde en in

het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen van mr. Doorenbos - betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde, aangezien het wettig en overtuigend bewijs van de onjuistheid / onvolledigheid van de daar opgenomen (maand)aangiften ontbreekt.

Anders dan de raadsman meent behoeft naar het oordeel van het hof niet van elke individuele aangifte omzetbelasting gedaan in de ten laste gelegde periode te worden vastgesteld dat deze onjuist/onvolledig is, te weten gebaseerd op valse facturen. Immers, gelet op het onder 1 bewezen verklaarde, is komen vast te staan dat [maatschap] valse facturen in de bedrijfsadministratie heeft opgenomen. Deze facturen zijn in de ten laste gelegde periode ten grondslag gelegd aan de verschillende aangiften omzetbelasting. Het is daarbij strafrechtelijk niet relevant in welke maanden deze facturen precies zijn meegenomen. Dit is overigens ook niet precies na te gaan door de op dat punt gebrekkige wijze waarop de administratie van de maatschap is gevoerd. Hetgeen overigens in dit verband nog naar voren is gebracht behoeft in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling meer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

Het onder 2 primair en 3 primair bewezen verklaarde levert op telkens:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

Het onder 4 primair bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

Het onder 6, 7 en 8 bewezen verklaarde levert op telkens:

medeplegen van valsheid in geschrift.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd onder aanvulling en verbetering van gronden, behoudens voor wat betreft de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en dat het hof opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een geldboete van € 23.000,-, subsidiair 150 dagen hechtenis en een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met twee andere maten in een advocatenmaatschap gedurende een aantal jaren schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift en aan een ergerlijke vorm van belastingfraude.

De verdachte en zijn medeverdachten hebben - vaak met medewerking/medeweten van de leveranciers - rekeningen en facturen op laten maken waarin was vermeld dat diensten en goederen waren geleverd aan de maatschap terwijl in werkelijkheid deze goederen en diensten waren geleverd aan de verdachte en zijn medeverdachten als privépersoon. Vervolgens zijn deze rekeningen en facturen door de boekhouder in opdracht van de verdachte en zijn medeverdachten opgenomen in de boekhouding van de maatschap. Door deze kosten valselijk als kosten van de onderneming op te voeren werd een aftrekpost gecreëerd voor kosten die in de privésfeer waren gemaakt en fiscaal niet aftrekbaar zijn. Aldus is minder omzetbelasting, vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting afgedragen dan was verschuldigd, waardoor de fiscus is benadeeld. Bij belastingheffing zijn gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken, nu daarmee wordt beoogd de Staat de geldmiddelen te verschaffen die voor de vervulling van zijn taken nodig zijn. De verdachte heeft die gemeenschapsbelangen geschonden. Voorts rekent het hof de verdachte zeer aan dat hij daartoe misbruik heeft gemaakt van een onderneming waarin de advocatuur werd uitgeoefend en dat hij daarbij derden - leveranciers van bestelde goederen en geleverde diensten alsmede de in dienst van de maatschap zijnde boekhouder - heeft betrokken.

De verdachte is daarbij uitsluitend uit geweest op eigen financieel gewin. Bovendien heeft hij zich door zo te handelen op grote schaal al dan niet samen met anderen en als feitelijk leidinggever, schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Hij heeft daarmee misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming als de onderhavige. Het hof acht dit des te kwalijker gelet op het beroep van de verdachte.

De verdachte heeft met de bewezenverklaarde handelwijze het aanzien van de advocatuur ernstig schade berokkend.

De verdachte heeft er daarbij bovendien voor gekozen noch ten overstaan van de FIOD, noch schriftelijk, noch ten overstaan van de rechtbank of het hof verantwoording af te leggen over zijn handelen.

Naar het oordeel van het hof is gelet op de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte in beginsel slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd.

In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met de omstandigheid dat aan de verdachte reeds een tuchtrechtelijk sanctie is opgelegd.

Voorts neemt het hof in aanmerking dat de verdachte door het openbaar ministerie een transactie in de vorm van een taakstraf is aangeboden en het openbaar ministerie in eerste en tweede aanleg geen gevangenisstraf heeft gevorderd. Verder neemt het hof het tijdsverloop sinds het plegen van de strafbare feiten in aanmerking en de negatieve gevolgen van de, met name in eerste aanleg, publiciteit die deze zaak heeft gehad.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur en een geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormen. Zowel de taakstraf als de geldboete is, mede gelet op hetgeen door het hof bewezen is verklaard, hoger dan in eerste aanleg door de rechtbank opgelegd. Naar het oordeel van het hof doen de opgelegde straffen meer recht aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de persoon van de verdachte.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade tot een bedrag van € 3.000,- en een bedrag van € 10.000,- als voorschot op vergoeding van de materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke (hoofdelijke) toewijzing van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 3.000,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en niet-ontvankelijk verklaring voor het overige, nu de beoordeling daarvan het strafproces te veel zou belasten.

De vordering is namens de verdachte betwist.

In verband met de door de benadeelde partij ingediende vordering wordt door het hof het navolgende overwogen.

De benadeelde partij vormde - in privé - in de periode dat het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit plaatsvond - met [B.V. medeverdachte 1], [B.V. medeverdachte 2] (van welke besloten vennootschappen de twee medeverdachten aandeelhouders/enig bestuurder waren) en [B.V. verdachte] (van welke vennootschap de verdachte aandeelhouder/enig bestuurder was) de maatschap [maatschap]. In die periode was de benadeelde partij door ziekte gedeeltelijk niet aanwezig en zijn door de maatschap, in opdracht van de verdachte en zijn medeverdachten en in afwijking van de daaraan voorafgaande periode, een groot aantal opzettelijk vals opgemaakte facturen in de boekhouding van de maatschap verwerkt. Het staat buiten kijf dat de benadeelde partij door dit onrechtmatig handelen niet meer kon vertrouwen op de boekhouding, dit geldt te meer indien daarbij wordt betrokken dat de verdachte en zijn medeverdachten aan de benadeelde partij geen openheid van zaken hebben verstrekt, dat dit zich heeft afgespeeld over een lange periode en het bovendien ging om een veelvoud aan facturen. Het hof is van oordeel dat ook voor de onderhavige benadeelde partij geldt - mede bezien in het licht van het feit dat er sprake was van een langdurige afwezigheid door ziekte waardoor geen verwijt te maken valt van het houden van onvoldoende toezicht - dat zij moet kunnen vertrouwen op de juistheid van de boekhouding en de daarin verwerkte facturen en dat zij - nu dat vertrouwen is geschonden - rechtstreeks is getroffen in het belang dat artikel 225 lid 1 Sr beoogt te beschermen. In dit verband kan er voorts nog op worden gewezen dat de B.V.'s van de verdachte en zijn medeverdachten ten overstaan van de arbiter - naar blijkt uit het arbitraal vonnis van 20 november 2006 - onder punt 25 (4) ontkenden dat door hun privé-kosten een onjuist beeld van de kosten van de maatschap is gecreëerd. Ook ontkenden zij valsheid in geschrifte of malversaties te hebben gepleegd. De vraag kan zeer wel worden gesteld of het arbiteraal vonnis niet anders zou hebben geluid - en wel in die zin dat de opzegging van de maatschap door de B.V.'s te kwader trouw was bevonden - indien aan de arbiter bekend zou zijn geweest dat er wel sprake was van door de verdachte en zijn medeverdachten gepleegde valsheid in geschrifte. Dat in elk geval voor de benadeelde partij het voortzetten van de maatschap na het ontstaan van het vermoeden van valsheid in geschrifte geen optie was blijkt eveneens uit voornoemd arbitraal vonnis, aangezien de benadeelde partij aangeeft [zie punt 24 onder (2) en (3)] dat de door de B.V.'s in het leven geroepen omstandigheden reden opleveren voor ontbinding van de maatschap. Het hof is (dan ook) van oordeel dat het feit dat de benadeelde partij tot de conclusie was gekomen dat de maatschap niet kon worden voortgezet aan voornoemd onrechtmatig handelen van de verdachte en zijn medeverdachten valt toe te rekenen. Niet gezegd kan immers worden dat dit - gelet op het feit dat het om een advocatenmaatschap gaat, waarbij integer handelen voorop dient te staan - een naar algemene ervaringsregelen onwaarschijnlijk gevolg is. Dat door het beëindigen van het maatschapsverband de benadeelde partij schade heeft geleden - waaronder schade door het wegvallen van inkomsten uit arbeid - lijdt geen twijfel. Het hof acht daarom termen aanwezig het door de benadeelde partij gevraagde voorschot van € 10.000,- toe te wijzen.

Het hof is in dit verband voorts nog van oordeel dat de opmerking van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep "dat het niet zozeer om het geld gaat en dat anders maar een symbolisch bedrag van € 1,-- moet worden vastgesteld" niet kan worden aangemerkt als het doen van afstand van recht. Voornoemde woorden zijn daartoe te weinig concreet en eenduidig.

Het hof is van oordeel dat hetgeen overigens door de benadeelde is gevorderd een onevenredige belasting van het strafgeding geding oplevert. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij overigens niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof acht geen termen aanwezig voor het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

De gedeeltelijke toewijzing van de vordering brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 9, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 47, 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5, 6, 7 en 8 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 50.000,00 (vijftigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 285 (tweehonderdvijfentachtig) dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering tot het bedrag van € 10.000,- als voorschot op vergoeding van de materiële schade van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn/haar betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mr. S. Clement,

mr. P. Greve en mr. H.A. Holthuis, in bijzijn van de griffier mr. P. Melis.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 april 2013.

Mr. P. Greve en mr. H.A. Holthuis zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.