Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ6452

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
08-04-2013
Zaaknummer
200.102.488-01 en 200.102.489-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Draagplicht belastingschulden in kader verdeling ontbonden huwelijksgemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht, team familie

Uitspraak : 9 januari 2013

Zaaknummers : 200.102.488/01 en 200.102.489/01

Rekestnrs. Rechtbank : FA RK 11-1007 & FA RK 11-4694

[appellante],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. P.H.A. de Boer te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. N. Çiçek te Rotterdam.

VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Voor het verloop van de procedure in hoger beroep verwijst het hof naar zijn beschikking van 20 juni 2012 waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Bij voormelde beschikking is de beschikking van de rechtbank Den Haag van 21 november 2011 bekrachtigd voor zover daarin de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken. Voorts is bepaald dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de overige verzoeken van de vrouw zal worden voortgezet.

De vrouw heeft op 19 oktober 2012 een aanvullend hoger beroepschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 22 oktober 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de man:

- op 29 oktober 2012 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen, welke stukken op 30 oktober 2012 tevens per gewone post zijn ingekomen.

De zaak is op 2 november 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door mr. S. Kranendonk, waarnemer van zijn advocaat.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

Het hof stelt vast dat de echtscheidingsbeschikking op [datum inschrijving] is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Hieronder zal het hof zo nodig op hele bedragen afronden.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn thans nog de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) en in het kader van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen: de draagplicht ter zake van de aanslagen inkomstenbelasting 2006 en 2007.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen (het hof begrijpt: voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen) en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de partneralimentatie zoals door de vrouw verzocht alsnog wordt toegewezen en dat het verzoek van de man om een bedrag van € 4.409,50 aan hem te betalen alsnog wordt afgewezen. Kosten rechtens.

De vrouw heeft haar verzoek bij aanvullend beroepschrift gewijzigd in die zin dat zij thans verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij een partneralimentatie is opgelegd van € 105,- per maand en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man aan de vrouw een partneralimentatie verschuldigd zal zijn van € 1.993,- bruto per maand bij vooruitbetaling te voldoen, ingaande de dag dat de beschikking van de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Kosten rechtens.

3. De man bestrijdt het hoger beroep van de vrouw en verzoekt het verzoek van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Algemeen

4. Het hof overweegt als volgt. Het aanvullend hoger beroep van de vrouw dient te worden opgevat als een vermeerdering van haar verzoek in hoger beroep ter zake van de partneralimentatie, waartoe zij binnen de grenzen van de eisen van een goede procesorde bevoegd is. Nu de man geen bezwaar van processuele aard heeft gemaakt tegen deze vermeerdering van verzoek, zal het hof het gewijzigde verzoek van de vrouw in zijn beoordeling betrekken.

5. Het hof overweegt voorts dat het de brief met bijlagen van 29 oktober 2012 van de zijde van de man in aanmerking zal nemen nu de inhoud daarvan weinig omvangrijk en eenvoudig te doorgronden is.

Partneralimentatie

Bewijsaanbod

6. Het hof overweegt ten aanzien van het bewijsaanbod dat de vrouw ter zitting heeft gedaan als volgt.

7. In het kader van de partneralimentatie heeft de vrouw gesteld dat sprake is van een door de man zelf teweeggebracht inkomensverlies, en dat op grond daarvan met dit inkomensverlies geen rekening moet worden gehouden. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst de vrouw naar de brief van 20 september 2010 van de man aan de scheidingsmakelaar van partijen, [X]. In deze brief schrijft de man: “Nu is de situatie veranderd. Ik heb dit inkomen niet meer, omdat ik zo klaar was met de hele situatie en daarom in overleg heb gekozen om zelfstandig ondernemer te worden.” De vrouw verwijst voorts naar de e-mail van 22 oktober 2012 waarin de scheidingsmakelaar bevestigt voormelde brief van de man te hebben ontvangen. De vrouw biedt bewijs aan van haar vooromschreven stelling door middel van het horen van zichzelf, [X] en de directeur van [Y].

8. De man weerspreekt dat hij zijn dienstverband als directeur verkoop bij [Y] vrijwillig zou hebben beëindigd om een eigen onderneming te starten. Hij verwijst naar de brief van 16 januari 2010 van [Z] in samenhang met de brief van 24 augustus 2011 van [Z], alsmede naar het feit dat het UWV hem een uitkering heeft toegekend en hem in staat heeft gesteld een eigen onderneming te starten.

9. Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt voorop dat, indien sprake is van een inkomensverlies dat door eigen gedragingen teweeg is gebracht, vervolgens moet worden bezien of dit inkomensverlies voor herstel vatbaar is of niet. Indien dit inkomensverlies niet voor herstel vatbaar is hangt het van de omstandigheden van het geval af of de inkomensvermindering bij het vaststellen van de draagkracht geheel of ten dele buiten beschouwing wordt gelaten, waarbij zal moeten worden bezien of de onderhoudsplichtige zich, uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde met het oog op diens belangen, had behoren te onthouden van de gedragingen die tot de inkomensvermindering hebben geleid.

10. Het hof is van oordeel dat de omstandigheden in deze zaak leiden tot de gevolgtrekking dat rekening moet worden gehouden met het huidige lagere inkomen van de man. De man heeft in januari 2010 zijn ontslag aangezegd gekregen. Vervolgens is hij zich gaan oriënteren op een volgende werkkring en is hij, met behoud van zijn vervolgens toegekende uitkering krachtens de Werkloosheidswet, een eigen onderneming gestart in juli 2010. Eerst op 7 februari 2011 heeft de vrouw een verzoekschrift tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend, derhalve meer dan een jaar na de ontslagaanzegging aan de man. De echtscheidingsbeschikking is op [datum inschrijving] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zodat de verplichting tot het verstrekken van een uitkering tot levensonderhoud eerst vanaf die datum kan ingaan. Het hof is van oordeel dat het niet redelijk is om terug te grijpen op een ontslag dat zo lang voordien heeft plaatsgevonden en daaraan gevolgen te verbinden. Dit betekent dat, indien de vrouw al zou slagen in het leveren van bewijs zoals door haar aangeboden, te weten dat de man het inkomensverlies zelf teweeg heeft gebracht, en vervolgens zou worden aangenomen dat dit inkomensverlies niet voor herstel vatbaar zou zijn - nu de vrouw niet heeft gesteld dat dit wel zo zou zijn - het hof op grond van het hiervoor overwogene rekening zal houden met dit inkomensverlies. Nu daarom het door de vrouw aangeboden bewijs niet tot een andere beslissing van de zaak zal leiden, gaat het hof hieraan als niet ter zake dienend voorbij.

11. Het hof zal daarom beoordelen of de man draagkracht heeft om een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw te voldoen. Tussen partijen is niet langer in geschil dat het door de vrouw verzochte bedrag de behoefte van de vrouw aan een uitkering tot levensonderhoud niet overstijgt.

Draagkracht van de man

12. Gelet op hetgeen hiervoor onder 10 is overwogen en op dezelfde gronden als de rechtbank, welke gronden het hof hierbij tot de zijne maakt, gaat het hof bij het bepalen van de draagkracht van de man uit van een jaarinkomen van de man van € 41.000,- bruto per jaar. Dit bruto jaarinkomen dient nog te worden verhoogd met de werkloosheidsuitkering inclusief vakantiegeld van de man van € 25.548,- per jaar, zoals opgenomen in de aangifte inkomstenbelasting 2011 van de man. Ter terechtzitting is partijen voorgehouden dat het hof de som van deze twee bedragen als het huidige inkomen van de man beschouwt. Geen der partijen heeft vervolgens tegen de bedragen op zich meer bezwaar gemaakt, zodat het bruto jaarinkomen van de man geen verdere bespreking behoeft.

Aan de inkomenszijde houdt het hof voorts rekening met een inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 2.050,- per jaar, een eigenwoningforfait van € 4.081,-, rente en kosten van (hypothecaire) schulden in verband met de eigen woning van € 31.177,- per jaar, alsmede met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, en - aangezien het oudste kind van partijen bij de man staat ingeschreven - de alleenstaande ouderkorting.

13. Het hof neemt voorts de volgende onbetwiste maandelijkse lasten in aanmerking:

- € 95,- aan forfait overige eigenaarslasten;

- € 99,- aan nominale premie zorgverzekering, waarvan € 49,- in de bijstandsnorm is verdisconteerd;

- € 150,- aan omgangskosten.

14. Het hof is met de vrouw van oordeel dat, gelet op het inkomen van de man, zijn woonlasten onredelijk hoog zijn. Dit geldt te meer nu de man als directeur-grootaandeelhouder van een besloten vennootschap vanuit huis werkt, terwijl daartegenover geen vergoeding vanuit die vennootschap aan de man in privé staat. Het hof zal daarom evenals de rechtbank een korting wegens een onredelijke woonlast van € 579,- per maand in aanmerking nemen. Het hof ziet geen aanleiding de korting op een hoger bedrag vast te stellen. In de bijstandsnorm is voorts een bedrag van € 213,- per maand als ‘gemiddelde basishuur’ verdisconteerd.

15. Ten aanzien van de ziektekosten houdt het hof rekening met een bedrag van € 18,- per maand aan verplicht eigen risico zorgverzekering. Het hof gaat ervan uit dat de man dit eigen risico besteedt. .

16. Het hof houdt voorts rekening met het maandelijks door de man te betalen bedrag aan kinderalimentatie van in totaal € 797,20, waarover tussen partijen geen geschil bestaat. Het hof neemt daarbij in aanmerking het voordeel uit de fiscale buitengewone lastenaftrek in verband met de kinderalimentatie ten behoeve van het kind dat bij de vrouw staat ingeschreven.

17. Het hof gaat evenals de rechtbank uit van de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60.

18. Uit het vorenstaande volgt dat de man, rekening houdend met het fiscale voordeel, draagkracht heeft om een bruto partneralimentatie van € 841,- per maand te voldoen.

19. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij op korte termijn een dienstverband aangaat met een redelijke werkomvang, nu hij hieraan geen nadere consequenties verbindt.

Verdeling

Aanslagen inkomstenbelasting 2006 en 2007

20. De vrouw is het niet eens met de beslissing van de rechtbank dat zij ter zake van door de man betaalde aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2006 en 2007 nog een bedrag van € 4.409,50, zijnde de helft van die aanslagen, aan de man dient te voldoen. Volgens de vrouw is het - gelet op het verschil in inkomen van partijen zowel voor als na de totstandkoming van het convenant - onredelijk dat zij de helft van de onderhavige belastingaanslagen moet dragen nu in het echtscheidingsconvenant expliciet de mogelijkheid van draagplicht naar rato van ieders inkomen is opgenomen. De vrouw verwijst naar haar brief van 11 oktober 2011 waarin in eerste aanleg een en ander is uiteengezet. Volgens de vrouw dienen de belastingaanslagen te worden gedragen naar rato van het inkomen van partijen op het moment van ontvangst van de aanslagen.

21. De man betwist het door de vrouw gestelde. Volgens hem dienen de aanslagen inkomstenbelasting 2006 en 2007 conform de hoofdregel van het convenant door partijen ieder voor de helft te worden gedragen. Anders dan de vrouw in eerste aanleg heeft gesteld, staat een eventuele onder- dan wel overbedeling in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap hier los van. Partijen hebben destijds bewust voor deze hoofdregel gekozen, waarbij de hoogte van ieders inkomen bekend was, aldus de man.

22. Het hof is van oordeel dat de rechtbank ter zake van de aanslagen inkomenstenbelasting 2006 en 2007 terecht heeft beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

23. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

24. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw met ingang van [datum inschrijving echtscheidingsbeschikking] op € 841,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Van Kempen, en Van de Poll, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 januari 2013.