Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ6446

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-01-2013
Datum publicatie
05-04-2013
Zaaknummer
BK-11/00819
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. In geschil is of belanghebbende in 1991 heeft verzuimd de premie voor de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule ten laste van haar inkomen te brengen en, zo ja, of zij op grond van de resolutie van 29 juni 1990, nr. DB 90/3579, BNB 1990/341, de verzuimde premieaftrek in aanmerking mag nemen bij het bepalen van het inkomen uit de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/883
Belastingadvies 2013/10.1
V-N 2013/25.11 met annotatie van Redactie
FutD 2013-1001
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-11/00819

Uitspraak d.d. 8 januari 2013

in het geding tussen:

[X], te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst/Haaglanden, hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank

’s-Gravenhage van 27 september 2011, nummer AWB 10/8263 IB/PVV.

Aanslag, beschikking heffingsrente, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende op 5 maart 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: de aanslag) voor het jaar 2007 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.382 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 401. Voorts is bij beschikking € 901 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 20 september 2010 de onderhavige aanslag en beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar bij brief van 18 november 2010, ontvangen door de rechtbank op 24 november 2010, beroep ingesteld.

1.4. De rechtbank heeft bij de bestreden uitspraak het volgende beslist, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

”- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een aanslag, vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek van € 15.976, en met inachtneming van een persoonsgebonden aftrek die is berekend uitgaande van het zo-even genoemde belastbare inkomen uit werk en woning vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek;

- vermindert de aan eiseres in rekening gebrachte heffingsrente tot een bedrag dat is berekend op basis van de door de rechtbank verminderde aanslag;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiseres gemaakt proceskosten ten bedrage van € 874;

- gelast dat verweerder eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 41 vergoedt.”

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 27 november 2012, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen.

2.3. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2.4. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan.

3.1. Belanghebbende heeft op 16 juli 1991 een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule afgesloten bij Nuts Levensverzekering van 1848 N.V. De polis voorziet in een verzekerde uitkering op einddatum 21 juni 2007 van f 47.063, dan wel een uitkering van f 15.000 na overlijden van de verzekerde voor 21 juni 2007. Blijkens het aan de polis verbonden clausuleblad LRC dient het tot uitkering komende kapitaal aangewend te worden voor de aankoop van één of meer lijfrentes ter keuze van de begunstigde(n) (hierna: de lijfrenteclausule). De premie bedroeg f 15.000, te voldoen op 20 juni 1991.

3.2. Bij brief van 1 december 2006 heeft VSB Leven N.V. belanghebbende bericht dat op voormelde kapitaalverzekering met lijfrenteclausule per 21 juni 2007 een kapitaal van € 21.356 ter beschikking zal komen. Aan belanghebbende wordt de vraag voorgelegd of de verzekering premievrij verlengd moet worden, dan wel met het kapitaal een direct ingaande lijfrente moet worden aangekocht dan wel het kapitaal ineens moet worden uitgekeerd.

Belanghebbende heeft gekozen voor een uitkering ineens.

3.3. Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (voor toepassing van de persoonsgebonden aftrek) van € 22.783, een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 401 en een persoonsgebonden aftrek van € 840.

3.4. De Inspecteur heeft in afwijking van de aangifte een aanslag opgelegd die als volgt is berekend:

- aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning € 22.783

- hoger huurwaardeforfait €        83

- afkoop kapitaalverzekering met lijfrenteclausule € 21.356

- vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 44.222.

Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld op € 401. De persoonsgebonden aftrek is vastgesteld op nihil in verband met de hogere drempel voor de buitengewone uitgaven.

3.5. Het belastbare inkomen voor het jaar 1991 is vastgesteld op f 47.498. In de jaren 1993 en 1994 bedroegen de inkomsten uit arbeid ter zake van belanghebbendes dienstbetrekking bij [A] f 44.267 respectievelijk f 44.220.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende in 1991 heeft verzuimd de premie voor de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule ten laste van haar inkomen te brengen en, zo ja, of zij op grond van de resolutie van 29 juni 1990, nr. DB 90/3579, BNB 1990/341, de verzuimde premieaftrek in aanmerking mag nemen bij het bepalen van het inkomen uit de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule.

Belanghebbende beantwoordt bovenstaande vragen bevestigend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting van 27 november 2012 opgemaakte proces-verbaal.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van de Inspecteur strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar.

5.2. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6. De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

“6. Gelet op de goedkeuring dient eiseres, tegenover de betwisting daarvan door verweerder, aan te tonen dat de premie niet in mindering op haar belastbare inkomen van 1991 is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres hierin geslaagd. Bij dit oordeel neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

Eiseres stelt dat haar inkomen van 1991 nauwelijks afwijkt van haar inkomens in daarop volgende jaren. Zou een bedrag van fl. 15.000 in mindering op haar inkomen van 1991 zijn gekomen, dan zou het belastbare inkomen voor 1991 aanmerkelijk lager dan de inkomens van daarop volgende jaren zijn. Ter onderbouwing van haar stelling heeft eiseres de volgende bewijsmiddelen overgelegd:

- de aan haar voor 1991 opgelegde aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 47.489;

- loonopgaven voor de jaren 1993 en 1994, die als loon respectievelijk fl. 44.267 en fl. 44.220 vermelden.

Niet in geschil is dat de onzuivere inkomens van eiseres in de genoemde jaren (nagenoeg) uitsluitend uit loon bestonden.

Met de door haar overgelegde bewijsmiddelen heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank aangetoond dat haar belastbare inkomen van 1991 niet lager was dan haar belastbare inkomens van de daarop volgende jaren. Hieruit maakt de rechtbank de gevolgtrekking dat op het onzuivere inkomen van 1991 niet een bedrag van fl. 15.000 in mindering is gekomen. Zou dat wel het geval zijn geweest, dan zou het vastgestelde belastbare inkomen van 1991 immers veel lager zijn geweest dan de inkomens van de daarop volgende jaren. Omstandigheden die, indien aannemelijk, reden zouden kunnen zijn om aan te nemen dat eiseres in 1991 een veel hoger onzuiver inkomen heeft genoten dan in de daarop volgende jaren en dat de premie van dit hogere onzuivere inkomen had kunnen worden afgetrokken zonder dat het belastbare inkomen van 1991 daardoor zou zijn uitgekomen onder het niveau van de inkomens van volgende jaren, zijn gesteld noch gebleken.

7. Gelet op het vorenstaande is het gelijk aan eiseres. Daarom is het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de aanslag verminderd.

8. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten bestaan uit de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en zijn, met toepassing van het in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen tarief, bepaald op € 874 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1 en een bedrag per punt van € 437).”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar een uitkering ontvangen uit de door haar in 1991 afgesloten kapitaalverzekering met lijfrenteclausule van € 21.356. Op grond van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 juncto artikel 75 juncto artikel 25, eerste lid, onderdeel g, en tiende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964), wordt deze uitkering aangemerkt als een belastbare periodieke uitkering uit een inkomensvoorziening als bedoeld in artikel 3.100 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

7.2. Ingevolge artikel 25, eerste lid, onderdeel g, van de Wet IB 1964 wordt de uitkering belast voor zover deze de tegenprestatie overtreft. De tegenprestatie wordt echter verminderd met hetgeen bij de bepaling van het belastbare inkomen in verband met de verkrijging van het recht als premie in aanmerking kon worden genomen.

7.3. De door belanghebbende betaalde premie voor de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule van f 15.000 (€ 6.807) kon volgens de in 1991 geldende wettelijke bepalingen als persoonlijke verplichting ten laste van het inkomen worden gebracht. De tegenprestatie als bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel g, van de Wet IB 1964 wordt daarom op nihil gesteld. Dit betekent dat de uitkering van € 21.356 als periodieke uitkering uit een inkomensvoorziening tot het inkomen uit werk en woning behoort.

7.4. Belanghebbende heeft gesteld dat zij de premie van f 15.000 (€ 6.807) destijds niet ten laste van het inkomen heeft gebracht en doet een beroep op het beleid zoals dit is neergelegd in de resolutie van 29 juni 1990, nr. DB 90/3579, BNB 1990/341. In deze resolutie keurt de staatssecretaris van Financiën goed dat in bepaalde omstandigheden in geval van verzuimde aftrek van de lijfrentepremie, deze lijfrentepremie alsnog in aanmerking kan worden genomen bij de toepassing van de saldo-methode. Dit is in de resolutie als volgt geformuleerd:

“2. Te verlenen tegemoetkomingen

a. Ambtshalve te verlenen vermindering. Indien een belastingplichtige gedurende een of meer jaren heeft verzuimd de premies voor een lijfrente in aftrek te brengen op zijn onzuivere inkomen, wordt op verzoek van de belastingplichtige eerst zoveel mogelijk overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften ambtshalve een vermindering of teruggaaf verleend.

b. Verruiming saldomethode. Indien de termijnen van lijfrente vloeien, dan wel de lijfrente c.q. kapitaalverzekering met lijfrenteclausule wordt afgekocht of gedeclausuleerd, keur ik goed dat op verzoek van de belastingplichtige de lijfrentepremies waarvan de verzuimde aftrek niet kan worden hersteld op grond van de voorschriften inzake ambtshalve te verlenen vermindering of teruggaven, worden aangemerkt als premies die niet op het inkomen in mindering konden worden gebracht. De termijnen van lijfrente, de afkoopsom c.q. de omzettingswaarde worden alsdan in het inkomen begrepen voor zover deze de lijfrentepremies overtreffen die niet op het inkomen in mindering konden worden gebracht.

Deze verruiming van de saldomethode wordt uitsluitend toegepast indien en voor zover de belastingplichtige aantoont dat de lijfrentepremies in het verleden niet in mindering op diens inkomen zijn gebracht. Als voorwaarde voor toepassing van de verruiming van de saldomethode geldt voorts dat de belastingplichtige tegenover de inspecteur aannemelijk maakt dat het niet aftrekken van de premies niet is te wijten aan opzet of grove schuld (met andere woorden dat er daadwerkelijk sprake is van ,,verzuim'' en bijvoorbeeld niet van welbewust afzien van aftrek).”

7.5. Partijen verschillen uitsluitend van mening over het antwoord op de vraag of belanghebbende heeft “aangetoond” dat de lijfrentepremie in het verleden niet op het inkomen in mindering is gebracht. De Inspecteur stelt zich daarbij primair op het standpunt dat de staatssecretaris van Financiën door het gebruik van het woord “aantonen” een zwaardere vorm van bewijs verlangd dan “aannemelijk maken” en subsidiair dat belanghebbende de verzuimde aftrek niet aannemelijk heeft gemaakt.

7.6. Het Hof verwerpt het standpunt van de Inspecteur inzake de zwaarte van het te leveren bewijs. Bij de totstandkoming van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is uitdrukkelijk gekozen om de gradaties in het bewijsrecht tot een minimum te beperken. Er wordt uitgegaan van twee nuances: “blijken” of “aannemelijk maken”, waarbij onder “blijken” wordt verstaan: overtuigend aantonen. De Hoge Raad heeft op basis van deze wetsgeschiedenis in het arrest van 26 mei 1999, nr. 34 230, BNB 1999/272 ten aanzien van het begrip “aantonen” het volgende geoordeeld:

“3.3. In het middel wordt tot uitgangspunt genomen dat als gevolg van het woord 'aantonen' in artikel 11, lid 4, van de Uitvoeringsregeling belanghebbende niet kan volstaan met aannemelijk te maken dat het bedrag van de besparing aanmerkelijk lager is dan, kort gezegd, de economische huurwaarde, maar dat hij van dat feit het overtuigende bewijs moet leveren. Dat uitgangspunt is echter niet juist. Een zwaardere dan de normale bewijslast mag alleen worden aangenomen daar waar duidelijk is dat de wetgever dat uitdrukkelijk heeft gewild. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Algemene wet inzake rijksbelastingen moet worden afgeleid dat dit het geval is indien in een belastingwet het begrip 'doen blijken' wordt gebruikt, in welk geval zekere feiten volledig moeten worden bewezen, dat wil zeggen overtuigend moeten worden aangetoond (HR 27 januari 1971, nr. 16 456, BNB 1971/55). Aan het woord 'aantonen' mag dan ook niet - tenzij in een specifiek geval uit de wetsgeschiedenis anders zou blijken, welke situatie zich hier niet voordoet - een andere betekenis worden gehecht dan aannemelijk maken.”

In de resolutie zijn geen aanwijzingen te vinden dat de staatssecretaris van Financiën, van wie mag worden verondersteld dat hij bekend is met voormelde wetsgeschiedenis van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, met het gebruik van het woord “aantonen” een zwaardere vorm van bewijs heeft bedoeld dan “aannemelijk maken”. Het enkele feit dat in de daarop volgende zin het woord “aannemelijk maken” wordt gebruikt, acht het Hof onvoldoende voor een dergelijke conclusie.

Het Hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat belanghebbende aannemelijk dient te maken dat zij in 1991 heeft verzuimd de lijfrentepremie ten laste van haar inkomen te brengen.

7.7. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van haar standpunt een kopie overgelegd van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 1991, waaruit een belastbaar inkomen volgt van f 47.498, alsmede twee jaaropgaves over de jaren 1993 en 1994 waaruit volgt dat zij bij [A] een jaarloon genoot van f 44.267 respectievelijk f 44.220. Het Hof acht voldoende aannemelijk gemaakt dat – gelet op de geringe verschillen in inkomen – belanghebbendes onzuivere inkomen in deze jaren nagenoeg uitsluitend uit het loon uit dienstbetrekking bestond. Het Hof acht niet aannemelijk dat sprake is geweest van andere belaste inkomsten zoals de door de Inspecteur geopperde mogelijkheid van een belaste (afkoopsom van een) periodieke uitkering in het jaar 1991. Belanghebbende heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de lijfrentepremie heeft voldaan uit de gelden afkomstig van de schadevergoeding die zij heeft ontvangen als gevolg van het overlijden van haar echtgenoot in 1989. Belanghebbendes echtgenoot is omgekomen bij de vliegramp op [dag en maand] 1989 in [plaats]. Belanghebbende heeft gesteld – en het Hof acht aannemelijk - dat zij een schadevergoeding heeft ontvangen van de verzekeringsmaatschappij van de [luchtvaartmaatschappij]. Het Hof acht niet aannemelijk dat hierbij sprake is geweest van een voor de inkomstenbelasting belaste schadevergoeding. Het Hof acht voorts niet aannemelijk dat de onderhavige kapitaalverzekering met lijfrenteclausule is ontstaan uit de omzetting van een andere lijfrenteverzekering, zoals door de Inspecteur is geopperd. Op de polis wordt hiervan geen melding gemaakt en de polis vermeldt duidelijk dat de premie dient te worden voldaan op 20 juni 1991.

Het Hof is dan ook van oordeel dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de lijfrentepremie van f 15.000 niet op het onzuivere inkomen in mindering is gebracht. Aangezien tussen partijen niet in geschil is dat het niet aftrekken van de lijfrentepremie niet is te wijten aan opzet of grove schuld en voorts vaststaat dat de verzuimde aftrek niet kan worden gecorrigeerd door middel van een ambtshalve vermindering van de aanslag over het jaar 1991, kan belanghebbende de lijfrentepremie van f 15.000 (€ 6.807) in mindering brengen op de uitkering van € 21.356.

7.8. Ter zitting is komen vast te staan dat het door de rechtbank vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning op een misslag berust. Partijen zijn het erover eens dat indien ten aanzien van de aftrek van de premie het gelijk aan belanghebbende is, het belastbaar inkomen uit werk en woning als volgt moet worden vastgesteld:

- aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning € 22.783

- hoger huurwaardeforfait (niet in geschil) €        83

- afkoop kapitaalverzekering met lijfrenteclausule € 14.549

- totaal € 37.415

Gelet op de drempel voor de buitengewone uitgaven als bedoeld in artikel 6.24, tweede lid, van de Wet IB 2001 bestaat geen recht op aftrek van buitengewone uitgaven.

Slotsom

7.9. Gelet op het onder 7.8 overwogene, is het Hof van oordeel dat het hoger beroep gegrond is.

Proceskosten en griffierecht

8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank behoudens de beslissingen inzake de proceskosten en het griffierecht;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.415 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 401;

- vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. drs. T.A. Gladpootjes, mr. W.M.G. Visser en mr. Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 8 januari 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.