Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ6410

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
08-04-2013
Zaaknummer
200.110.726.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Informatieregeling voor ouder die geen omgang heeft met de minderjarigen? Nee, in dit geval niet. Invulling van het belang, in deze situatie de houding van de andere ouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 9 januari 2013

Zaaknummer : 200.110.726/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 12-7076 / FA RK 12-7687 / FA RK 12-7688

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep, tevens verweerder in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. L.L.A. Cox te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde],

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Zuid Oost, locatie Ter Peel te Breda,

verweerster in hoger beroep, tevens verzoekster in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.G. Hoogerwerf te Dordrecht.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 30 juli 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 30 mei 2012 van de rechtbank Dordrecht.

De vrouw heeft op 12 september 2012 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 15 oktober 2012 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 7 augustus 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

- op 13 augustus 2012 een brief van diezelfde datum met bijlage.

van de zijde van de raad:

- op 27 november 2012 een faxbericht van diezelfde datum waarin de raad het hof heeft medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen.

De zaak is op 28 november 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw [A], de huidige echtgenote van de man en stiefmoeder van de na te noemen minderjarigen.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

De hierna te noemen minderjarige [kind W] is in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank – voor zover in hoger beroep van belang – uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de man de vrouw iedere drie maanden schriftelijk zal informeren over alle gewichtige aangelegenheden (schoolprestaties, gezondheid, activiteiten en psychische gesteldheid) met betrekking tot de na te noemen minderjarigen; tenminste tweemaal per jaar dient de schriftelijke informatie vergezeld te gaan van een goedgelijkende portretfoto van de kinderen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

Onder meer staat het volgende vast:

Uit het op 11 april 2008 ontbonden huwelijk van partijen zijn geboren de minderjarigen:

- [kind W], geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats],

- [kind X], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats],

- [kind Y], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats], en

- [kind Z], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats], hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen. Partijen hebben gezamenlijk het gezag over de minderjarigen. De minderjarigen verblijven thans bij de man.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de informatievoorziening.

2. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking voor wat betreft de schriftelijke informatieverschaffing en toezending van de foto’s te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de vrouw niet ontvankelijk wordt verklaard in haar beroep, dan wel dat de verzoeken worden afgewezen, een en ander uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet het toelaat.

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn appel, althans het appel van de man af te wijzen.

Daarnaast verzoekt de vrouw het hof in incidenteel appel de man te veroordelen de vrouw iedere drie maanden en aldus telkens op 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober schriftelijk te informeren over alle (het hof leest: gewichtige) aangelegenheden (schoolprestaties, gezondheid, activiteiten en psychische gesteldheid) met betrekking tot de minderjarigen waarbij de schriftelijke informatie tenminste twee maal per jaar vergezeld dient te gaan van een goed gelijkende portretfoto van de minderjarigen telkens op 1 april en 1 oktober op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat de man met de nakoming in gebreke blijft althans op straffe van een door uw gerechtshof te bepalen dwangsom. Voorts verzoekt de vrouw het hof de man te veroordelen in de kosten van de appelprocedure.

4. De man verzet zich daartegen en verzoekt het hof de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidenteel appel, dan wel het incidenteel appel van de vrouw af te wijzen.

Informatieregeling

5. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte een informatieregeling heeft vastgesteld waarbij hij de vrouw iedere drie maanden schriftelijk over de minderjarigen dient te informeren alsmede tweemaal per jaar een foto van de minderjarigen dient toe te sturen. De man voert daartoe aan dat de rechtbank hem verkeerd heeft begrepen en dat hij nimmer de intentie heeft gehad om de vrouw informatie over de minderjarigen te (gaan) verschaffen. De man stelt dat een informatieregeling niet in het belang van de minderjarigen is. De minderjarigen, met name de dochter van partijen, voelt elk contact dat de man met de vrouw heeft als verraad. Gezien hetgeen waarvoor de vrouw veroordeeld is, is informatieverschaffing met foto’s extra schrijnend, aldus de man.

6. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank terecht een informatieregeling heeft vastgesteld. De vrouw voert daartoe aan dat de man in eerste aanleg wel een toezegging had gedaan en dat niet gebleken is dat de minderjarigen dit niet willen. Daarnaast voert de vrouw aan dat het niet uitmaakt als de minderjarigen niet zouden willen, omdat de man op grond van de wet verplicht is om haar van informatie over hen te voorzien. Bezwaren van een kind zijn niet voldoende om het verzoek om informatie af te wijzen. De vrouw stelt dat het juist in het belang van de minderjarigen is om de informatieregeling vast te stellen, omdat zij hen kan helpen bij het verwerken van hun boosheid jegens haar.

7. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:253a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder andere omvatten de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd. Anders dan de vrouw meent, kan er naar het oordeel van het hof sprake zijn van omstandigheden die maken dat het tijdelijk niet in het belang van de minderjarige kan zijn dat er door de ouder bij wie zij het hoofdverblijf hebben informatie wordt verschaft aan de andere ouder. Dit brengt mee dat de rechter zowel op verzoek van een ouder als ambtshalve kan bepalen dat een dergelijke regeling achterwege dient te blijven indien het belang dat wenselijk maakt.

8. Nu er geen contactregeling van kracht is tussen de vrouw en de minderjarigen, is de informatievoorziening een belangrijk middel voor de vrouw om een band met de minderjarigen te behouden. De vrouw heeft derhalve belang bij een informatieregeling. Naar het oordeel van het hof dient echter in het onderhavige geval het belang van de vrouw te wijken voor het belang van de minderjarigen. Het hof overweegt daartoe dat uit de overgelegde stukken, het verhandelde ter zitting en het verhoor van de minderjarige [kind W] het hof genoegzaam is gebleken dat de minderjarigen een belaste gezinsgeschiedenis kennen. De minderjarigen zijn geschokt en beschadigd door de ervaringen die zij in het recente verleden met de vrouw, hun moeder, hebben opgedaan, juist in een periode dat zij de hoofdopvoedster en verzorgster was. De verwaarlozing in de thuissituatie en het seksueel misbruik van één van de minderjarigen door de vrouw (en haar partner) hebben de minderjarigen ernstig getraumatiseerd en zeer beschadigd in hun vertrouwen. Het hof is om die reden van oordeel dat de vaststelling van een informatieregeling nadelige gevolgen zal hebben voor het veiligheidsgevoel van de minderjarigen en dat de (verplichte) informatieverstrekking door de man aan de vrouw, een negatieve weerslag zal hebben op het geestelijk en lichamelijk welzijn van de minderjarigen. In dit stadium is rust voor de minderjarigen geboden. Het hof sluit niet uit dat een informatieregeling in de toekomst wel mogelijk zal zijn. Voor het genezingsproces van de minderjarigen is het van belang dat de vrouw een plek krijgt in hun leven, die ook recht doet aan de periode dat zij als verzorgster en opvoedster wel beschikbaar is geweest. De man dient zich in dit opzicht te realiseren dat zijn ter zitting gebleken uitsluitend negatieve houding ten opzichte van de vrouw op de langere termijn schadelijk is voor de ontwikkeling van de minderjarigen. Het hof acht het ook niet in het belang van de minderjarigen dat de publiciteit is gezocht. In plaats van stigmatisering dient verwerking tot doelstelling te worden gemaakt, voor alle gezinsleden. Een verwerkingsproces leidt niet tot het ‘goed’ achten van wat is gebeurd, het zal er wel toe kunnen leiden dat de minderjarigen in de toekomst vanuit een breder referentiekader het verleden zullen kunnen beschouwen.

9. Uit het voorgaande volgt dat het belang van de minderjarigen zich op dit moment tegen het verschaffen van informatie verzet, zodat de bestreden beschikking van de rechtbank zal worden vernietigd. Het hof zal het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een informatieregeling alsnog afwijzen.

Dwangsom

10. Nu het hof het verzoek van de vrouw af wijst, behoeft het verzoek van de vrouw tot het verbinden van een dwangsom aan haar verzoek geen bespreking meer.

Proceskostenveroordeling

11. De vrouw heeft verzocht de man in de proceskosten te veroordelen. Het hof is van oordeel dat hetgeen de vrouw ter onderbouwing van haar verzoek heeft aangevoerd onvoldoende is om van het uitgangspunt, dat bij zaken van familierechtelijke aard de proceskosten worden gecompenseerd, af te wijken.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de vastgestelde informatieregeling en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een informatieregeling alsnog af;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Van den Wildenberg en Fockema Andreae-Hartsuiker, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 januari 2013.