Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ6073

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
10-04-2013
Zaaknummer
200.097.731/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

onderwijsovereenkomst; zorgplicht school ten opzichte van leerling met rugzakje; leerlinggeboden budget; opstellen handelingsplan

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2013/76
WVO Commentaar en Jurisprudentie 2013/344

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.097.731/01

Zaak/rolnummer rechtbank : 343485/HA ZA 09-3461

Arrest d.d. 9 april 2013

inzake

1. [Naam],

en

2. [Naam],

beiden wonende te [Woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: [appellante sub 1] danwel [appellante sub 2] en tezamen ook wel [appellanten],

advocaat: I.P.M. Boelens te Zeist,

tegen

Stichting Scholengemeenschap Montessori Lyceum Rotterdam, Gymnasium, Atheneum, Havo,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de school,

advocaat: mr. I.A. Hoen te ’s-Gravenhage.

Het verdere geding

Voor het verloop van het geding tot aan het tussenarrest van 17 januari 2012 verwijst het hof naar dat arrest. Daarbij werd een comparitie van partijen bevolen, die heeft plaatsgevonden. Van hetgeen besproken is, is proces-verbaal opgemaakt. Hierna heeft [appellanten] bij memorie van grieven (met producties) acht grieven tegen het bestreden vonnis van 31 augustus 2011 aangevoerd. De school heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Hierna hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De grieven richten zich alle tegen het eindvonnis van 31 augustus 2011, zodat het appel geacht wordt alleen tegen dat vonnis gericht te zijn.

2. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder het kopje “2. De feiten” een aantal feiten vastgesteld. [appellanten] heeft onder de eerste grief tegen de vaststelling van de meeste feiten bezwaren geuit.

3. Met inachtneming daarvan alsmede van de niet weersproken inhoud van de overgelegde stukken en producties gaat het in deze zaak om het volgende.

3.1. [appellante sub 1] is de moeder van [appellante sub 2]. [appellante sub 2] is vanaf het schooljaar 2005/2006 tot en met eind 2008 leerling geweest op de school.

3.2. Voordat [appellante sub 2] op de school kwam, is vastgesteld dat zij dyslexie heeft. In haar tweede schooljaar, in januari 2007, is bij haar de diagnose PDD-NOS gesteld. PDD-NOS is een stoornis in het autistisch spectrum. [appellante sub 2] heeft moeite met nieuwe situaties en een sterke behoefte aan structuur. De schoolresultaten van [appellante sub 2] op de school zijn goed (geweest) evenals haar leermotivatie.

3.3. In april 2007 heeft [appellante sub 1] een aanvraag gedaan voor een indicatie voor leerlinggebonden financiering voor cluster 4 (het zogeheten rugzakje) bij het regionaal expertisecentrum (REC). Deze rugzakfinanciering maakt het mogelijk om extra ondersteuning en inzet van middelen te krijgen. Bij brief van 12 april 2007 heeft het Instituut voor Jeugdzorg en Onderwijs Horizon, Centraal Bureau, aan [appellante sub 1] bericht dat bij de aanvraag onder meer ook nog een onderwijskundig rapport en een handelingsplan van de school moeten worden toegevoegd.

3.4. In juni 2007 liet de school aan [appellante sub 1] weten dat zij vanaf dat moment een handelingsplan zou gaan bijhouden.

3.5. In januari 2008 heeft Centraal Bureau Horizon de aanvraag voor het rugzakje verstuurd aan het REC. In april 2008 liet het REC [appellante sub 1] weten dat zij voornemens was negatief op de aanvraag te beslissen. Vervolgens heeft de school het REC laten weten dat sprake was van ontoereikendheid van de zorg binnen de school op het gebied van frequentie, tijd en expertise op het gebied van PDD-NOS-problematiek. Hierna heeft REC op 27 juni 2008 een positief besluit afgegeven.

3.6. Bij brief van 14 juli 2008 liet het Centraal Bureau Horizon aan [appellante sub 1] weten dat het dossier was doorgestuurd naar de Ambulante Onderwijs Dienst (AOD) van Horizon, dat die over het rugzakje zou berichten en dat de procedure tot het uiteindelijk starten van de begeleiding nog enige tijd kon duren.

3.7. De school ontving begin september 2008 een brief van Horizon met de mededeling dat de AOD de ambulante begeleiding zou bieden. Verzocht werd een kopie van het te ontvangen terugmeldingsformulier aan Horizon te zenden, waarna de begeleiding kon starten. Door het grote aantal aanvragen was Horizon genoodzaakt, zo berichtte Horizon voorts, met een wachtlijst te werken. Op 10 oktober 2008 heeft de school bedoeld formulier teruggezonden.

3.8. Het schooljaar was begonnen op 1 september 2008. Per 22 september 2008 werd mevrouw [X] aangewezen als intern begeleidster van [appellante sub 2]. Op 3 oktober had een (intensief) gesprek plaats tussen [X] en [appellante sub 2] dat door [appellante sub 2] als erg positief werd ervaren. Hierna nam [X] contact op met de ambulante begeleiding van Horizon. Op 10 oktober spraken [X] en [appellante sub 1] elkaar. Op 16 oktober vond een terugkoppeling plaats naar [appellante sub 1] over een gesprek tussen [X], de docente Grieks en de ambulant begeleidster van Horizon, [Y]. Op 17 oktober, de dag voor de herfstvakantie, had een gesprek plaats tussen [appellante sub 2] en [X], waar [appellante sub 2] zeer aangedaan door raakte. Hierna verbood [appellante sub 1] het contact tussen [X] en [appellante sub 2].

3.9. Op 29 oktober 2008 heeft [appellante sub 2] een gesprek gehad met [Y]. Een voor 7 november 2008 gepland gesprek tussen [appellante sub 1] en de conrector [Z] is door [Z] afgezegd, volgens de school op aanraden van [Y] in afwachting van een gesprek dat zij op 11 november 2008 met [appellante sub 1] zou hebben.

3.10. Op 7 november 2008 heeft de school een mail ontvangen van het Rotterdams Medisch Pedagogisch Instituut (RMPI), een organisatie voor kinder- en jeugdpsychiatrie met aangepaste onderwijsvoorzieningen in Barendrecht, met het verzoek om stukken aan te leveren in verband met de aanmelding van [appellante sub 2] bij dat instituut. [Z] heeft daarop gereageerd bij brief van 17 november 2008 dat hij de stukken via [appellante sub 1] zal sturen. Over het handelingsplan bericht hij daarbij dat dat niet is opgesteld in afwachting van eventuele doorstart van de begeleiding.

3.11. Op 16 november 2008 heeft [appellante sub 1] een klacht ingediend bij de school. Zij eiste onder meer dat het dossier inclusief het onderwijskundig rapport op 20 november 2008 bij het RMPI ligt voor aanmelding SVWO.

3.12. Bij de stukken bevindt zich een verzoek van [appellante sub 2] van 18 november 2008 voor de wijziging profiel van gymnasium naar atheneum.

3.13. Blijkens een e-mail van [Y] aan [X] van 18 november 2008 gaat een afspraak tussen haar en [appellante sub 2] niet door omdat [appellante sub 1] eerst duidelijkheid wil over de situatie.

3.14 Bij brief 24 november 2008 heeft de rector van de school op de klacht van [appellante sub 1] gereageerd. Over het handelingsplan deelde hij mede, dat op het moment dat de school het begeleidingsplan van de ambulante dienst binnenkreeg [appellante sub 1] al stappen had ondernomen richting RMPI en dat dat betekende dat het handelingsplan door het RMPI zou worden opgesteld.

3.15. Op 1 december 2008 heeft [appellante sub 1] een klacht ingediend bij het bestuur van de school en bij brief van 11 december 2008 heeft zij het bestuur van de school gesommeerd maatregelen te nemen opdat [appellante sub 2] na de kerstvakantie kan beginnen op het Westerbeek College in Den Haag.

3.16. Bij de stukken bevinden zich een e-mail van 9 december 2008 van [Z] aan een leerplichtambtenaar waarin hij meldt dat [appellante sub 2] in de laatste periode frequent ziek wordt gemeld, een e-mail van [Z] van 10 december 2008 aan [appellante sub 1] dat [appellante sub 2] sinds 26 november 2008 is ziek gemeld en een e-mail van [Z] van diezelfde datum aan de leerplichtambtenaar dat [appellante sub 2] vanaf 3 december 2008 is ziek gemeld. In elk geval heeft [appellante sub 2] de school vanaf laatstgenoemde datum niet meer bezocht.

3.17. Per 6 januari 2009 is [appellante sub 2] ingeschreven bij het Luzac college in Rotterdam, een instelling die niet met rijksmiddelen vanuit het ministerie van OCW wordt gefinancierd. Op een rugzakje kan voor die school geen aanspraak worden gemaakt.

3.18. Met ingang van het schooljaar 2011/2012 zit [appellante sub 2] op het Westerbeek College in Den Haag, een speciale school voor voortgezet onderwijs.

4. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] vorderen een verklaring voor recht dat de school toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de onderwijsovereenkomst met [appellante sub 2] dan wel onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door niet te voldoen aan de zorgplicht tegenover [appellante sub 2]. Daarnaast vorderen zij vergoeding van de daardoor door hen geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat.

5. Na verweer van de school heeft de rechtbank de vorderingen in het bestreden vonnis afgewezen.

6. Met de eerste grief levert [appellanten] commentaar op de wijze waarop de rechtbank feiten heeft vastgesteld. Het hof heeft bij de vaststelling van de feiten hiervoor onder rechtsoverweging 3 met de genoemde bezwaren rekening gehouden.

7. Met de derde grief betoogt [appellanten] dat de school niet heeft voldaan aan art. 24 lid 2 van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO), dat de school verplicht in het schoolplan onder meer op te nemen welke voorzieningen de school heeft getroffen voor leerlingen met een leerlinggebonden budget. Ook de schoolgids meldt hierover niets. Daarmee heeft de school niet voldaan aan haar wettelijke verplichtingen en dat is verwijtbaar, aldus [appellanten]

8. Ingevolge art. 6 WVO regelen de bepalingen van (onder meer) hoofdstuk I van die wet het openbaar schoolonderwijs en zijn zij voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder schoolonderwijs. Tot de bepalingen van hoofdstuk I behoren art. 24 lid 2, volgens welk artikel in het schoolplan de voorzieningen voor leerlingen met een leerlinggebonden budget worden betrokken, en art. 24a lid 1 onder b, volgens welk artikel de schoolgids voor ouders en leerlingen informatie bevat over de wijze waarop aan de zorg voor leerlingen voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is, wordt vormgegeven.

9. Ten verwere tegen voormeld verwijt van [appellanten] wijst de school op een kwaliteitsonderzoeksrapport van 14 oktober 2008 van de Inspectie van het Onderwijs, volgens welk rapport het beleid van de school ten aanzien van leerlingenzorg goed geregeld is en het zorgplan een duidelijke structuur biedt voor de coördinatie van zorg, het volgen van leerlingen en de te bieden ondersteuningsmogelijkheden. De school betwist niet dat in de schoolgids geen informatie is opgenomen welke voorzieningen zij heeft getroffen voor leerlingen voor wie een rugzakje beschikbaar is. In zoverre brengt [appellanten] terecht naar voren dat de school niet aan haar wettelijke verplichting op dit punt heeft voldaan.

10. De school betwist echter dat schending van het betreffende artikel een normschending jegens [appellante sub 1] c.s oplevert. De bepalingen van het betreffende hoofdstuk in de WVO zijn voorwaarden voor bekostiging voor het bijzonder onderwijs en regelen volgens de school niet de verhouding ouders/leerlingen en de school. Daarnaast stelt de school dat [appellanten] van de gestelde schending geen nadeel heeft ondervonden.

11. Het hof zal de vraag of [appellanten] zich op de gestelde normschending kan beroepen in het midden laten, omdat, zoals uit het hiernavolgende blijkt, naar het oordeel van het hof niet gezegd kan worden dat zij daarvan nadeel heeft ondervonden. De vraag in hoeverre [appellanten] nadeel heeft ondervonden van de gestelde normschending hangt ten nauwste samen met de andere verwijten die [appellanten] de school maakt en zal, zo nodig, in dat verband wordt besproken.

13. Met de grieven II en IV tot en met VIII herhaalt [appellanten] de verwijten die zij de school in eerste aanleg reeds heeft gemaakt.

Samengevat komen die op het volgende neer:

a) de school heeft onkundig gehandeld in de procedure tot het verkrijgen van een indicatie voor een rugzakje, waardoor het veel te lang heeft geduurd voor het rugzakje voor [appellante sub 2] beschikbaar kwam (grief IV); de school is te laat aan een onderwijskundig rapport gaan werken; dat rapport had al in januari 2007 klaar kunnen zijn zodat de indicatieprocedure voor het rugzakje toen direct gevoerd had kunnen worden en de extra zorg voor [appellante sub 2] al een jaar eerder beschikbaar had kunnen zijn (grief V);

b) de school is tekortgeschoten bij het opstellen van het handelingsplan; volgens de wet had het handelingsplan een maand na 1 augustus 2008 klaar moeten zijn (grieven VI en VIII);

c) de school was niet bereid in open overleg met [appellante sub 1] ervoor te zorgen alsnog de beschikbare middelen in te zetten; [Z] heeft de afspraak voor 7 november 2008 afgezegd en komt daar niet op terug (grief VIII).

Ad a)

14. De school brengt terecht naar voren dat het enkele feit dat [appellante sub 2] aan dyslexie leed en dat haar gedrag opvallend en afwijkend was, onvoldoende reden is voor het opstellen van een onderwijskundig rapport. Een dergelijk rapport wordt pas opgesteld indien de begeleiding van de leerling dit vergt en de in de school aanwezige zorgstructuur tekort zou kunnen schieten. [appellanten] heeft in niet voldoende mate onderbouwd waaruit volgt dat daarvan vóór januari 2007, het moment waarop het rapport er volgens haar al had moeten liggen, reeds sprake was. De leerresultaten van [appellante sub 2] waren ook goed.

15. Nadat bij [appellante sub 2] de diagnose PDD-NOD was gesteld en [appellanten] in april 2007 het indicatietraject startte, heeft de school, zo stelt zij, de voor de aanvraag benodigde inlichtingen aangeleverd. De reguliere zorg die de school bood, was op dat moment naar het oordeel van de school nog steeds voldoende. [appellanten] heeft onvoldoende gesteld waaruit kan worden afgeleid dat dit niet het geval was. Aangezien [appellanten] hoge verwachtingen koesterde van het rugzakje, is de school vervolgens een onderwijskundig rapport gaan bijhouden.

16. Op 25 januari 2008 heeft de school de incidentenrapportage met [appellante sub 1] besproken. Naar het oordeel van de school volgt uit dat overzicht dat de voorvallen weliswaar symptomatisch zijn voor leerlingen met PDD-NOS, maar nooit ernstig. Dit rapport was op zichzelf ook geen aanleiding voor het Centraal Bureau Horizon om tot toekenning van het rugzakje over te gaan. Dat heeft zij pas gedaan nadat de school had aangegeven dat de zorg binnen de school op het gebied van frequentie, tijd en expertise ontoereikend was.

17. Naar het oordeel van het hof had de school als redelijk handelend en redelijk bekwaam onderwijsinstituut behoren te weten dat die verklaring nodig was voor een positieve beslissing op de aanvraag en had zij die verklaring daarom bij het onderwijskundig rapport dienen te voegen. Dat die verklaring niet bij het onderwijskundig rapport gevoegd was maar pas later is toegezonden, heeft echter in zoverre geen invloed gehad op de toekenning van het rugzakje, dat dit alsnog is toegekend met ingang van het eerstkomende schooljaar. In zoverre is in de toekenning van het rugzakje geen vertraging ontstaan.

18. De conclusie is dat dit verwijt geen doel treft.

Ad b) en c)

19. Ingevolge art. 26 WVO stelt een school waar een leerling is ingeschreven voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is in overeenstemming met de ouders voor elk schooljaar een handelingsplan op. Indien de inschrijving van de leerling plaatsvindt op of na 1 augustus wordt het handelingsplan zo spoedig mogelijk doch uiterlijk een maand na die inschrijving opgesteld. Niet in geschil is, dat het handelingsplan noch op 1 augustus 2008 noch een maand daarna was opgesteld. In zoverre treft het verwijt b) doel. Dit leidt echter niet tot het door [appellanten] gewenste resultaat om de volgende redenen.

20. Het schooljaar ving niet reeds per 1 augustus aan, maar pas per 1 september 2008. Van de school hoefde niet verlangd te worden dat zij het handelingsplan reeds vóór de aanvang van het schooljaar gereed had. [appellante sub 2] was immers een leerling voor wie voor het schooljaar 2008 voor het eerst een rugzakje beschikbaar werd gesteld. Naar analogie van de regeling voor nieuwe leerlingen mocht van de school echter wél verlangd worden dat zij het plan een maand later klaar had, dus per 1 oktober 2008.

21. Volgens de school lag het handelingsplan vanaf begin oktober 2008 klaar om besproken te worden met Horizon en was voor de opstelling daarvan ook een begeleidingsplan van Horizon noodzakelijk. Volgens [appellanten] daarentegen moest het begeleidingsplan van Horizon mede gebaseerd worden op het handelingsplan.

22. Naar het oordeel van het hof heeft de school zich in alle redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zij het handelingsplan in samenspraak met de ambulante begeleidster zou opstellen. Begeleidingsplan van die begeleidster ([Y]) en handelingsplan dienden immers op elkaar afgestemd te zijn. Ook [Y] meldt in een e-mail aan [appellante sub 1] van 27 oktober 2008 dat zij na haar gesprek met [appellante sub 2] op 29 oktober aansluitend met de school spreekt om een begin te maken met het handelingsplan, waarna zij met [appellante sub 1] een aparte afspraak wil maken over dat plan.

23. Horizon had begin september 2008 laten weten dat er met een wachtlijst werd gewerkt en dat de begeleiding pas kon beginnen nadat Horizon een terugmeldingsformulier van de school had ontvangen. Om een terugmeldingsformulier te ontvangen en aan Horizon te kunnen retourneren diende de school eerst een melding aan Horizon te doen. Gesteld noch gebleken is dat de school die melding niet meteen heeft gedaan of het terugmeldingsformulier niet meteen na ontvangst daarvan heeft geretourneerd. Retournering vond plaats op 10 oktober 2008 en half oktober 2008 is de ambulant begeleidster reeds actief (zie rechtsoverweging 3.8). Er werden toen afspraken gemaakt over de wijze waarop de docente Grieks met [appellante sub 2] zou omgaan, er werden afspraken gemaakt over de wijze waarop [X] en [appellante sub 2] met elkaar zouden omgaan, er werd een contactschrift aangelegd en [X] en [appellante sub 2] zouden elkaar wekelijks spreken. Voorts heeft de school behalve de interne begeleidster ook een buddysysteem ingesteld, een systeem waarbij [appellante sub 2] kon terugvallen op bepaalde leerlingen als zij tegen onduidelijkheden aanliep bij de verschillende vakken.

24. Cruciaal is het gesprek tussen [X] en [appellante sub 2] op 17 oktober 2008, de dag voor de herfstvakantie. Volgens [appellante sub 2] heeft [X] haar daarbij gezegd dat zij “de enige” was die het PTA (hof: plan van toetsing en afsluiting) niet begreep (zie comparitie van partijen hoger beroep). Indien juist, dan had [X] kunnen verwachten dat deze opmerking bij [appellante sub 2], van wie bekend was dat zij hyper-paniekerig reageert op kritiek van anderen (zie onder meer de toegevoegde informatie van de school voor de aanvraag van het rugzakje), slecht zou vallen. De reactie van [appellante sub 1] op de reactie van [appellante sub 2] wordt echter ook gekenmerkt door gebrek aan relativering en afstand. Zij spreekt met [appellante sub 2] af dat er geen wekelijkse gesprekken meer worden gevoerd tussen [X] en [appellante sub 2] en laat dat na de herfstvakantie aan de school weten.

25. [Y] voert op 29 oktober 2008 nog een gesprek met [appellante sub 2] en aansluitend met de school over het begeleidings- en handelingsplan.

26. Blijkens de brief van 16 december 2008 van het bestuur aan [appellante sub 1] heeft vervolgens op 4 november 2008 een gesprek plaatsgevonden tussen [Y], het zorgteam van de school en [X]. Bij mail van diezelfde dag heeft [Z] aan [appellante sub 1] bericht dat hij het geplande gesprek van 7 november afzegt en eerst de uitslag afwacht van het gesprek dat [appellante sub 1] met [Y] zal hebben op 11 november 2008. Volgens de school deed hij dit op instigatie van [Y]. [appellante sub 1] betwist in hoger beroep dat [Y] dit zou hebben gesuggereerd, maar naar het oordeel van het hof is weinig relevant op hij dit al of niet op instigatie van [Y] heeft gedaan. Gelet op de ontstane situatie, waarin [appellante sub 1] het contact tussen [X] en [appellante sub 2] had verboden, de school het begeleidings- en handelingsplan met [Y] had besproken en een gesprek tussen [appellante sub 1] en de deskundige ambulante begeleidster op korte termijn gepland stond, was de keuze van [Z] om zijn gesprek met [appellante sub 1] uit te stellen tot daarna alleszins gerechtvaardigd.

27. Op 7 november 2008 kwam bij [Z] het bericht binnen dat [appellante sub 2] was aangemeld bij het RMPI.

28. Op 11 november 2008 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [Y] en [appellante sub 1]. Uit eerdergenoemde brief van het bestuur aan [appellante sub 1] d.d. 16 december 2008 valt af te leiden dat dit gesprek niet tot een bevredigend resultaat heeft geleid.

29. Enkele dagen later (op de 16de november) kwam de klacht van [appellante sub 1] binnen met de eis dat het dossier van [appellante sub 2] (met het onderwijskundig rapport) voor 20 november 2008 aan het RMPI zou worden overgedragen.

30. Volgens de school heeft Horizon laten weten dat zij wegens de aanmelding van [appellante sub 2] bij RMPI niet voortging met de ambulante begeleiding van [appellante sub 2] en dat ook het op 24 november 2008 geplande gesprek tussen Horizon en de school over het begeleidingsplan en handelingsplan daarom niet doorging. [appellante sub 1] bestrijdt dat Horizon niet verder wilde begeleiden met de stelling dat [Y] haar begin december 2008 wel het begeleidingsplan heeft toegezonden, maar de toezending van dat plan weerspreekt niet dat Horizon de begeleiding niet wilde voortzetten. Overigens ligt het ook in de rede dat Horizon geen ambulante begeleiding verzorgt bij een leerling die bij het RMPI is geplaatst, omdat daar nu juist de expertise in huis is die bij een reguliere school meestentijds ontbreekt en in verband waarmee die ambulante begeleiding wordt ingesteld.

31. Uit het voorgaande volgt dat het verwijt van [appellante sub 1] dat de school niet bereid was in open overleg met [appellante sub 1] ervoor te zorgen alsnog de beschikbare middelen in te zetten geen doel treft. [appellante sub 1] heeft eind oktober 2008/begin november 2008, nadat ze het contact van [appellante sub 2] met de interne begeleidster had verboden en terwijl de gesprekken met de ambulante begeleiding in volle gang waren, [appellante sub 2] elders aangemeld. Dit had gevolgen voor de houding van de ambulante begeleiding.

Hoewel het wellicht verstandig van [Z] was geweest, indien hij nadat de klacht van [appellante sub 1] was binnengekomen en nadat zij ook verboden had dat [appellante sub 2] nog met [Y] sprak omdat [appellante sub 1] “duidelijkheid over de situatie wilde”, alsnog het gesprek met [appellante sub 1] aan te gaan, is het achterwege laten daarvan niet van dien aard, dat geoordeeld moet worden dat de school niet bereid was in open overleg met [appellante sub 1] ervoor te zorgen alsnog de beschikbare middelen in te zetten of dat op grond hiervan geoordeeld moet worden, dat [appellante sub 1] genoodzaakt was [appellante sub 2] aan te melden bij het Luzac Lyceum. Gelet op de houding van [appellante sub 1] mocht de school er na de klacht van 16 november 2008 en de eis het dossier van [appellante sub 2] binnen een paar dagen over te dragen aan het RMPI van uitgaan dat [appellante sub 1] [appellante sub 2] op zeer korte termijn van de school wilde afhalen. Dat de lucht door een gesprek alsnog op die manier zou worden geklaard dat [appellante sub 2] toch op de school zou blijven lag, mede gelet op de toon van de e-mails en brieven, niet erg voor de hand.

32. Het voorgaande betekent dat [appellante sub 1] met de verwijten b) en c) geen succes heeft.

33. In rechtsoverweging 31 heeft het hof ook het verst strekkende verweer van de school aangesneden, te weten dat het causaal verband tussen de gestelde tekortkomingen en de gestelde schade ontbreekt. Omtrent de schade heeft [appellanten] bij inleidende dagvaarding gesteld dat de voornaamste schadepost het schoolgeld voor het Luzac Lyceum is. Bij comparitie van partijen in hoger beroep heeft (de raadsman van) [appellanten] desgevraagd verklaard dat de schade die [appellanten] heeft geleden bestaat uit het schoolgeld verschuldigd aan het Luzac Lyceum.

34. De school heeft terecht naar voren gebracht dat niet is gebleken van een noodsituatie die een direct causaal verband oplevert met de gestelde schadeveroorzakende gebeurtenis, de inschrijving bij het Luzac Lyceum. Niet is gebleken dat inschrijving elders niet tot de mogelijkheden behoorde. Ook bij gebreke van causaal verband tussen de gestelde verwijten en de gestelde schadeveroorzakende gebeurtenis moeten de vorderingen worden afgewezen.

35. Dit betekent dat alle grieven falen, waarbij het bewijsaanbod wordt gepasseerd als niet relevant. De rechtbank heeft de vorderingen terecht afgewezen. Het vonnis zal worden bekrachtigd en [appellanten] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de school bepaald op € 649 aan griffierecht en op € 1.788 aan salaris voor de advocaat;

- verklaart dit arrest voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, M.J. van der Ven en A.E.A.M. van Waesberghe is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2013 in aanwezigheid van de griffier.